Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Promis; voorwaardelijke ISD-maatregel.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/810083-14 (P), 15/710314-11 (TUL), 15/700364-13 (TUL) en 15/700657-12 (TUL)

Uitspraakdatum: 8 september 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2014 in de zaak tegen:

[verdachte] [verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. van der Putte en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. A. Çimen, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 21 februari 2014 in de gemeente Zandvoort met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel aan het Raadhuisplein heeft weggenomen een (hals)ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de "Hema", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op vrijdag 21 februari 2014 omstreeks 17:45 uur ziet [winkelier] in de Hema aan het Raadhuisplein te Zandvoort dat een vrouw het prijskaartje van een halsketting uit het winkelschap trekt en de halsketting vervolgens om haar nek hangt. [medewerkster] ziet vervolgens, vanuit de kantine van waaruit camerabeelden van de winkel direct kunnen worden bekeken, dat de vrouw de kassa passeert zonder de halsketting af te rekenen. [winkelier] spreekt de vrouw voorbij de kassa aan. De gealarmeerde verbalisanten stellen vast dat de vrouw verdachte betreft, die behoorlijk overstuur is en in een kennelijke staat van dronkenschap verkeert. Verbalisant [verbalisant] bekijkt de camerabeelden uit de winkel en herkent verdachte, die gehurkt bij het sieradenschap een halsketting uit het schap pakt en om haar nek hangt.

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 21 februari 2014 in de gemeente Zandvoort met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel aan het Raadhuisplein heeft weggenomen een halsketting, toebehorende aan de "Hema".

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD-maatregel) voor de duur van twee (2) jaren, met een proeftijd van drie (3) jaren, onder de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het ten aanzien van verdachte opgestelde reclasseringsadvies d.d. 8 augustus 2014.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de aldaar ten aanzien van verdachte opgestelde reclasseringsadviezen is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal, door een halsketting in de winkel Hema weg te nemen. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke en vaak gepleegde feiten die naast schade voor de betrokkenen ook veel overlast in de samenleving veroorzaken.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig en zeer regelmatig in aanraking is geweest met politie en justitie, met name in verband met (winkel)diefstallen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het ten aanzien van verdachte naar aanleiding van de terechtzitting van 6 juni 2014 nader opgestelde reclasseringsadvies van 8 augustus 2014. Uit dit reclasseringsadvies komt onder meer naar voren dat de reclassering het recidiverisico als hoog beoordeelt. Wel woont verdachte momenteel zelfstandig en werkt zij drie dagen per week bij Actief Talent. Er is weliswaar nog altijd sprake van alcoholgebruik, maar het alcoholgebruik lijkt wel verminderd te zijn ten opzichte van de periode voor onderhavige zaak.

Ter terechtzitting heeft reclasseringswerker mevrouw Strik aangegeven dat er de afgelopen vijf maanden geen nieuwe overlastmeldingen zijn binnengekomen. Betrokkene laat zien dat ze zichzelf staande kan houden, maar dat een stevige stok achter de deur noodzakelijk blijft. De reclasseringswerker handhaaft het eerder gedane advies tot oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel met daaraan gekoppeld enkele bijzondere voorwaarden.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting, conform het advies van de reclassering, de rechtbank verzocht om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen. De verdediging heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarnaast nog een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank stelt voorop dat wordt voldaan aan alle voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Zij is in de vijf jaren voorafgaande aan het door haar begane feit tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf, maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. Het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en maatregel. Gelet op de nog altijd aanwezige alcoholverslaving en haar veelvuldige recidive, dat mede wordt veroorzaakt door die alcoholverslaving, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Bij die stand van zaken is het stadium bereikt dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van een ISD-maatregel eist.

Niettemin geldt dat het opleggen van de ISD-maatregel een uiterst middel is, waartoe in beginsel slechts wordt overgegaan als alle eerdere hulpverlening is gestrand. Uit hetgeen door de verdediging en de reclassering naar voren is gebracht blijkt dat verdachte inmiddels beschikt over goed bij haar passende huisvesting en dagbesteding. Uit hetgeen verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht blijkt ook dat zij hier erg gelukkig mee is en vastbesloten is om het te behouden. Ook is gebleken dat verdachte de afgelopen vijf maanden heeft laten zien dat zij niet is teruggevallen in delictgedrag. Wel merkt de rechtbank op dat verdachte het gebruik van alcohol (nog) niet heeft afgezworen en, zoals zij ter zitting heeft verklaard, in kringen verkeert waarin het nuttigen van alcohol gebruikelijk is. Voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank thans niet wil overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, nu dit de positieve ontwikkeling die verdachte de laatste tijd doormaakt zal doorkruisen. Zij is wel van oordeel dat verdachte een stevige druk moet voelen om niet wederom te vervallen in overmatig alcoholgebruik en daaruit voortkomend delictgedrag.

Gelet op de ernst van het feit en het gegeven dat verdachte reeds veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, kan echter niet worden volstaan met oplegging van een voorwaardelijke straf in combinatie met bijzondere voorwaarden zoals door de verdediging is gevraagd. Dat station is gepasseerd. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat thans opgelegd dient te worden een voorwaardelijke ISD-maatregel met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, een en ander zoals in het dictum van dit vonnis is aangegeven.

7 Vorderingen tot tenuitvoerlegging

7.1.

Vordering tot tenuitvoerlegging 15/710314-11

Bij vonnis van 26 april 2012 in de zaak met parketnummer 15/710314-11 heeft de politierechter te Haarlem verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee (2) jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, alsmede onder bijzondere voorwaarden. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 26 februari 2014 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 11 mei 2012, en is bij vonnis van de politierechter van 4 december 2012 verlengd met één jaar. De proeftijd was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank de bij deze voorwaardelijke straf opgelegde proeftijd zal verlengen met één jaar. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank stelt vast dat , uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat zij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. In beginsel bestaat dus alle aanleiding om de voorwaardelijk op gelegde straf ten uitvoer te leggen, zij het dat dit - gegeven de positieve ontwikkelingen die verdachte thans doormaakt - niet opportuun is. Verlenging van de proeftijd behoort, gezien het bepaalde in artikel 14f lid 1 Sv , niet meer tot de mogelijkheden; immers is die proeftijd op 4 december 2012 al een keer door de politierechter te Haarlem verlengd. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de opgelegde gevangenisstraf zal worden omgezet in een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van na te noemen aantal uren.

7.2.

Vordering tot tenuitvoerlegging 15/700364-13

Bij vonnis van 11 september 2013 in de zaak met parketnummer 15/700364-13 heeft de politierechter te Haarlem verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee (2) jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, alsmede onder bijzondere voorwaarden.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 26 februari 2014 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 26 september 2013 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank de bij deze voorwaardelijke straf opgelegde proeftijd zal verlengen met één jaar. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen. Zij neemt daarbij in overweging , hetgeen zij onder 6.2. heeft overwogen, alsmede het feit dat de rechtbank de vordering in de zaak met parketnummer 15/710314-11 reeds heeft toegewezen in die zin dat zij de opgelegde straf heeft omgezet in een taakstraf. Daar komt nog bij dat verdachte in de onderhavige strafzaak 44 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zonder dat die strafzaak eindigt in het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Tenuitvoerlegging is daarom niet langer van toegevoegde waarde is.

7.3.

Vordering tot tenuitvoerlegging 15/700657-12

Bij vonnis van 4 december 2012 in de zaak met parketnummer 15/700657-12 heeft de politierechter te Haarlem verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes (6) weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee (2) jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, alsmede onder bijzondere voorwaarden.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 26 februari 2014 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 19 december 2012 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank de bij deze voorwaardelijke straf opgelegde proeftijd zal verlengen met één jaar. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Om dezelfde reden als genoemd in 7.2 is de rechtbank van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14f, 14g, 38m, 38n, 38p en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaren, met bevel dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van DRIE (3) JAREN aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

meldplicht

stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich na de zitting zal melden bij GGZ Reclassering Palier Haarlem en zich hierna zal blijven melden zolang en zo frequent als GGZ Reclassering Palier Haarlem dat gedurende deze proeftijd nodig acht;

behandelverplichting

stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde het contact met het ACT-team (of een soortgelijke instelling) zal voortzetten, waarbij een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek voor de maximale duur van zeven (7) weken, indien aangewezen, zal worden ondergaan;

andere voorwaarde

stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde het contact met haar bewindvoerder zal voortzetten;

wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/710314-11, met dien verstande dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf, opgelegd bij vonnis van de politierechter d.d. 26 april 2012, wordt opgelegd een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van HONDERDZESTIG (160) UREN, subsidiair TACHTIG (80) DAGEN hechtenis;

wijst af de vorderingen van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers 15/700364-13 en 15/700657-12.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.L. Grosheide, voorzitter,

mr. G.D. de Jong en mr. M. Steen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 8 september 2014.

mr. M. Steen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2014 (proces-verbaal nr. PL1247-2014017718-5).

Een schriftelijk bescheid, te weten het aangifteformulier winkeldiefstal d.d. 21 februari 2014.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2013 (proces-verbaal nr. PL1247-2014017718-5).

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2014 (proces-verbaal nr. PL1247-2014017718-6).

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2014 (proces-verbaal nr. PL1247-2014017718-11).


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature