Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Uitleg overeenkomst aanbod en aanvaarding aandelenoverdracht. Wilsovereenstemming earn-out regeling vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/136583 / HA ZA 14-355

Vonnis in de hoofdzaak en vonnis in incident van 15 april 2015

in de procedure van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] B.V.,

gevestigd te [plaats],

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. C. Grondsma, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] B.V.,

gevestigd te [plaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident

advocaat mr. G.E. Koopman, kantoorhoudende te Heerenveen.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 22 oktober 2014;

het proces-verbaal van comparitie van 8 januari 2015;

de incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening van [A]

[A] van 4 maart 2015;

- de incidentele conclusie van antwoord van 18 maart 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de hoofdzaak en in het incident.

2 De feiten

2.1.

[A] en [B] waren tot eind 2013 beiden aandeelhouder en directeur en bestuurder van De Mâr Groep B.V. (hierna: De Mâr). [A] was voor 49,66 % aandeelhouder, [B] voor 50,34 %. De heer [C] (hierna: de heer [C]) is enig aandeelhouder en bestuurder van [A]. De heer [D] (hierna: de heer [D]) is enig aandeelhouder en bestuurder van [B]. De Mâr is eigenaar van een aantal werkmaatschappijen dat zich bezig houdt met het (pre-)fabriceren van houtconstructies voor de bouw. De Mâr is fabrikant en bouwer van prefabconstructies, cascoconstructies, dakconstructies met geïntegreerde zonnepanelen, gevelelementen en volledige woningen.

2.2.

In april 2012 is de heer [E] (hierna: [E]) op basis van een jaarcontract in dienst getreden bij De Mâr als beoogd opvolger van de heer [C] in de directie. Ten tijde van de beslissing over eventuele verlenging van het arbeidscontract van [E] per april 2013, bleek dat de heer [C] en de heer [D] van mening verschilden over de wenselijkheid van voortzetting van het dienstverband van [E]. De heer [D] wilde dat [E] zou blijven bij de Mâr, waarop de heer [C] kenbaar heeft gemaakt te willen vertrekken onder verkoop van de aandelen van beheer in De Mâr.

2.3.

In de periode van begin, althans medio, 2013 tot 20 december 2013 hebben partijen, bijgestaan door hun respectievelijke financieel adviseurs - zijnde de heer [F] en later de heer [G] (hierna: [G]) aan de zijde van de heer [C] en de heer [H] (hierna: [H]) aan de zijde van de heer [D] - met elkaar onderhandeld over de verkoop van de aandelen door [A] aan [B]. Deze onderhandelingen hebben geresulteerd in een 16 oktober 2013 gedateerde, door partijen ondertekende overeenkomst. In deze door [H] opgestelde overeenkomst (hierna: de koopovereenkomst) is het navolgende vermeld:

"Op 16 oktober 2013 hebben koper en verkoper in Grou in aanwezigheid van hun adviseur met betrekking tot de voorgenomen verkoop van aandelen in De Mar Groep BV door verkoper aan koper de volgende financiële afspraken definitief vastgelegd, zoals eerder op 27 september 2013 te Hotel Oostergo in Grou inzake de aandelentransactie De Mar Groep BV is overeengekomen:

* [B] BV of een door haar gecontroleerde vennootschap koopt de aandelen in De Mar Groep BV van [A] BV.;

* [C] is op de hoogte en akkoord met het feit dat de heer [E] of een door hem gecontroleerde vennootschap medeaandeelhouder kan worden;

* Koper betaalt de volgende koopsom:

- € 600.000 in een keer, direct bij de notariële overdracht;

- € 400.000 tussen nu en uiterlijk bouwvak 2014, in termijnen of in een bedrag

- € 500.000 in de vorm van een lening, rente 4%, aflossen in 5 jaar, vanaf 1

januari 2014

- € 500.000 (maximum) in de vorm van een earnout, looptijd maximaal zes jaar.

* De management fee voor heer [C] loopt tot 31 december 2013 door;

* De heer [C] is vanaf 1 oktober vrijgesteld van werkzaamheden en zal zijn directietaken in goed overleg overdragen.

* De heer [C] wordt periodiek op de hoogte gehouden van de gang van zaken bij de onderneming, door wekelijkse overleggen tussen de heren [D] en [C], waarbij indien gewenst ook de heren [G] en [H] aanwezig kunnen zijn.

* In het kader van de overdracht zegt de heer [D] toe dat hij per omgaande de noodzakelijke acties zal nemen om op zo kort mogelijke termijn een bedrag van 600.000,-- op een daartoe geblokkeerde bankrekening bij Notaris mr. K.M. Rientjes te Sneek te plaatsen.

Notaris Rientjes zal worden gevraagd aan koper en verkoper een mededeling te doen en waartoe het bedrag van € 600.000,-- beschikbaar is.

Aldus definitief overeengekomen en getekend te [plaats] op 16 oktober 2013."

2.4.

Bij e-mail bericht van 22 oktober 2013 heeft [G] een concept-koopovereenkomst met daaraan gehecht een concept-geldleningsovereenkomst naar [H] gestuurd, met het verzoek op beide concepten te reageren. Bij e-mail bericht van 28 oktober 2013 heeft [H], met een kopie aan de heer [D], een reactie aan [G] verzonden, ter zake voormelde concepten.

2.5.

[A] heeft een ongedateerde tekst inhoudende een uitwerking van de earn-out regeling als productie 29 in het geding gebracht. De titel ervan luidt: "Earn out regeling (definitief) Artikel 3 Koopsom ".

2.6.

Op 20 december 2013 heeft [A] haar aandelen in De Mâr overgedragen aan [B] en heeft [B] het eerste deel van de koopsom ad € 600.000,00 aan [A] betaald. In de ter gelegenheid van de aandelenoverdracht opgestelde en ondertekende akte van levering (hierna: de leveringsakte) - met als bijlage de koopovereenkomst - is, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald:

"(…)

I Inleiding

(…)

- dat verkoper en koper op zestien oktober tweeduizend dertien een koopovereenkomst zijn aangegaan inzake de (ver)koop van alle voormelde door verkoper gehouden aandelen in de vennootschap, voor de inhoud waarvan wordt verwezen naar de aan deze akte te hechten bijlage en welke inhoud - voor zover daarvan bij deze akte niet is afgeweken - geacht wordt woordelijk in deze akte te zijn opgenomen en daarmee een onverbrekelijk geheel te vormen;

- dat partijen bij deze akte het in voormelde koopovereenkomst bepaalde wensen te effectueren,

(…).

B. Koopsom

1. De koopsom voor de aandelen bedraagt twee miljoen euro (€ 2.000.000,00 ), bestaande uit twee componenten, te weten: een vaste component ter grootte van één miljoen vijfhonderdduizend euro

( € 1.500.000,00 ) en een variabele component met een maximum van vijfhonderdduizend euro

(€ 500.000,00 ), één en ander als omschreven in voormelde koopovereenkomst.

2. Koper heeft een bedrag van zeshonderdduizend euro (€ 600.000,00 ) voldaan door bijschrijving op een kwaliteitsrekening ten name van mij, notaris, ter uitbetaling aan verkoper na ondertekening van deze akte.

3. Verkoper verklaart hierbij afstand te doen van haar vordering uit hoofde van de restantkoopsom ad één miljoen vierhonderdduizend euro (€ 1.400.000,00 ) onder voorwaarde van gelijktijdige schuldigerkenning door koper van een bedrag van gelijke grootte. Koper verklaart hierbij vermelde afstanddoening te aanvaarden en schuldig te erkennen aan verkoper wegens geleende gelden een bedrag groot één miljoen vierhonderdduizend euro (€ 1.400.000,00 ).

Terzake de voldoening van de restantkoopsom verklaren partijen als volgt te zijn overeengekomen:

a. Koper voldoet een bedrag van maximaal vijfhonderdduizend euro (€ 500.000,00 ) aan verkoper, overeenkomstig de in meergenoemde koopovereenkomst opgenomen earn-out regeling; partijen genoegzaam bekend zodat zij verklaren bij deze akte geen nadere omschrijving te wensen;

b. Koper blijft het restant van de koopsom ter grootte van negenhonderdduizend euro ( € 900.000,00 ), bij wijze van geldlening schuldig aan verkoper, onder de bepaling en bedingen als nader door hen overeengekomen in meergenoemde koopovereenkomst.

(…)"

2.7.

In de periode van 1 januari 2014 tot 1 juli 2014 heeft [A] per iedere eerste dag van de maand een factuur aan [B] verzonden. In deze maandelijkse facturen, waarin onmiddellijke betaling wordt gevraagd, wordt een rentebedrag van 4 % in rekening gebracht over de bedragen van - per 1 januari 2014 -

€ 500.000,00 en € 400.000,00 en daarnaast wordt een maandelijks af te lossen bedrag van

€ 8.333,33 vermeld.

2.8.

Op 20 februari 2014 heeft [B] een bedrag van € 25.000,00 naar de bankrekening van [A] overgemaakt met als omschrijving: "eerste betaling rente aflossing". Op 20 juni 2014 heeft [B] een bedrag van € 15.000,00 naar de bankrekening van [A] overgemaakt met als omschrijving: "betaling rente aflossing". Ondanks aanmaningen heeft [B] het resterende gedeelte van voormelde facturen onbetaald gelaten.

2.9.

Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 juli 2014 is aan [A] verlof tot conservatoire beslagen verleend op - onder meer - de roerende zaken en bankrekeningen van [B] en de heer [D].

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert na eisvermindering bij akte van 27 augustus 2014 dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [B] veroordeelt tot betaling (ten aanzien van het gedeelte van de geldlening van € 500.000,00) tegen behoorlijk bewijs van kwijting van het bedrag van € 470.526,15, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 18 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een door de rechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met contractuele, dan wel wettelijke (handels)rente en te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten ad € 4.163,70;

II. [B] veroordeelt tot betaling (ten aanzien van het gedeelte van de geldlening van € 400.000,00) tegen behoorlijk bewijs van kwijting van het bedrag van € 208.723,29, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 18 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een door de rechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met contractuele, dan wel wettelijke (handels)rente en te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten ad € 3.775,00;

III. te verklaren voor recht dat de earn-out regeling tussen partijen overeengekomen is, zoals opgenomen in productie 29, althans zoals verwoord in hoofdlijnen in alinea 43 van de dagvaarding, althans een door de rechter in goede justitie te bepalen regeling.

Met veroordeling van [B] in de proceskosten, daaronder begrepen de beslagkosten.

3.2.

[B] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil tussen partijen is dat zij door het plaatsen van hun handtekening hebben ingestemd met de schriftelijk vastgelegde afspraken in de overeenkomst van 16 oktober 2013 en met de leveringsakte van 20 december 2013. Aangaande de door [A] in het geding gebrachte concepten koop- en geldleningsovereenkomst alsmede ten aanzien van de als productie 29 overgelegde uitwerking van de earn-out regeling, overweegt de rechtbank dat onvoldoende onderbouwd is door [A] dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud ervan. Daarbij neemt de rechtbank onder andere in aanmerking hetgeen [B] ten verwere heeft aangevoerd over de rol van de adviseurs van partijen bij de verdere invulling van de afspraken van 16 oktober 2013. In dit verband acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat onvoldoende is gesteld door [A] dat de adviseur van [B] bevoegd was haar te vertegenwoordigen. Onmiddellijke vertegenwoordigingsbevoegdheid ter zake blijkt niet uit de overgelegde correspondentie en ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een volmacht tot vertegenwoordiging. Voorts is de rechtbank met [B] van oordeel dat de adviseurs weliswaar voorbereidende werkzaamheden hebben verricht om tot overeenstemming tussen partijen te komen, maar dat onvoldoende gesteld of gebleken is dat deze werkzaamheden tot wilsovereenstemming tussen [A] en [B] hebben geleid. Zo is gelet op onder meer de overgelegde correspondentie niet gebleken van wilsovereenstemming omtrent belangrijke zaken als (betalings)voorwaarden van de earn-out regeling, aflossingstermijnen en verschuldigde rente. Het had op de weg gelegen van [A] haar stellingen ter zake - gelet op de gemotiveerde betwisting ervan door [B] - nader te onderbouwen. Nu [A] dit heeft nagelaten, bijvoorbeeld door overlegging van door [B] ondertekende documenten ter zake, noch anderszins gebleken is van enige instemming van [B] aangaande een verdere uitwerking van de koopovereenkomst, bijvoorbeeld in de overgelegde correspondentie, zal de rechtbank dan ook slechts hetgeen partijen zijn overeengekomen in de koopovereenkomst en in de leveringsakte als vertrekpunt nemen voor haar verdere beoordeling. Nu [A] onvoldoende aan haar stelplicht heeft voldaan, is nadere bewijslevering (door het horen van getuigen) niet aan de orde.

4.2.

Partijen verschillen van mening over de uitleg van voornoemde koopovereenkomst en leveringsakte. De rechtbank stelt voorop dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet kan worden beantwoord enkel op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Steeds komt het - overeenkomstig artikel 3:33 en 3:35 BW - aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle concrete omstandigheden van het geval van betekenis, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. De taalkundige betekenis van de bewoordingen is in het bijzonder - maar niet uitsluitend - van belang indien het gaat om een zuiver commerciële transactie tussen twee gelijkwaardige professionele partijen die bij het aangaan van de overeenkomst zijn bijgestaan door (juridisch) deskundige adviseurs (vgl. HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576 - Derksen/Homburg; HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 - Meyer Europe/Pont Meyer). In het onderhavige geval gaat het om een commerciële overeenkomst tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld waarbij ze beiden werden bijgestaan door financieel adviseurs. Onder deze omstandigheden is de taalkundige betekenis van de bewoordingen een belangrijke factor bij de uitleg ervan.

De vordering van [A] bestaat uit drie componenten, te weten bedragen van respectievelijk € 500.000,00 en € 400.000,00 en een earn-out regeling. De rechtbank overweegt als volgt.

Component € 500.000,00

4.3.

[A] heeft een bedrag van € 470.526,15 gevorderd. Dit bedrag is het totale bedrag van de hoofdsom onder aftrek van reeds gedane betalingen van [B] (r.o. 2.8.) ad (€ 25.000,00 + € 15.000,00=) € 40.000,00, vermeerderd met 4 % rente. In de leveringsakte is opgenomen dat [B] het bedrag van € 500.000,00 bij wijze van geldlening schuldig blijft aan [A], onder de bepaling en bedingen die partijen nader zijn overeengekomen in de koopovereenkomst. In de koopovereenkomst is ter zake vervolgens het navolgende bepaald: "€ 500.000, - in de vorm van een lening, rente 4 %, aflossen in 5 jaar, vanaf 1 januari 2014".

4.4.

[A] heeft gesteld dat overeengekomen is tussen partijen dat de aflossing van € 500.000,00 in 60 maandelijkse termijnen dient te geschieden en heeft daartoe vanaf januari 2014 bedragen bij [B] in rekening gebracht (r.o. 2.7.) die onbetaald zijn gebleven, zodat het bedrag volgens [A] ex artikel 6:80 BW direct opeisbaar is geworden. [A] verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de verwijzing in de koopovereenkomst naar een gespreksverslag van 27 september 2013 waarin de aflossingsregeling van 60 maandelijkse termijnen wordt vermeld. Daarnaast wijst [A] op de vermelding in de koopovereenkomst van de start van de aflossing vanaf 1 januari 2014. [B] heeft ten verwere onder meer gesteld dat het gespreksverslag van 27 september 2013, evenals de andere door [A] in het geding gebrachte verslagen, slechts eenzijdig door (de adviseur van) [A] opgestelde notities betreft, waarvan de inhoud nimmer door partijen is goedgekeurd. De rechtbank is, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [B], van oordeel dat [A] onvoldoende heeft gesteld dat partijen een maandelijks aflossingsschema zijn overeengekomen. De rechtbank overweegt daartoe dat een dergelijk aflossingsschema een dermate essentieel onderdeel is van de overeenkomst dat, als partijen dit hadden beoogd, het voor de hand gelegen zou hebben deze gedetailleerde afspraak expliciet in de koopovereenkomst dan wel in de leveringsakte op te nemen. Nu dit niet is gebeurd is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een overeengekomen maandelijks aflossingsschema, zodat het bedrag van € 500.000,00, gelet op de tekst van de koopovereenkomst, eerst per 1 januari 2019 opeisbaar wordt. De enkele verwijzing naar het (kennelijk eenzijdig door [A] opgestelde) gespreksverslag van 27 september 2013 maakt dit oordeel niet anders.

4.5.

Ten aanzien van de gevorderde rente van 4 % heeft [A] ter zitting gesteld dat dit een jaarlijkse rente betreft, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat niet (langer) in geschil is dat het in casu gaat om een jaarlijks - en niet maandelijks - berekende en verschuldigde rente. Nu partijen in de koopovereenkomst ongeregeld hebben gelaten het moment waarop deze jaarlijkse rente verschuldigd is, brengt een redelijke uitleg ervan naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de jaarlijkse rente over 2014 per 1 januari 2015 opeisbaar is geworden, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is. Op grond van het voren overwogene zal de vordering van [A] onder I. slechts worden toegewezen voor wat betreft de jaarlijkse rente van 4 % over het openstaande bedrag over 2014, te vermeerderen met de - door [B] onbetwiste - wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag van af 1 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en zal de vordering voor het overige worden afgewezen. Op de gevorderde buitengerechtelijke kosten wordt hieronder nader ingegaan.

Component € 400.000,00

4.6.

[A] heeft een bedrag van € 208.723,29 gevorderd. [B] heeft de verschuldigdheid van € 200.000,00 van voornoemd bedrag per 18 juli 2014 in haar conclusie van antwoord en ter zitting erkend, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen. Aangaande de verschuldigdheid van (de rente over) het bedrag wordt in de akte van levering verwezen naar de koopovereenkomst. In de koopovereenkomst is niets bepaald over (het) rente (percentage) over het bedrag van de component van

€ 400.000,00.

4.7.

[A] heeft gesteld dat [B] een bedrag aan rente is verschuldigd van € 8.723,29 alsmede de contractuele rente van 4 % vanaf 18 juli 2014. [B] heeft betwist rente verschuldigd te zijn vóór 18 juli 2014. De rechtbank overweegt dat onvoldoende gesteld is door [A] dat [B] reeds vóór 18 juli 2014 een bedrag aan rente is verschuldigd, nu deze afspraak noch in de leveringsakte noch in de koopovereenkomst is terug te vinden. Dit klemt te meer nu de renteafspraak betreffende de andere component - het bedrag van € 500.000,00 - wel expliciet in de koopovereenkomst is vermeld, hetgeen wijst op een bewuste keuze van partijen voor het niet vermelden van rente. De enkele stelling van [A] dat gebruikelijk is een rentetarief in rekening te brengen acht de rechtbank bezien in het licht van het hiervoor verhandelde onvoldoende. Aangaande eventueel verschuldigde rente na 18 juli 2014, overweegt de rechtbank als volgt. Nu partijen contractueel niets hebben bepaald over het van toepassing zijnde rentetarief na 18 juli 2014 is naar het oordeel van de rechtbank de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW van toepassing. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de overeengekomen uiterste betaaldatum van 18 juli 2014 is de rechtbank van oordeel dat [B] eerst de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 200.000,00 verschuldigd is vanaf 19 juli 2014. Het gevorderde rentebedrag van € 8.723,29 zal worden afgewezen.

Earn-out regeling

4.8.

In de leveringsakte is ten aanzien van de earn-out regeling het navolgende bepaald: "Koper voldoet een bedrag van maximaal vijfhonderdduizend euro (€ 500.000,00) aan verkoper, overeenkomstig de in meergenoemde koopovereenkomst opgenomen earn-out regeling; partijen genoegzaam bekend zodat zij verklaren bij deze akte geen nadere omschrijving te wensen". In de koopovereenkomst is ten aanzien van de earn-out regeling opgenomen dat het een maximum bedrag van € 500.000,00 betreft met een looptijd van maximaal zes jaar. Nu partijen de betreffende bepaling in de leveringsakte verschillend hebben opgevat, komt het aan op de uitleg daarvan. Daarbij dient de rechtbank acht te slaan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie in dit verband ook r.o. 4.2.).

4.9.

[A] heeft een verklaring voor recht gevorderd omtrent de inhoud van de earn-out regeling en hiertoe onder meer een uitwerking ervan als productie 29 in het geding gebracht, die - naar de rechtbank verstaat - is gebaseerd op de concept-koopovereenkomst van 22 oktober 2013 en de reactie daarop van [H] (r.o. 2.4.). [B] heeft betwist dat de earn-out regeling is zoals [A] heeft gesteld en heeft daartoe aangevoerd dat de regeling slechts op hoofdlijnen is besproken en dat hooguit op basis van de afspraak van 16 oktober 2013 een verplichting voor partijen bestaat om door te onderhandelen over de inhoud ervan. De earn-out regeling is volgens [B] dan ook niet uitvoerbaar en onvoldoende bepaald en kan hooguit als een voorovereenkomst worden gekwalificeerd.

4.10.

De rechtbank overweegt dat partijen twisten over de vraag of sprake is geweest van een aanbod en een aanvaarding ex art. 6:217 lid 1 BW ter zake de earn-out regeling. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld (r.o. 4.1.) is behoudens de koopovereenkomst en de leveringsakte niet (voldoende) gesteld of gebleken dat wilsovereenstemming tussen partijen bestaat ten aanzien van de door [A] in het geding gebrachte documenten, waaronder ook die van de earn-out regeling zoals weergegeven in productie 29. De enkele stelling van [A] dat de gebruikte term in de leveringsakte "genoegzaam bekend" niet anders kan betekenen dan dat partijen hiermee de uitgewerkte earn-out regeling in de concept-koopovereenkomst bedoelen, wordt dan ook door de rechtbank verworpen. Ten aanzien van de subsidiair gevorderde verklaring voor recht inhoudende dat de earn-out regeling is zoals verwoord door [A] in alinea 43 van de dagvaarding overweegt de rechtbank dat zonder nadere toelichting - die ontbreekt - , niet begrijpelijk is hoe deze tekst tot stand is gekomen en of en in hoeverre [B] hierbij betrokken is geweest, laat staan hiermee heeft ingestemd. Van enige wilsovereenstemming tussen partijen ten aanzien van de in de dagvaarding weergegeven tekst is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu deze niet gesteld of gebleken is.

4.11.

Het vorenstaande brengt met zich dat slechts op twee punten wilsovereenstemming bestaat tussen partijen ten aanzien van de earn-out regeling, namelijk datgene dat bepaald is in de koopovereenkomst en in de leveringsakte te weten een maximum bedrag van € 500.000,00 en een maximum looptijd van zes jaar. Nu niet (voldoende) is gesteld of gebleken dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de overige (essentiële) voorwaarden van de regeling - waaronder de wijze van betaling - oordeelt de rechtbank dat de verbintenissen die uit de aldus te sluiten earn-out overeenkomst voortvloeien niet voldoende bepaalbaar zijn in de zin van artikel 6:227 BW . De stelling van [A] dat [B] zich niet zou houden aan de informatieverplichting ten aanzien van de earn-out regeling, zijnde het in de koopovereenkomst overeengekomen wekelijks overleg wordt door de rechtbank gepasseerd, nu [C] hieraan geen rechtsgevolgen verbindt. Immers, niet gevorderd wordt dat [B] informatie verstrekt dan wel door onderhandelt over de earn-out regeling. Gelet op het voren overwogene is de totstandkoming van een overeenkomst met betrekking tot de earn-out regeling niet komen vast te staan. De gevorderde verklaring voor recht ter zake zal dan ook worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.12.

[A] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. [A] heeft die kosten niet gespecificeerd terwijl evenmin is gebleken dat de gestelde verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Dit klemt te meer nu [A] zijn vordering van buitengerechtelijke kosten gerelateerd heeft aan zijn respectievelijke vorderingen. Nu de vordering van € 500.000,00 grotendeels is afgewezen komen de daarop betrekking hebbende gevorderde buitengerechtelijke kosten niet voor toewijzing in aanmerking. De op de vordering van € 400.000,00 betrekking hebbende kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, temeer nu [A], zoals [B] ook heeft gesteld, onmiddellijk rechtsmaatregelen - zijnde conservatoir beslag - ter zake heeft getroffen. De rechtbank zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.

4.13.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de component van

€ 400.000,00 (r.o. 4.5.) heeft [A] terecht verzocht tot het leggen van conservatoir beslag en komen de hiertoe gemaakte beslagkosten voor rekening van [B]. De beslagkosten worden vastgesteld als volgt:

- betekeningskosten: (115,65 + 115,65 + 162,49 + 221,50 + 121,25=) € 736,54

(4 x € 65,64 + 1 x € 82,29 =) € 344,85

- griffierecht: € 1.216,00

- salaris advocaat € 2.000,00

Totaal: € 4.297,39.

4.14.

Evenzo zullen de door [A] gevorderde proceskosten worden toegewezen, met dien verstande dat deze worden vastgesteld op basis van het toegewezen bedrag. De proceskosten worden conform het liquidatietarief aan de zijde van [A] vastgesteld als volgt:

- explootkosten € 77,52

- griffierecht € 2.613,00

- salaris advocaat € 4.000,00 (2 x € 2.000,00)

Totaal € 6.690,52.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

In het incident vordert [A] - samengevat - dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, inhoudende de veroordeling van [B] tot betaling van € 200.000,00 bij wijze van voorschot als ook een verbod op straffe van een dwangsom om na betekening van het vonnis in het incident over te gaan tot vervreemding van activa, en veroordeling van [B] in de kosten van het incident. [B] voert verweer.

5.2.

Gelet op hetgeen hiervoor in de hoofdzaak bij eindvonnis is beslist - waaronder de toewijzing van het in incident gevorderde bedrag van € 200.000,00 - heeft [A] thans geen belang meer bij de gevorderde ordemaatregel en ontbreekt derhalve een rechtvaardiging voor toekenning ervan. De gevraagde voorlopige voorziening zal dan ook worden geweigerd.

5.3.

[A] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, aan de zijde van [B] vastgesteld op € 452,00.

6 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1.

veroordeelt [B] tot betaling van 4 % rente over het openstaande bedrag van de lening van € 500.000,00 over 2014, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt [B] tot betaling van een bedrag van € 200.000,00 (zegge: tweehonderdduizend euro en nul cent) tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 19 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt [B] tot betaling van de beslagkosten ad € 4.297,39;

6.4.

veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] vastgesteld op € € 6.690,52.;

6.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in het incident

6.7.

wijst de vorderingen af;

6.8.

veroordeelt [A] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [B] vastgesteld op € 452,00;

6.9.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2015.

type: 680.

coll:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature