Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Deelgeschil letselschade. Verzoekster is op haar fiets aangereden door een verzekerde van Aegon. Aegon is bereid 75% van de schade te vergoeden, maar verzoekster wenst een hoger percentage vergoed te zien. Artikel 185 Wegenverkeerswet en de daarbij in de jurisprudentie bepaalde 50 %-regel zijn van toepassing. Bij afweging van de wederzijdse causaliteit ingevolge artikel 6:101 BW , komt de rechtbank tot de conclusie dat de schade van verzoekster in beduidend hogere mate het gevolg is van omstandigheden die aan de verzekerde kunnen worden toegerekend dan aan omstandigheden die aan verzoekster kunnen worden toegerekend. Na toepassing van de billijkheidscorrectie komt de rechtbank uiteindelijk op 100% aansprakelijkheid voor Aegon.

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/271857 / EX RK 13-197

Beschikking deelgeschil letselschade van 17 april 2014

in de zaak van

1 [verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],

2. [verzoeker 2],

in hun hoedanigheid van bewindvoerder en mentor van hun dochter

[slachtoffer],

allen wonende te [woonplaats],

verzoekers,

advocaat mr. B.L.M. Middeldorp te Etten-Leur,

tegen

de naamloze vennootschap

Aegon SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

verweerster,

advocaat mr. F. van Kersbergen te Den Haag.

Partijen zullen hierna [verzoekers] en Aegon worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift van [verzoekers] ex art. 1019w Rv (deelgeschil), ingekomen ter griffie op 27 november 2013, met 14 producties;

het verweerschrift van Aegon, ingekomen ter griffie op 20 februari 2014;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 27 februari 2014 en de aldaar door mr. Middeldorp overgelegde pleitnotities.

1.2.

De rechtbank heeft vervolgens de datum van de uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 10 november 2011 rond 18.12 uur is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), toen 19 jaar, betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Dit ongeval vond plaats te Bladel op de kruising van de doorgaande weg N284 met de uit Bladel komende straat Lange Trekken. De N284 bestaat voor het gemotoriseerde verkeer ter plaatse uit in totaal drie rijbanen; één rijbaan voor het doorgaande verkeer van Eersel naar Reusel (met de mogelijkheid om vanaf die rijbaan rechtsaf te slaan naar de Lange Trekken/Bladel), één rijbaan voor het doorgaande verkeer van Reusel naar Eersel en één rijbaan voor het links-afslaand verkeer vanuit Reusel naar de Lange Trekken/Bladel. De voorrang op deze kruising werd op het moment van het ongeval voor alle verkeersdeelnemers geregeld door in werking zijnde driekleurige verkeerslichten.

2.2.

[slachtoffer] was op haar fiets op weg vanuit haar werkstage te Bladel naar haar huis te Eersel. Komend vanuit de Lange Trekken wilde zij de N284 oversteken. Zij maakte daarbij gebruik van de oversteekplaats voor fietsers aan de - vanuit haarzelf gezien - rechterkant van de Lange Trekken. [slachtoffer] was voornemens om na het oversteken van de N284 haar weg naar links te vervolgen in de richting van Eersel. Op het moment dat [slachtoffer] de voor haar laatste rijbaan van de N284 overstak, zijnde de rijbaan voor het doorgaande verkeer van Reusel naar Eersel, is zij aangereden door een auto, die werd bestuurd door mevrouw [bestuurder] (hierna: [bestuurder]). De auto waarin [bestuurder] reed, was ten tijde van het ongeval op grond van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen verzekerd bij Aegon.

2.3.

Als gevolg van dit ongeval heeft [slachtoffer] ernstig lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit hersenletsel, fracturen van de beide sleutelbenen, meerdere ribfracturen, een klaplong en aangezichtsletsel met fracturen. [slachtoffer] kent thans nog forse cognitieve en fysieke beperkingen. [slachtoffer] is emotieloos en passief. Verder heeft ze als gevolg van het hersenletsel slikproblemen, moeite met praten, visusproblemen en een verstoord evenwicht, waardoor [slachtoffer] rolstoelafhankelijk is geworden. [slachtoffer] is voor haar dagelijkse verzorging afhankelijk van derden. [slachtoffer] heeft geen herinneringen aan de maanden voorafgaand aan het ongeval en aan het ongeval zelf.

2.4.

[bestuurder] heeft kort na het ongeval tegen de verbalisant onder meer het volgende verklaard (vgl. dv prod. 10):

“Vandaag 10 november 2011, omstreeks 18:15 uur, reed ik over de N284, komende uit de richting van Bladel en gaande in de richting van Hapert.

Toen ik zo’n 10 meter van de verkeerslichten met de kruising van de Lange Trekken was sprong het verkeerslicht van groen uitstralend licht naar oranje uitstralend licht. Ik reed op dat moment met een snelheid tussen de 70 en 80 kilometer per uur. Ik reed door en zag ineens vanuit mijn linkerooghoek dat er een fietser overstak vanaf het fietspad aan de zijde van de Lange Trekken. Ik heb geclaxoneerd en heb gelijktijdig geremd en ben naar rechts uitgeweken om de fietser te ontwijken. Dit lukte echter niet en ik reed de fietser aan. Ik ben tengevolge van de aanrijding en het uitwijken en remmen tegen een verkeerslicht tot stilstand gekomen.”

2.5.

Blijkens het proces-verbaal verhoor getuige van 10 november 2011 heeft getuige [bestuurder] (verder: [bestuurder]) kort na het ongeval aan de verbalisant verklaard (dv prod. 10):

“Ik wens een verklaring af te leggen over het verkeersongeval die zojuist had plaatsgevonden.

Op donderdag 10 november 2011, omstreeks 18.15 uur, reed ik als bijrijder in een personenauto over de N284 te Bladel. Ik kwam uit de richting van Reusel en ging in de richting van Hapert. Op een gegeven moment naderde ik het kruispunt met verkeerslichten.

Voor ons reed een personenauto. Toen wij de verkeerslichten naderde zag ik dat het verkeerslicht voor rechtdoorgaand verkeer op oranje sprong. Ik zag dat de auto voor ons doorreed. Ik denk dat deze ongeveer 2 meter voor het verkeerslicht verwijderd was toen het verkeerslicht op oranje sprong. De bestuurster van de auto reed door het oranje verkeerslicht. Wij remden af voor het verkeerslicht. Op dat moment zag ik een fietser ter hoogte van het voorsorteervak voor linksafslaand verkeer. Ik zag dat de fietser van links kwam.

Ik had de fietser nog niet eerder gezien. Ik zag dat de fietser overstak. Ik zag dat de bestuurster van de personenauto nog naar rechts stuurde om de fietser te ontwijken. Ik zag de remlichten van de personenauto pas na de verkeerslichten. Wij reden achter de personenauto over de N284 ongeveer 80 kilometer per uur. Ik zag dat de personenauto voor ons, eerst de fietser raakte en vervolgens tegen het verkeerslicht aanreed. Ik zag dat de bestuurster van de personenauto in shock was na het ongeval.”

2.6.

Blijkens het proces-verbaal verhoor getuige van 10 november 2011 heeft getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) na het ongeval onder meer het navolgende verklaard (dv prod. 10):

“Ik ben zojuist getuige geweest van een aanrijding op de kruising provincialeweg N284 met de Lange Trekken te Bladel en ik wil daar een verklaring over afleggen.

Ik reed zojuist met mijn personenauto over de N284, komende uit de richting van Reusel, gaande in de richting van Hapert. Dat was tussen 18:10 en 18:15 uur. Op de kruising N284/Lange Trekken zijn verkeerslichten gesitueerd en toen ik deze verkeerslichten vanuit Reusel naderde, zag ik dat het verkeerslicht voor mijn rijrichting op oranje sprong. Ik zag dat dat gebeurde op het moment dat de auto die voor mij reed, nagenoeg onder het verkeerslicht door reed. Deze kon mijn inziens echt niet meer stoppen voor het verkeerslicht. Ik heb de remlichten ook niet zien branden toen deze auto onder de verkeerslichten door reed. Ik reed op dat moment ongeveer 30 meter achter dit voertuig, waardoor ik wel kon stoppen voor het verkeerslicht. Plots hoorde ik een klap en zag voor mij een persoon 3 meter door de lucht vliegen. Ik ben direct gestopt en heb 112 gebeld. Mijn bijrijdster, [getuige 3] is uitgestapt en is naar de plaats van aanrijding toe gelopen. Ik kan niet zeggen dat ik vlak voor de aanrijding, met naar al snel bleek een fietser, de remlichten van de auto voor mij heb zien oplichten.

Voor wat betreft de snelheid van de auto die in aanrijding is gekomen met de fietser kan ik alleen zeggen dat deze gedurende de rit over de N284 ongeveer 80 km/u reed en dat ik nog ongeveer 30 km/u reed toen ik aan het afremmen was voor de verkeerslichten, ik de klap hoorde en een persoon door de lucht zag vliegen. Omdat ik de betreffende auto voor mij niet heb zien remmen ga ik er vanuit dat deze ten rijde van de aanrijding 80 km/u gereden heeft. Ik heb niet gezien waar de fietser vandaan kwam.”

2.7.

Getuige Johannes[getuige 4] (verder: [getuige 4]) heeft als getuige kort na het ongeval tegen de politie verklaard (dv prod. 10):

“Ik ben getuige geweest van een aanrijding en wens het volgende te verklaren.

Op donderdag 10 november 2011, omstreeks 18.17 uur, reed ik op de N284 te Bladel. Ik kwam uit de richting van Hapert en stond voor het rode verkeerslicht te wachten om rechtsaf te slaan, om vervolgens Bladel in te rijden. Toen ik voor het verkeerslicht stilstond overzag ik het kruispunt. Ik zag dat een fietser voor het verkeerslicht stilstond. Ik zag dat de fietser rechts van de N284 stond en de N284 over wilde steken.

Vervolgens heb ik mij gericht op het verkeerslicht. Ik zag dat na een minuutje, het verkeerslicht voor mij groen werd. Ik reed aan om rechtsaf te slaan. Direct daarna hoorde ik een harde klap. Ik zag wat ledematen door de lucht vliegen. Vervolgens zag ik dat een personenauto tegen het verkeerslicht aanreed.

Ik zag dat de personenauto uit de richting van Reusel kwam, over de N284. Ik zag dat de fietser die aangereden was, het blonde meisje was die ik eerder bij het verkeerslicht had zien wachten.”

2.8.

Op 5 april 2012 heeft [verzoekers] Aegon aansprakelijk gesteld voor alle schade van [slachtoffer] - waaronder immateriële schade - als gevolg van het ongeval.

2.9.

Bij brief van 14 september 2012 schrijft Aegon aan [verzoekers] onder meer (dv prod. 7):

“Ik heb u uitgelegd dat wij van mening zijn dat dit wellicht één van de zeldzame gevallen van overmacht aan de zijde van de automobilist kan zijn. Wij denken dat onze verzekerde in feite niets te verwijten valt, omdat zij niet te hard reed (nog niet eens de maximum snelheid, die ter plaatse 80 km per uur bedraagt) en het licht voor haar pas op oranje sprong op het moment dat zij er al onder reed of in ieder geval bijna eronder reed.

Wij zijn echter bereid om zonder erkenning van aansprakelijkheid 50% van de schade te vergoeden.”

2.10.

In november 2012 heeft de Forensische Technische Ondersteuning van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost (verder: FTO) nader onderzoek verricht naar het ongeval. Dit aan de hand van de gelogde data van de op de plaats van het ongeval aanwezige verkeersregelinstallatie. Het FTO heeft haar conclusies neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 15 november 2012 (dv prod. 4). Daarin is onder meer vermeld:

“Analyse verkeersregelinstallatie

====================

De kruising was voorzien van een automatisch werkende verkeersregelinstallatie, kortweg VRI. Op het moment van het ongeval was de regelinstallatie in werking. Uit onderzoek bleek dat er geen storingen geregistreerd waren van deze installatie welke van invloed zouden kunnen zijn geweest bij voornoemd ongeval.

[…]

De rijrichtingen van een kruising worden in een VRI aangegeven als fases. In deze situatie reed de personenauto over fase 8 en was de rijrichting voor de fiets fase 26.

[…]

Voor fase 8 bestond de detectie van voertuigen uit 7 detectielussen voor de stopstreep (lussen 087 t/m 081) en 1 lus na de stopstreep (lus 089).

[…]

Op 11 november 2011, werd op de plaats van het ongeval de systeemtijd van de VRI gecontroleerd middels een mobiele(dienst) telefoon. De tijd welke door de telefoon werd weergegeven was nagenoeg gelijk aan de tijd welke door de politiemeldkamer werd gehanteerd.

Op het moment van controleren was de systeemtijd van de VRI 21:20 uur. De tijd op de mobiele telefoon bedroeg 20:58:27 uur. Een verschil van ongeveer 22 minuten.

[…]

Het verkeer werd door de radar RK05 gedetecteerd tot 18:33:41,4. Hierna was er geen detectie meer door deze radar van verkeer rijdend over fase 8 en 2. Uit onderzoek bleek dat het detectieveld van de radar door de aanrijding was veranderd en het na dat moment niet meer mogelijk was om het verkeer op fase 8 en 2 te detecteren. Tijdstip van aanrijding personenauto tegen voornoemde verkeerslantaarn was derhalve 18:33:41,4. De aanrijding tussen de personenauto en de fiets vond dus kort voor dit tijdstip plaats.

[…]

Analyse snelheid personenauto

==================

[…]

De afstand tussen deze twee voornoemde detectielussen bedroeg 123,20 mtr. Detectie van de personenauto op lussen 087 en 089 vond plaats op respectievelijk 18:33:33,2 en 18:33:38,7, een tijdvak van 5,5 seconden. Rekening houdende met het meetraster was de gereden snelheid van de personenauto:

Maximaal 123,20 mtr : 5,4 sec = 22,8 m/s (82 km/u).

Minimaal 123,20 mtr : 5,6 sec = 22 m/s (79,2 km/u).

Analyse verkeerslichten met betrekking tot de personenauto

===================================

De verkeerslichten ten opzichte van fase 8 straalde groen licht uit van 18:33:14,7 tot 18:33:34,2. Een tijd van 19,5 seconden.

De personenauto werd gedetecteerd op lus 087 om 18:33:33,2 op een afstand van 121,20 mtr voor de stopstreep.

De verkeerslichten straalden vervolgens geel licht uit van 18:33:34,2 tot 18:33:38,2.

Een tijd van 4 seconden.

Bij aanvang geel werd de personenauto gedetecteerd op detectielus 086, op een afstand van 102,60 mtr voor de stopstreep.

De verkeerslichten straalden vervolgens rood licht uit van 18:33:38,2 tot 18:34:03,6.

Een tijd van 25,4 seconden.

Bij aanvang rood werd de personenauto gedetecteerd op detectielus 082 op een afstand van 7,6 mtr voor de stopstreep.

Hieruit concludeer ik dat de personenauto de stopstreep passeerde terwijl het voor hem geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde.

[…]

Analyse verkeerslichten met betrekking tot van de fiets

================================

Fietsers op fase 26 worden gedetecteerd middels een radar, een detectielus en een drukknop welke in de faselog weergegeven worden als respectievelijk 262, 261 en DK26. De detectie middels de detectielus wordt hierin verder buiten beschouwing gelaten vanwege de onbetrouwbaarheid van de detectie.

De verkeerslichten ten opzichte van fase 26 straalde rood licht uit van 18:32:39,5 tot 18:33:39,2. Een tijd van 57 seconden.

Tijdens deze roodfase werd een radar een detectie weergegeven van 18:32:56,8 tot 18:33:04,2. Een tijd van 7,40 seconden. Voornoemde radardetectie werd gevolgd door activering van de drukknop DK26 van 18:33:04,2 tot 18:33:04,7. Een tijd van 0,50 seconden.

De verkeerslichten ten opzichte van fase 26 straalde groen licht uit van 18:33:39,2 tot 18:33:43,6. Een tijd van 4,40 seconden.

Tussen het op rood gaan voor fase 8 en groen voor fase 26 zit een tijd van 1 seconde. Gezien de snelheid van de personenauto van 22,4 m/s zou de personenauto het conflictvlak dan al gepasseerd zijn. De personenauto en de fiets kwamen echter met elkaar in botsing. Hieruit concludeer ik dat de fiets de stopstreep passeerde terwijl het voor haar geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde.

[…]

Vermijdbaarheid

==========

Zoals uit bovenstaand onderzoek blijkt bevond de personenauto zich op een afstand van ongeveer 100 meter voor de stopstreep op het moment dat de voor haar geldende verkeerslichten van groen naar geel licht overgingen.

Deze afstand mag als voldoende gezien worden om op een rustige manier voor de stopstreep tot stilstand te kunnen komen. Hetgeen inhoudt, remmen met een remvertraging van ongeveer 3 m/s2 waarbij met een snelheid van 80 km/u een remweg benodigd is van ongeveer 80 meter.

Gezien deze bevinding concludeer ik dat de bestuurster van de personenauto de aanrijding had kunnen voorkomen door te reageren op het voor haar geldende geel licht uitstralende verkeerslicht.

Het gegeven dat ook de fietsster het voor haar geldende rode verkeerslicht negeerde mag echter niet buiten beschouwing blijven.”

2.11.

In haar brief van 26 november 2012 schrijft Aegon aan [verzoekers] onder meer (dv prod. 8):

“Ik heb de technische rapportage van de politie doorgenomen. Hieruit blijkt dat onze verzekerde niet vrij-uit gaat ten aanzien van het ontstaan van het ongeval, omdat zij bij oranje niet is gestopt en daardoor net door rood is gereden.

Vast staat echter ook dat de fietser door rood is gereden, terwijl zij een provinciale weg (80-km) overstak.

Beide partijen hebben hier dus een zelfde soort verkeersfout gemaakt, welke in vrijwel gelijke mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Op basis daarvan kom ik tot 50% aansprakelijkheid.

Gelet op de ernst van het letsel wil ik echter een billijkheidscorrectie toepassen, zodat ik 75% van de aansprakelijkheid kan erkennen.”

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoekers] verzoekt de rechtbank te bepalen:

I. dat Aegon volledig, althans voor meer dan 75%, aansprakelijk is voor de schade die [slachtoffer] lijdt als gevolg van het ongeval op 10 november 2011 te Bladel;

II. dat Aegon gehouden is de volledige geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van [slachtoffer] te vergoeden, althans te bepalen dat een hoger percentage dan 75% van die schade aan (de ouders van) [slachtoffer] dient te worden vergoed;

III. dat de kosten van deze procedure op grond van artikel 6:96 BW dienen te worden vastgesteld op € 11.082,39, althans een nader in goede justitie te bepalen bedrag en Aegon te veroordelen in de kosten van de deelgeschilprocedure, alsmede Aegon te veroordelen het vastrecht aan (de ouders van) [slachtoffer] te voldoen.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekers] - samengevat - het volgende ten grondslag.

Artikel 185 Wegenverkeerswet en de daarbij in de jurisprudentie bepaalde 50 %-regel zijn op de voorliggende casus van toepassing. Ingevolge artikel 6:101 BW dient vervolgens te worden bepaald in welke mate [slachtoffer] en [bestuurder] aan de schade hebben bijgedragen en volgens [verzoekers] is het ongeval voor het merendeel te wijten aan [bestuurder]. Tegenover een enkele verkeersfout van [slachtoffer], staan namelijk meerdere verkeersfouten van [bestuurder]. Dit rechtvaardigt een causaliteitsafweging in het voordeel van [slachtoffer], aldus [verzoekers].

Vervolgens dient de billijkheidscorrectie ertoe te leiden dat Aegon alle schade van [slachtoffer] vergoedt. [verzoekers] heeft hierbij gewezen op het zogenoemde “Betriebsgefahr”, de jeugdige leeftijd van [slachtoffer] ten tijde van het ongeval, de ernst en blijvendheid van het letsel van [slachtoffer] en de onmogelijkheid voor [slachtoffer] en haar ouders om aanspraak te maken op een verzekeringsdekking. Ten slotte valt de ernst van de verkeersfout van [slachtoffer] in het niet bij de fouten die [bestuurder] heeft gemaakt, aldus [verzoekers].

[verzoekers] begroot de kosten van dit deelgeschil op € 11.082,39 aan advocaatkosten en € 274,- aan griffierecht. Deze kosten komen op de voet van artikel 6:96 BW voor vergoeding door Aegon in aanmerking.

3.3.

Aegon voert - kort en zakelijk weergegeven - het volgende verweer.

Primair stelt Aegon zich op het standpunt dat de zaak zich niet leent voor een behandeling in deelgeschil. Aegon betwist immers een deel van de bevindingen van het FTO, zodat een nadere instructie door een (rechtbank-) deskundige noodzakelijk is dan wel getuigen nader moeten worden gehoord. Daarvoor is in een deelgeschil geen ruimte.

Subsidiair heeft Aegon betwist dat zij is gehouden om meer dan 75% van de schade van [slachtoffer] te vergoeden, aangezien de beoordeling van de wederzijdse causaliteit niet leidt tot een andere verdeling dan 50/50. Met een billijkheidscorrectie van 25% leidt dit in totaal tot 75%.

Verder acht Aegon de door mr. Middeldorp aan dit deelgeschil bestede uren bovenmatig hoog.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt in het navolgende, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De geschiktheid voor behandeling in deelgeschil

4.1.

Aegon acht de voorliggende zaak niet geschikt voor een behandeling in de deelgeschilprocedure, in essentie omdat de precieze toedracht van het ongeval niet vaststaat. Aegon betwist in deze procedure namelijk de conclusie van het FTO dat [bestuurder] door rood is gereden, aangezien de voorhanden zijnde getuigenverklaringen tot een hele andere conclusie leiden. Op dit punt acht Aegon een nadere instructie door een deskundige dan wel nadere getuigenverhoren noodzakelijk en daarvoor is in dit deelgeschil geen ruimte.

4.2.

De rechtbank passeert dit verweer en neemt daarbij als uitgangspunt dat Aegon in haar brief van 26 november 2012 aan [verzoekers] heeft erkend dat [bestuurder] (net) door rood is gereden. Voor het eerst in deze procedure komt Aegon daarop terug. Ter zitting heeft de advocaat van Aegon over deze brief gesteld dat het niet de bedoeling van Aegon is geweest om daarin de conclusies van het rapport te erkennen. Het is uitsluitend een constatering van wat er in het rapport staat, aldus Aegon.

De rechtbank kan Aegon hierin echter niet volgen. De tekst van de brief, hiervoor geciteerd onder 2.11, is duidelijk en laat geen ruimte voor een andere lezing dan dat Aegon er op dat moment van uitging dat ook [bestuurder] - conform de conclusies van het FTO - door rood is gereden. Bovendien komt Aegon in deze brief op basis van de verkeersfouten van beide partijen - dus ook van [bestuurder] - al op 50% aansprakelijkheid, waar Aegon in haar brief van 14 september 2012 nog geen enkele aansprakelijkheid wilde erkennen. Aegon is in beginsel gebonden aan haar buitengerechtelijke erkenning van voormeld feit. De rechtbank ziet in hetgeen Aegon heeft aangevoerd geen reden om haar niet aan de erkenning gebonden te achten. Gesteld noch gebleken is dat Aegon na de erkenning de beschikking heeft gekregen over informatie die een ander licht werpt op de toedracht van het ongeval. Integendeel, Aegon grondt haar betwisting van het door rood rijden door [bestuurder] op de getuigenverklaringen, waarvan moet worden aangenomen dat Aegon die reeds vóór het verzenden van de brief van 26 november 2012 in haar bezit had. Overigens ziet de rechtbank, anders dan Aegon, in die getuigenverklaringen onvoldoende aanleiding om aan de conclusies van het FTO voorbij te kunnen gaan. Weliswaar heeft getuige [bestuurder] verklaard dat zij denkt dat [bestuurder] ongeveer 2 meter van de verkeerslichten reed toen dat licht van groen naar oranje sprong en heeft getuige [getuige 2] verklaard dat [bestuurder] op dat moment nagenoeg onder de verkeerslichten reed, maar [bestuurder] zelf verklaart dat zij 10 meter van het verkeerslicht was toen die van groen naar oranje sprong. Hierin is al een inconsistentie tussen de verschillende getuigenverklaringen gelegen. Verder acht de rechtbank hierbij van belang dat het inschatten van een afstand tot een object terwijl de observator zelf met een snelheid van 80 km/uur, zijnde meer dan 20 meter per seconde, in de richting van dat object rijdt, erg moeilijk is. De rechtbank volgt hiermee mr. Middeldorp, die ter zitting heeft gesteld dat bij een snelheid van 80 km/uur niet valt uit te sluiten dat mensen zich op de afstand verkijken. Daar komt bij dat het ten tijde van het ongeval donker was, hetgeen het inschatten van afstanden verder bemoeilijkt. Bovendien hebben de getuigen en [bestuurder] hun verklaringen afgelegd kort na het meemaken, althans aanschouwen van een ernstig ongeval. De rechtbank hecht daarom meer waarde aan de objectieve analyse van het ongeval door FTO en minder aan de subjectieve waarnemingen van genoemde getuigen.

De reden waarom er - nu, meer dan twee jaar na het ongeval - nadere verhoren zouden moeten plaatsvinden van voornoemde getuigen heeft Aegon niet nader onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die Aegon niet heeft gegeven, valt niet in te zien wat het opnieuw horen van deze getuigen toevoegt aan voormelde verklaringen die zij kort na het ongeval hebben afgelegd.

4.3.

Tegen de achtergrond van voormelde erkenning, heeft Aegon ook overigens de conclusies van het FTO onvoldoende gemotiveerd betwist. Gezien het feit dat Aegon al geruime tijd de beschikking heeft over het rapport van het FTO en het feit dat partijen al geruime tijd met elkaar onderhandelen over de afwikkeling van de door het ongeval ontstane schade, had het op de weg van Aegon gelegen om haar in deze procedure geuite kritiek op het rapport van FTO uitgebreid en overtuigend te onderbouwen. Daarmee zou zij recht hebben gedaan aan de aard van de deelgeschilprocedure en de rol van een dergelijke procedure binnen een lopend onderhandelingstraject. Aegon heeft dat echter nagelaten. Dit klemt temeer nu Aegon al vanaf halverwege november 2013 op de hoogte was van het voornemen van [verzoekers] om in een deelgeschil het percentage aansprakelijkheid van Aegon aan de orde te willen stellen. Pas in haar verweerschrift, een week voor de zitting in dit deelgeschil naar de rechtbank en naar [verzoekers] gestuurd, zet Aegon voor het eerst vraagtekens bij de door FTO geschetste toedracht van het ongeval. Aegon constateert daarbij enkel dat het rapport van FTO onvoldoende controleerbaar is, omdat nergens uit kan worden afgeleid dat het gedetecteerde voertuig waar het FTO haar berekeningen op heeft gebaseerd, het voertuig van [bestuurder] was en omdat het onduidelijk is waaruit bijvoorbeeld de tijdstippen waarop het verkeerslicht een bepaalde kleur uitstraalde en de afstand van de detectielussen tot de stopstreep zijn afgeleid (verweerschrift sub 27). Hiermee heeft Aegon echter niet, althans niet deugdelijk gemotiveerd gesteld dat de conclusies van het FTO niet kunnen kloppen en het maakt de betreffende uitlatingen door het FTO niet invalide. Aegon heeft met deze stellingen naar het oordeel van de rechtbank daarom geen twijfel gezaaid aan de houdbaarheid van de aannames van het rapport van FTO. Overigens twijfelt Aegon kennelijk niet aan de deskundigheid van het FTO op zichzelf. Buiten de conclusie dat [bestuurder] door rood is gereden, accepteert Aegon namelijk wel de overige conclusies van het FTO in haar proces-verbaal van bevindingen.

4.4.

De rechtbank gaat in het navolgende dus uit van de toedracht zoals die uit het rapport van FTO volgt. Een nader (feiten-) onderzoek op dat punt is dan niet geïndiceerd. Het primaire verweer van Aegon faalt daarom.

Inhoudelijke beoordeling; het toetsingskader

4.5.

Op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet 1994 is Aegon aansprakelijk voor de schade van [slachtoffer], tenzij sprake zou zijn geweest van overmacht bij de bestuurder van de auto, [bestuurder]. Aegon gaat ervan uit dat geen sprake is van overmacht zijdens [bestuurder] (vgl. verweerschrift sub 31) en beroept zich dus niet op deze tenzij regel.

Aegon dient dan op grond van de in de jurisprudentie aanvaarde zogenaamde 50%-regel op billijkheidsgronden ten minste 50% van de schade te vergoeden, wegens de verwezenlijking van het aan motorrijtuigen verbonden gevaar (“Betriebsgefahr”).

De rechtbank zal gelet op het partijdebat hierna op de voet van artikel 6:101 BW allereerst nagaan of er reden is af te wijken van de 50%-regel, omdat de schade voor meer dan 50% het gevolg is van omstandigheden die aan [bestuurder] moeten worden toegerekend; de wederzijdse causaliteit.

Daarna dient de rechtbank gezien de stellingen van partijen nog te beoordelen of de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval een andere verdeling eist dan de maatstaf van de wederzijdse causaliteit; de zogenoemde billijkheidscorrectie.

De wederzijdse causaliteit

4.6.

[verzoekers] heeft in dit kader gesteld dat, indien wordt uitgegaan van de bevindingen van het FTO - wat de rechtbank blijkens het voorgaande in dezen ook doet - [slachtoffer] met haar fiets voor haar verkeerslicht heeft stilgestaan voordat zij de N284 is overgestoken, maar dat [slachtoffer] niet heeft gewacht met oversteken totdat het verkeerslicht voor haar op groen stond. Tegenover deze ene fout van [slachtoffer] staan echter meerdere verkeersfouten van [bestuurder]. Zij heeft niet de intentie gehad om voor het oranje/rode verkeerslicht te stoppen. Ze heeft toen het verkeerslicht op oranje sprong juist gas bij gegeven, waardoor zij op het moment waarop zij de stopstreep passeerde ongeveer 90 km/uur reed. [bestuurder] is door rood gereden en ze heeft daarbij geen rekening gehouden met een mogelijk overstekende fietser. Volgens vaste jurisprudentie moest [bestuurder] wel met de verkeersfout van [slachtoffer] - door rood licht rijden - rekening houden. [bestuurder] heeft ook ruimschoots de gelegenheid gehad om [slachtoffer] aan te zien komen fietsen. Door de straatverlichting was het fietspad duidelijk zichtbaar voor weggebruikers. Bovendien was het spitsuur en daarmee des te meer reden voor [bestuurder] om met overstekende fietsers rekening te houden. Dit alles rechtvaardigt een causaliteitsafweging in het voordeel van [slachtoffer], aldus [verzoekers].

Aegon stelt zich op het standpunt dat de causale verdeling geen hogere vergoeding dan 50% eist, omdat [bestuurder] geen verkeersfouten heeft gemaakt en [slachtoffer] juist wel. [slachtoffer] heeft het voor haar geldende rode verkeerslicht en de op het wegdek aangegeven haaietanden genegeerd. Verder heeft zij bij het oversteken niet het fietspad gevolgd, maar is zij de N284 schuin overgestoken. Ook staat volgens Aegon niet vast dat [slachtoffer] fietsverlichting voerde.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat de schade van [slachtoffer] in beduidend hogere mate het gevolg is van omstandigheden die aan [bestuurder] kunnen worden toegerekend dan aan omstandigheden die aan [slachtoffer] kunnen worden toegerekend en zij overweegt daartoe als volgt.

Aan Aegon kan worden toegegeven dat [slachtoffer] in enige mate eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Zij is immers door rood licht gereden. Dit behoeft in die zin een nuancering, dat [slachtoffer] niet komend uit de Lange Trekken met volle fietssnelheid direct door rood licht de N284 is overgestoken, maar dat zij eerst vóór de N284 volledig is gaan stilstaan voor het voor haar bedoelde rode verkeerslicht. Zij heeft vervolgens de zich daar bevindende drukknop geactiveerd, evident met de bedoeling om haar verkeerslicht van rood naar groen te laten overschakelen. Uit het rapport van FTO blijkt dat zij echter niet op dat groene licht heeft gewacht, maar gedurende het rode licht met haar fiets vanuit stilstand is opgetrokken om met - vanwege dat optrekken - gematigde fietssnelheid de N284 over te steken. De fout van [slachtoffer] is dus dat zij te vroeg - blijkens het rapport van FTO: kort voor haar verkeerslicht op groen sprong - is gaan rijden. Kennelijk anticiperend op dat groene licht voor haarzelf en op het rode licht voor de rijbaan waar [bestuurder] op reed. Ter zitting heeft [slachtoffer] immers verklaard dat zij vijf dagen per week naar haar stageadres ging, dat zij elke dag op de fiets ging en elke dag die kruising moest oversteken. [slachtoffer] moet daarom bekend worden geacht met de werking/het lichtschema van de verkeerslichten op de betreffende kruising.

Aegon rekent aan [slachtoffer] als afzonderlijk verwijt aan dat zij naast het door rood rijden ook haaietanden heeft genegeerd. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Terecht heeft [verzoekers] ter zitting opgemerkt dat van een dubbele verkeersfout geen sprake is, nu uit artikel 64 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) volgt dat verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen, zoals haaietanden.

Aegon verwijt [slachtoffer] ook dat zij de N284 schuin is overgestoken. Dat maakt Aegon op uit prod. 9, foto 2, bij verzoekschrift en de verklaring van [bestuurder]. De rechtbank kan Aegon hierin niet volgen. Met [verzoekers] is de rechtbank van oordeel dat uit de politiefoto’s (verzoekschrift prod. 5) genoegzaam blijkt dat [slachtoffer] de N284 recht is overgestoken. Met name wijst de rechtbank hierbij op de foto’s waarop is te zien dat de politie op de avond van het ongeval de plek van impact tussen de auto van [bestuurder] en de fiets van [slachtoffer] en de onderlinge positie van deze twee rijtuigen op dat moment ten opzichte van elkaar heeft gereconstrueerd, door op het fietspad de fiets tegen de neus van de auto te situeren. Noch uit de foto’s noch uit het rapport van FTO valt op te maken dat [slachtoffer] schuin is overgestoken.

Verder passeert de rechtbank de enkele opmerking van Aegon dat niet vaststaat dat [slachtoffer] fietsverlichting voerde. Daargelaten dat Aegon hiermee niet uitdrukkelijk heeft gesteld dat [slachtoffer] géén fietsverlichting voerde, gaat de rechtbank er op grond van de overgelegde foto’s (verzoekschrift prod. 5) vanuit dat [slachtoffer] haar fietsverlichting aan had. Terecht wijst [verzoekers] erop, dat op enkele van de overgelegde foto’s is te zien dat de schakelaar van de fietsverlichting op “on” stond. Aegon heeft geen reden gegeven om te kunnen aannemen dat de schakelaar kort voor de aanrijding niet op on stond en/of dat de verlichting desondanks niet werkte.

4.8.

[bestuurder] kan ten eerste worden verweten dat zij door rood is gereden; een ernstige overtreding met een voorzienbaar groot risico op een ongeval en dus op letsel.

Daaraan voorafgaand heeft [bestuurder] naar het oordeel van de rechtbank niet correct gereageerd op het oranje licht dat het verkeerslicht voor haar rijbaan is gaan uitstralen. Ingevolge artikel 68 van het RVV 1990 moet een bestuurder voor een “geel” licht (in het normale spraakgebruik meestal een oranje licht genoemd) stoppen, tenzij de bestuurder het verkeerslicht zo dicht is genaderd dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is, in welk geval de bestuurder mag doorgaan. Op deze tenzij-regel kan [bestuurder] zich in dit geval echter niet beroepen. Uit het rapport van LTO volgt immers dat [bestuurder] nog 102,6 meter van de stopstreep was verwijderd toen het verkeerslicht voor haar rijrichting van groen licht naar oranje (geel) licht overging en dat zij daarmee nog voldoende afstand had van de stopstreep “om op een rustige manier voor de stopstreep tot stilstand te kunnen komen”. [bestuurder] heeft echter in plaats van het gas los te laten haar snelheid van ongeveer 80 km/uur gehandhaafd en is op de kruising met de Lange Trekken afgereden zonder zich er voldoende van te vergewissen of de kruising zodanig vrij was, dat zij die kruising zonder problemen met die snelheid zou kunnen passeren. Daarbij moest [bestuurder] er ook rekening mee houden dat haar verkeerslicht op rood zou springen nog voordat zij de stopstreep zou passeren en dat de verkeerslichten voor andere rijbanen (waaronder ook de fietspaden) dan op groen zouden springen, waarna logischerwijs het verkeer op die rijbanen in beweging zou komen.

Hier komt bij dat [bestuurder] valt toe te rekenen dat zij [slachtoffer] niet heeft zien oversteken. Zoals gezegd is [slachtoffer] vanuit stilstand met haar fiets opgetrokken om vanaf haar verkeerslicht de N284 over te gaan steken. Zij had daarbij dus (nog) geen hoge fietssnelheid. [slachtoffer] heeft vervolgens - vanuit haarzelf gezien - de eerste twee rijbanen van de N284 al geheel overgestoken. Er is gesteld noch gebleken dat het zicht vanaf de rijbaan waar [bestuurder] op reed op het traject dat [slachtoffer] als overstekende fietser over de N284 heeft afgelegd werd verhinderd. Weliswaar heeft Aegon gesteld dat het spitsuur was, maar niet dat er voertuigen op de rijbaan voor linksaf stonden die [bestuurder] het zicht op overstekende fietsers hebben ontnomen. Ook uit de getuigenverklaringen volgt niet dat de rijbanen van de kruising vol met verkeer stonden. Verder staat vast dat het droog weer was en dat de kruising op het moment van het ongeval verlicht werd door straatverlichting. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [bestuurder] [slachtoffer] heeft moeten kunnen zien. [bestuurder] heeft dan niet goed uitgekeken bij het naderen van de kruising.

De rechtbank kan [verzoekers] niet volgen in de stelling dat [bestuurder] op het moment waarop zij de stopstreep passeerde ongeveer 90 km/uur reed. De berekening waar [verzoekers] deze stelling op baseert komt niet uit op 90 km/uur, maar op 85,5 km/uur (vgl. verzoekschrift sub 49). Bovendien heeft [verzoekers] bij die berekening zonder nadere toelichting een andere methodiek gehanteerd dan het FTO heeft gedaan in het proces-verbaal van bevindingen van 15 november 2012. Nu is gesteld noch gebleken dat de methodiek van FTO onjuist is, gaat de rechtbank uit van de door FTO berekende snelheden.

4.9.

In het kader van de afweging van de wederzijdse causaliteit leidt dit niet tot 100% aansprakelijkheid van Aegon voor de schade van [slachtoffer], nu ook zij - al is het in beperktere

mate - een fout heeft gemaakt die heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Gezien de hierna nog toe te passen billijkheidscorrectie, behoeft de rechtbank hierbij niet nauwkeuriger - met exacte percentages - aan te geven in welke mate de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen; dat is zonder goede zin (vgl. HR 3 juni 2005, NJ 2008, 286).

De billijkheidscorrectie

4.10.

Hierbij kunnen een rol spelen de uiteenlopende ernst van de door betrokkenen gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, zoals de ernst van het opgelopen letsel.

Aegon zelf hanteert vanwege de zeer ernstige gevolgen van het ongeval voor [slachtoffer] in dit kader een correctiepercentage van 25%.

[verzoekers] heeft er in dit kader op gewezen dat [slachtoffer] de zwakke verkeersdeelnemer is en [bestuurder] in een gemotoriseerd voertuig reed; het zogenoemde “Betriebsgefahr”. Verder was [slachtoffer] ten tijde van het ongeval pas 19 jaar en heeft zij aan het ongeval bijzonder ernstig en blijvend letsel overgehouden. [slachtoffer] en haar ouders kunnen daarvoor geen aanspraak maken op een verzekeringsdekking. Ten slotte valt de ernst van de verkeersfout van [slachtoffer] in het niet bij de fouten die [bestuurder] heeft gemaakt.

4.11.

De rechtbank passeert in dit kader de stelling van [verzoekers] aangaande het Betriebsgefahr, nu dat al volledig in de hiervoor aangehaalde 50%-regel is verdisconteerd en daarom niet nogmaals mag worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat om redenen van billijkheid een kleiner gedeelte van de schade voor rekening van de benadeelde te laten dan voortvloeit uit een afweging van de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (vgl. nogmaals HR 3 juni 2005, NJ 2008, 286).

Wel hecht de rechtbank bij de voorliggende billijkheidscorrectie groot belang aan de hiervoor beschreven uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten van [bestuurder] en [slachtoffer], die hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, de aard en ernst van het letsel bij [slachtoffer] en de daarmee samenhangende omvangrijke schade en de jeugdige leeftijd waarop [slachtoffer] met dit letsel en deze schade wordt geconfronteerd.

De rechtbank ziet daarom tegen de achtergrond van hetgeen zij hiervoor heeft overwogen en beslist aangaande de wederzijdse causaliteit, voldoende grond om na toepassing van de billijkheidscorrectie 100% van de aansprakelijkheid bij Aegon neer te leggen.

4.12.

De rechtbank begrijpt de verzoeken van [verzoekers] onder I en II aldus, dat [verzoekers] een verklaring voor recht vraagt aangaande - kort gezegd - de mate van aansprakelijkheid van Aegon en de gehoudenheid van Aegon om de schade van [slachtoffer] te vergoeden. Deze verzoeken zijn gezien het voorgaande toewijsbaar.

De kosten van dit deelgeschil

4.13.

[verzoekers] stelt dat zij voor deze deelgeschilprocedure in totaal € 11.082,39,- advocaatkosten heeft moeten maken en daarnaast € 274,- griffierecht heeft betaald. Het bedrag aan advocaatkosten hangt samen met in totaal 43 gedeclareerde uren van de advocaat/advocaten van [verzoekers] tegen een tarief van € 200,- per uur, te vermeerderen met 6,5% kantoorkosten en 21% BTW.

4.14.

Aegon acht het aantal door de advocaat van [verzoekers] aan dit deelgeschil bestede uren echter bovenmatig. Tegen twee opgevoerde werkzaamheden heeft Aegon dit verweer nader ingekleed.

Ten eerste acht Aegon de aan het opstellen van een verzoekschrift bestede aantal van 21,5 uren onredelijk hoog. Er is in het verzoekschrift volgens Aegon teveel aandacht besteed aan de omvang van de schade, terwijl het verzoek zich daar niet op richt. Verder acht Aegon het overbodig dat het verzoekschrift door een kantoorgenoot van mr. Middeldorp wordt gelezen en aangevuld.

Ook bovenmatig, aldus Aegon, is het aantal van 14 uur dat aan de mondelinge behandeling wordt besteed. Met de bestudering van het verweerschrift, de zitting zelf en de afwikkeling daarvan is volgens Aegon hooguit 6 uur gemoeid.

4.15.

Ter zitting heeft mr. Middeldorp in reactie op het verweer van Aegon op dit punt nog aangevoerd dat zij in juni 2013 bij deze zaak is betrokken in verband met het starten van dit deelgeschil. Tot dan was mr. Middeldorp onbekend met deze zaak. Verder heeft mr. Middeldorp gesteld dat een uitgebreide toelichting op de schade van [slachtoffer] (en haar ouders) is gegeven ter onderbouwing van de aansprakelijkheidsvraag. Verder leidt het beleid binnen het kantoor van mr. Middeldorp om een ervaren advocaat mee te laten kijken volgens haar uiteindelijk tot minder hoge kosten en moesten er, gelet op het uitgebreide verweer van Aegon, bovendien veel uren besteed worden aan de voorbereiding van de zitting.

4.16.

De rechtbank overweegt als volgt. De uren die mr. Middeldorp aan het opstellen van het verzoekschrift heeft besteed, acht de rechtbank verdedigbaar en redelijk. Mr. Middeldorp is immers (enkel) benaderd voor het voeren van dit deelgeschil en was tot die tijd niet bekend met de zaak van [slachtoffer] en de reeds lopende onderhandelingen tussen [verzoekers] en Aegon. Voor het opstellen van het verzoekschrift diende mr. Middeldorp zich dus volledig in het geschil tussen partijen te verdiepen. Verder heeft Aegon weliswaar gesteld dat zij het overbodig acht dat het verzoekschrift door een kantoorgenoot van mr. Middelkoop wordt meegelezen en aangevuld, maar vervolgens dat standpunt niet nader toegelicht na de stellingname door mr. Middeldorp dat die werkwijze uiteindelijk tot minder hoge kosten leidt. De rechtbank passeert daarom dat verweer van Aegon op dit punt.

Voorts volgt de rechtbank Aegon niet in haar stelling dat het aantal opgevoerde uren voor de mondelinge behandeling bovenmatig is. Weliswaar betreft het een aanzienlijk aantal uren, maar hierbij acht de rechtbank van belang dat tot één week voor de zitting [verzoekers] op goede gronden in de veronderstelling verkeerde dat ook Aegon uitging van de door FTO geschetste toedracht van het ongeval. Toen Aegon op het laatste moment - namelijk pas in haar verweerschrift - haar tot dan toe ingenomen standpunt wijzigde en een onderdeel van het rapport van FTO betwistte, ontstond voor mr. Middeldorp de noodzaak zich daarop gedegen voor te bereiden. Dat zij daarmee het door Aegon redelijk geachte aantal van 6 uren heeft overschreden, is aan deze tournure van Aegon te wijten.

Ten slotte rechtvaardigt het grote (financiële) belang van de voorliggende zaak dat mr. Middeldorp zich daar gedegen in heeft verdiept. Het daarbij gehanteerde uurtarief van € 200,- acht de rechtbank alleszins redelijk.

De rechtbank zal daarom de kosten van het deelgeschil begroten conform het verzoek van [verzoekers] en zal Aegon veroordelen dit bedrag aan [verzoekers] te betalen.

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1.

verklaart voor recht dat Aegon volledig (100%) aansprakelijk is voor de schade die [slachtoffer] lijdt als gevolg van het haar op 10 november 2011 te Bladel overkomen ongeval;

5.2.

verklaart voor recht dat Aegon is gehouden om de volledige geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van [slachtoffer] te vergoeden;

5.3.

begroot de kosten voor deze procedure aan de zijde van [verzoekers] op € 11.356,39 en veroordeelt Aegon tot betaling van dit bedrag aan [verzoekers].

Deze beschikking is gegeven door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2014.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature