Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Een bedrijf heeft zich gedurende een periode van ongeveer drie jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan het afvoeren van grote hoeveelheden van een gevaarlijke afvalstof, die alleen door verbranding verwerkt had mogen worden, als een ongevaarlijke afvalstof die geschikt zou zijn voor gebruik in een biovergister. Door de betreffende gevaarlijke afvalstof een verkeerde benaming te geven, is de stof terechtgekomen in een biovergister, verwerkt als meststof en vervolgens uitgereden over de landbouwgrond.

Het bedrijf heeft de betreffende afvalstof onder meer afgegeven aan bedrijven die daartoe niet bevoegd waren. Door het afvoeren van de gevaarlijke afvalstof ontstaan aanzienlijke risico’s voor de volksgezondheid en op forse milieuschade. Het bedrijf heeft zich hierbij meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door op de formulieren een onjuiste naam en code van de afvalstof te vermelden en zodoende te doen alsof het om een niet gevaarlijke afvalstof ging.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte recent niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de periode waarin de feiten zijn gepleegd en dat niet is gebleken dat de verdachte zich na die periode niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

Mede gelet op de financiële situatie van het bedrijf matigt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste geldboete. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke geldboete van 40.000 euro.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling StrafrechtZittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/995005-16 (P)

Vonnis van de meervoudige economische kamer van 26 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] aan de [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2016. Verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door [A] , algemeen directeur van [verdachte] . is ter terechtzitting bijgestaan door mr. A.A. Bos, advocaat te Zwolle.

De behandeling van de zaak is op 12 januari 2017 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat [A] en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :

Feit 1: zich in de periode van 1 januari 2011 tot en met 11 juli 2012 samen met een ander

of anderen dan wel alleen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet

milieubeheer door al dan niet opzettelijk bedrijfsmatig handelingen te verrichten

met afvalstoffen, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu kunnen

ontstaan dan wel zijn ontstaan;

Feit 2: zich in de periode van 1 januari 2011 tot en met 11 juli 2012 samen met een ander of anderen dan wel alleen als degene die zich van bedrijfsafvalstoffen heeft ontdaan schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet milieubeheer door al dan niet opzettelijk op een of meerdere begeleidingsbrie(f)(ven) van bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen onjuiste gegevens te vermelden;

Feit 3: zich in de periode van 17 april 2012 tot en met 11 juli 2012 schuldig heeft gemaakt

aan overtreding van de Warenwet, door zich als exploitant van een

levensmiddelenbedrijf niet te houden aan een aantal van daarvoor geldende algemene hygiënevoorschriften;

Feit 4: zich in de periode van 17 april 2012 tot en met 12 februari 2013 schuldig heeft

gemaakt aan overtreding van de Kaderwet Diervoeders, door als exploitant van een

diervoederbedrijf al dan niet opzettelijk activiteiten uit te voeren zonder de daarvoor

vereiste erkenning;

Feit 5: zich in de periode van 17 april 2012 tot en met 12 februari 2013 schuldig heeft

gemaakt aan overtreding van de Kaderwet Diervoeders door al dan niet

opzettelijk op een etiket van een door haar verwerkt product een onvolledige aanduiding te vermelden;

Feit 6: zich in de periode van 29 december 2011 tot en met 9 maart 2012 samen

met een ander of anderen dan wel alleen meermalen schuldig heeft gemaakt aan

valsheid in geschrift;

Feit 7: zich in de periode van 12 juli 2012 tot en met 31 december 2013 samen met een ander of anderen dan wel alleen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet milieubeheer door al dan niet opzettelijk bedrijfsmatig handelingen te verrichten met afvalstoffen, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan dan wel zijn ontstaan;

Feit 8: zich in de periode van 3 juli 2012 tot en met 31 december 2013 samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet milieubeheer door in strijd met die wet al dan niet opzettelijk bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen af te geven aan een of meerdere rechtsperso(o)n(en);

Feit 9: zich in de periode van 3 juli 2012 tot en met 8 november 2013 samen met een ander of anderen dan wel alleen meermalen schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

3 Voorvragen

Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

Uit het dossier volgt dat verdachte ten aanzien van het feitencomplex dat onder 3, 4 en 5 ten laste is gelegd een strafbeschikking heeft ontvangen met dagtekening 8 juni 2015. Deze strafbeschikking is onherroepelijk. Verdachte heeft de in de strafbeschikking opgelegde geldboete op 30 oktober 2015 voldaan.

De dagvaarding in de huidige strafzaak is op 1 augustus 2016 aan verdachte betekend.

Gelet op het voorgaande, mocht verdachte erop vertrouwen dat hij na een afgeronde procedure niet voor de tweede keer voor dezelfde feiten zou worden vervolgd. Daarom dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten is de officier van justitie ontvankelijk.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de onder 1, 2, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten en heeft daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Algemene inleiding Een van de bedrijfsactiviteiten van de besloten vennootschap [verdachte] , gevestigd te [vestigingsplaats] , is het bewerken van als afvalstoffen aangemerkte oliën en vetten voor gebruik in de voedingsmiddelenindustrie.Daarbij worden door derden bij het bedrijf aangeleverde oliën en vetten door [verdachte] bewerkt om de hierin aanwezige verontreinigingen te verwijderen.Na deze bewerking zijn verontreinigingen zodanig gereduceerd dat de eerder als afvalstof aangemerkte oliën en vetten kunnen worden gebruikt ten behoeve van diervoeding.

In de ten laste gelegde periodes bewerkt [verdachte] de aangeleverde oliën en vetten daartoe door deze stoffen in een mengtank te pompen en hieraan de stof “Norit” toe te voegen. Deze stoffen worden vervolgens gemengd. Norit bestaat hoofdzakelijk uit koolstof en is op te vatten als 100% actieve kool. Vanwege de aard van actieve kool worden hierdoor veel verontreinigingen geabsorbeerd, zoals geur, kwik en andere metalen en verontreinigingen zoals dioxines, furanen, CFK’s en andere koolwaterstoffen.Het mengsel van oliën, vetten en Norit wordt vervolgens via een punttank en een filter rondgepompt en tot slot via een filter naar een opslagtank gepompt. Zoals hiervoor genoemd, zijn de gereinigde oliën en vetten bestemd voor de diervoedingsindustrie.

De gebruikte actieve kool blijft in de filters achter. Van deze stof ontdoet [verdachte] zich als afvalstof onder de naam “bleekaarde”.. .

In deze strafzaak staat de vraag centraal of het afvoeren van deze afvalstof door [verdachte] al dan niet op een strafbare wijze heeft plaatsgevonden. En of daarbij sprake is geweest van valsheid in geschrift.Het Openbaar Ministerie verwijt [verdachte] - zakelijk weergegeven - dat zij zich al dan niet opzettelijk en al dan niet samen met een ander of anderen van de afvalstof heeft ontdaan onder een verkeerde naam. [verdachte] zou de afvalstof verder hebben afgegeven aan bedrijven die dit afval niet mochten ontvangen.

Door zo te handelen, zou vervuilde actieve kool, een gevaarlijke afvalstof, zijn afgevoerd als de ongevaarlijke afvalstof “bleekaarde”, met alle (mogelijke) gevolgen voor het milieu van dien.

4.3.2

Wettelijk kader

Voor het afvoeren van afval gelden een aantal regels , onder meer genoemd in de Wet milieubeheer. Voor de regelgeving omtrent het afvoeren van afvalstoffen is van belang om welk type afvalstof het gaat. Gelet op de tenlastelegging zijn de bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in deze zaak relevant. In artikel 1.1. van de Wet milieubeheer wordt onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Onder bedrijfsafvalstoffen wordt verstaan: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen. Onder huishoudelijke afvalstoffen wordt verstaan afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen.Onder gevaarlijke afvalstoffen worden stoffen verstaan die als zodanig staan vermeld in de Europese Afvalstoffenlijst (“Eural,” Beschikking 2000/532/EG).

In deze lijst worden door de Europese commissies afvalstoffen vermeld. In de Eural wordt via een stappenplan aan afvalstoffen een code toegekend. Hiermee kan bepaald worden of een afvalstof gevaarlijk is of niet. Alle afvalstoffen vallen onder een van de codes van de Europese afvalstoffenlijst Indien er sprake is van een gevaarlijke afvalstof, wordt dit weergegeven met een asterisk (*) achter de code.

In artikel 10.37 van de Wet milieubeheer is bepaald dat het verboden is om zich te ontdoen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke stoffen door afgifte aan een ander, tenzij deze afvalstoffen worden afgegeven aan een op basis van de Wet milieubeheer bevoegd persoon, waaronder personen die staan vermeld in de zogenaamde VIHB-lijst (Vervoerder van afval, Inzamelaar van afval, Handelaar in afval en Bemiddelaar in afval) van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO).

Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een daartoe volgens de Wet milieubeheer bevoegd persoon, dient de ontvanger van de afvalstoffen op basis van artikel 10.39 van deze wet een omschrijving van de aard, eigenschappen en samenstelling van de afvalstoffen te geven. Bij het vervoer van dergelijke afvalstoffen dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 10.44 Wet milieubeheer een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer aanwezig te zijn. Deze begeleidingsbrief dient een aantal gegevens te bevatten. In onder meer artikel 10.38 Wet milieubeheer staan deze nader omschreven. Daarbij gaat het onder meer om de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen en de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen.

De gebruikelijke benaming van de afvalstoffen bestaat uit een naam en een zogenaamde Eural-code, afkomstig uit de hiervoor genoemde Europese Afvalstoffenlijst. Gelet op de artikelen 10.38 en 10.39 Wet milieubeheer in onderling verband en samenhang bezien, is degene die zich van de afvalstoffen ontdoet degene die verantwoordelijk is voor de (juiste/volledige) invulling van de begeleidingsbrief.

De juiste benaming van de afvalstoffen en de juiste voorgenomen wijze van beheer zijn van belang voor de wijze van verwerking van de afvalstof.

4.3.3.

Afvoeren de afvalstof door [verdachte]

heeft de bij het onder paragraaf 4.3.1. genoemde werkproces ontstane afvalstof in de ten laste gelegde periode laten afvoeren door [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . [A] heeft verklaard dat de afvalstof op de daarbij behorende begeleidingsbrieven telkens de naam “bleekaarde” heeft gekregen.

4.3.3.1 Afvoeren van de afvalstof in de periode van

1 januari 2011 tot en met 11 juli 2012

Uit de verklaring van [A] volgt dat [verdachte] de betreffende afvalstof vanaf oktober 2010 meermalen heeft laten afvoeren door [bedrijf 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] . [bedrijf 1] is een bij het NIWO op de VIHB-lijst geregistreerd bedrijf en is op grond van artikel 10.37 lid 2 Wet milieubeheer sub g jo. 10.55 Wet milieubeheer jo. 10.45 Wet milieubeheer bevoegd afvalstoffen te vervoeren en te verhandelen. Tussen [verdachte] en [bedrijf 1] is afgesproken dat door een medewerker van [bedrijf 1] een begeleidingsbrief wordt uitgeprint, die de chauffeur van [bedrijf 1] meeneemt bij het afhalen van het afval van [verdachte] . De inhoud van de begeleidingsbrief, voor zover dit gaat om de omschrijving van de afvalstof en de daarbij behorende code, is door [verdachte] bepaald en aan [bedrijf 1] doorgegeven.

In de administratie van [bedrijf 1] is een begeleidingsbrief van 29 december 2011, met nummer AB16952341 aangetroffen. In de begeleidingsbrief staat [verdachte] als ontdoener genoemd en [bedrijf 1] als ontvanger.

In rubriek 6 van de begeleidingsbrief wordt de afvalstof omschreven als bleekaarde, voorzien van Euralcode 020304. De brief is ondertekend namens [verdachte] .

In de administratie van [bedrijf 1] is een begeleidingsbrief van 18 januari aangetroffen, met nummer AB16949116, van 10260 kilogram “bleekaarde” met daarop vermeld als ontdoener [verdachte] . Het gaat daarbij om een begeleidingsbrief van 18 januari 2012, omdat in de administratie van [bedrijf 1] een kopiefactuur is aangetroffen van 19 januari 2012, voor het afvoeren van exact hetzelfde aantal kilogram bleekaarde op 18 januari 2012. Op de betreffende begeleidingsbrief, die door [verdachte] als ontdoener is ondertekend, staat onder rubriek 6 Euralcode 020304 genoemd.In de administratie van zowel [verdachte] als [bedrijf 1] is een begeleidingsbrief aangetroffen van 14 februari 2012, met nummer AB16950048. Als ontdoener staat [verdachte] genoemd en namens [verdachte] is de begeleidingsbrief ondertekend. In rubriek 6 van de brief staat de afvalstof omschreven als “bleekaarde”, voorzien van Euralcode 020304.

In de administratie van zowel [verdachte] is tot slot een begeleidingsbrief aangetroffen van 9 maart 2012, met nummer AB16950504, waarbij [verdachte] als ontdoener staat genoemd en [bedrijf 1] als locatie van bestemming. De brief is ondertekend door [verdachte] als ontdoener. In rubriek zes van de begeleidingsbrief staat genoemd dat het gaat om de afvalstof bleekaarde. Deze afvalstof is voorzien van Euralcode 020399.

Uit de administratie van [bedrijf 1] volgt dat dit bedrijf zich na ontvangst van de afvalstoffen van [verdachte] telkens diezelfde datum van de afvalstoffen ontdoet door afgifte aan het bedrijf [bedrijf 4] te [vestigingsplaats] .Door [bedrijf 1] worden daartoe nieuwe begeleidingsbrieven opgesteld, waarop [bedrijf 1] als ontdoener wordt vermeld. [bedrijf 1] doet dit om te voorkomen dat de klant zonder hun tussenkomst als bemiddelaar naar de ontdoener gaat. Op de door [bedrijf 1] opgestelde begeleidingsbrieven is in rubriek 6 telkens opgenomen dat het gaat om de afvalstof “bleekaarde.”

Bij [bedrijf 4] wordt de afvalstof gemengd met verschillende andere afvalstoffen

en vervolgens afgevoerd als “restvet categorie 3” naar [bedrijf 5] .

[bedrijf 5] is een co-vergister c.q. een afvalvergister. Het door [bedrijf 5] ontvangen afval wordt in een vergistingssilo gebracht om daarmee vervolgens energie op te wekken. Na de daarvoor gebruikte procedure blijft van het afval een vloeibaar mengsel, een digestaat, over. Dit digestaat wordt als meststof voor akkerbouwers geëxporteerd naar Duitsland. Als er niet ( de rechtbank begrijpt: over het land) uitgereden mag worden, wordt het digestaat opgeslagen.

4.3.3.2 Afvoeren van de afvalstof door [verdachte] in de periode van 3 juli 2012 tot en met 31 december 2013

In de periode van 17 september 2012 tot en met 22 april 2013 is de afvalstof in opdracht van [verdachte] afgevoerd door bemiddelaar [bedrijf 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] . Door [bedrijf 2] is de afvalstof vervolgens geleverd aan [bedrijf 3] gevestigd te [vestigingsplaats] . [bedrijf 2] en [bedrijf 3] staan niet vermeld op de zogenoemde VIHB-lijst als erkende verzamelaar, inzamelaar, handelaar en/of bemiddelaar van bedrijfsafval en/of gevaarlijk afval.

In de administratie van [verdachte] is een aantal begeleidingsbrieven en een CMR-vervoersdocument aangetroffen van afvaltransporten, waarbij telkens als ontdoener [bedrijf 2] te [vestigingsplaats] is ingevuld en als locatie van herkomst [verdachte] . Als locatie van bestemming staat telkens [bedrijf 3] te [vestigingsplaats] vermeld. Telkens is de afvalstof “ontoliede bleekaarde” genoemd en voorzien van Euralcode 020399.

Het gaat om de begeleidingsbrieven van 17 september 2012, met nummer AB050246728, 27 september 2012 met nummer AB05246729, 4 december 2012 met nummer AB05246721, een begeleidingsbrief met onleesbare datum met nummer

AB05246727, een begeleidingsbrief van 22 april 2013 met nummer AB05246720,

een begeleidingsbrief van 16 mei 2013 met nummer AB17249145,

een begeleidingsbrief van 9 augustus 2013 met nummer AB17249147, een begeleidingsbrief van 20 september 2013 met nummer AB40237603, een begeleidingsbrief van 8 oktober 2013 met nummer AB40237605 een begeleidingsbrief van 8 november 2013 met nummer AB40237606 en een CMR vervoersdocument van 17 september 2012 met nummer 120474.

Daarnaast is er een aantal CMR-vervoersdocumenten aangetroffen betreffende leveringen van [verdachte] van de afvalstof “plantaardige bleekaarde” aan [bedrijf 2] te [vestigingsplaats] . De CMR-vervoersdocumenten van 3 juli 2012 met nummer 120368, van 31 juli 2012 met nummer 120410, van 10 augustus 2012 met nummer 120422, een CMR vervoersdocument van 27 september 2012 met nummer 120505,

een CMR vervoersdocument van 16 oktober 2012 met nummer 120535, 1 november 2012 met nummer 120550, 21 november 2012 met nummer 120588, 4 december 2012 met nummer 120609 zijn door [verdachte] en een vervoerder ondertekend.

De CMR-vervoersdocumenten van 22 augustus 2012 met nummer 120432 en

20 december 2012 met nummer 120629, zijn niet ondertekend door [verdachte] , maar wel door de transporteur. De bij voornoemde begeleidingsbrieven en CMR-vrachtbrieven behorende afvalstoffen zijn na tussenkomst van [bedrijf 2] afgevoerd naar [bedrijf 3] .

In de periode van 22 april 2013 tot en met 8 november 2013 is de afvalstof zonder tussenkomst van [bedrijf 2] door [bedrijf 3] afgevoerd, in opdracht van [verdachte] . Het gaat daarbij om in totaal zeven leveringen, waaronder de levering behorende bij de begeleidingsbrief van 22 april 2013 met nummer AB05246720. Op vijf van deze leveringen is de afvalstof “ontoliede bleekaarde” genoemd, op één begeleidingsbrief, te weten de brief van 10 juni 2013, is de afvalstof “Norit” vermeld.

[bedrijf 3] is een bedrijf dat actief is op het gebied van het produceren van duurzame energie en het drogen van biogasmassa en organische reststromen.Bij het door [bedrijf 3] gehanteerde vergistingsproces in een biovergistingsinstallatie ontstaan biogas en digestaat. Het digestaat wordt gescheiden. Een deel wordt gedroogd en verwerkt tot droge mestkorrels, bestemd voor de export en een ander deel, de dunne fractie van het digestaat, wordt onder meer op de landbouwgrond van [bedrijf 3] uitgereden.

4.3.4.

Onderzoek afvalstof

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft onderzoek gedaan naar de samenstelling van de afvalstof die door [verdachte] is aangeduid met “bleekaarde.”

Op 11 juli 2012 heeft het NFI onder meer monsters genomen van de gebruikte “Norit” die onder een van de filterpersen is aangetroffen. De bemonsterde stof is zwart van kleur.Bij de bemonstering is er van uitgegaan dat de partij gedurende langere tijd is gevormd uit telkens nieuwe aanvoer van uitgeperste actieve kool. Daarom zijn meerdere grepen verspreid over en door de hele partij genomen. De grepen zijn verzameld en tot één mengmonster samengevoegd, met SIN-nummer SIN AACM5571NL (monster 15A). Uit onderzoek van het NFI volgt dat de stof met SIN-nummer AACM5571NL hoofdzakelijk bestaat uit koolstof en stikstof en voor een heel klein deel uit glasschuim, zand en vliegas. Deze bestanddelen zijn geen bestanddelen van bleekaarde.

Bleekaarde bevat geen koolstof. Bleekaarde is geel tot donkerbruin van kleur.Actief kool blijft actief kool, ook nadat dat een zuiveringsproces ten behoeve van oliën en vetten heeft doorlopen.Gelet op het voorgaande, is er geen sprake van “bleekaarde” maar van de afvalstof “actief kool”.

Uit onderzoek volgt verder dat in het materiaal van monster AACM5571NL zowel PAK’s, PCB’s als dioxinen voorkomen.

Een aantal maanden later heeft het NFI opnieuw monsters genomen van de afvalstof.

Op 25 april 2013 zijn er monsters genomen in een bulkcontainer bij [verdachte] . De container bevatte afval van het bedrijfsproces waarbij olie door actief kool wordt geleid. Dit proces is daar op dat moment daadwerkelijk gaande. In de container liggen drie bergen met de betreffende afvalstof. De inhoud van de container is aangemerkt als bestaande uit drie partijen. Iedere partij is apart bemonsterd als respectievelijk AAFV2114NL, AAFV2113NL en AAFV2112NL. De monsters bestaan uit zwart materiaal. Uit door het NFI aan het energieonderzoekscentrum Nederland (ECN) uitbesteed onderzoek volgt dat de onderzochte monsters AAFV2114NL, AAFV2113NL en AAFV2112NL respectievelijk 75%, 73% en 74% koolstof bevatten. Het monster kan niet hoofdzakelijk bestaan uit bleekaarde omdat deze zwelklei vooral bestaat uit kleimineralen en daardoor een lager koolstofgehalte heeft. Bleekaarde heeft verder een veel hogere dichtheid dan actief kool. Bleekaarde is geel tot donkerbruin van kleur. Actief kool blijft actief kool, ook nadat dat een zuiveringsproces ten behoeve van oliën en vetten heeft doorlopen.Gelet op het voorgaande, is er geen sprake van “bleekaarde” maar van de afvalstof “actief kool”.

Uit door het NFI uitbesteed onderzoek door het RIKILT blijkt dat de drie monsters de microverontreinigingen dioxinen (PCDD’s en PCDF’s), PAK’s en PCB’s bevatten.

Uit het in het Landelijk afvalbeheerplan genoemde Nederlandse beleid inzake het verwerken van gebruikt actieve kool volgt dat het niet wenselijk wordt geacht gebruikt actief kool in een (co-)vergistingsproces te verwerken. De actieve kool zelf wordt niet afgebroken en is, eenmaal in de grond gebracht, daaruit niet terug te winnen.

De aangetroffen microverontreinigingen (dioxinen, furanen, CFKs en andere koolwaterstoffen of zwavelverbindingen) worden niet of niet geheel afgebroken en door het toepassen van dit digestaat op landbouwpercelen worden deze verontreinigende stoffen verspreid in het milieu. Met name het toevoegen van dioxinen aan de bodem is zeer ongewenst, omdat reeds kleine concentraties aan dioxinen kunnen leiden tot een te grote belasting van de voedselketen. Deze normen zijn bijzonder laag. De meest toxische dioxine betreft 2,3,7,8-tetrachloordibenzo-p-dioxine (2,3,7,8-TCDD).Uit onderzoek door het RIKILT bevatten de bij [verdachte] genomen monsters AAFV2114NL (deelmonster AABL2964NL RIKILT), AAFV2113NL (deelmonster AABL2746NL RIKILT) en AAFV2112NL (deelmonster AAB04574NL RIKILT) alle een hoeveelheid van respectievelijk 3.6 ng/kg product, 4.3ng/kg product 4.2 ng/kg product van deze meest toxische dioxine 2,3,7,8-tetrachoordibenzo-p-dioxine.

Een van de toxicologische effecten van dioxinen, PAK’s en PCB’s is kanker.

De door [verdachte] afgevoerde actieve kool betreft volgens de EURAL een afvalstof met code 07 01 10*. Gelet op de asterisk gaat het om een gevaarlijke stof.

Voor het verwerken van actief kool geldt dat verbranden de minimumstandaard is.

Vanaf begin december 2013 wordt door [verdachte] een andere filtermethode toegepast. De actieve kool zit nu opgesloten in een filterunit. Als de filterunit verzadigd is, wordt het filter afgevoerd door een derde en vervolgens voor verbranding aangeboden.

4.3.5

Bewijsoverwegingen

4.3.5.1 Overwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 7:

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, is het onder 1 en 7 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Door de verdediging is aangevoerd dat het reinigen van de oliën en vetten uit voorzorg plaatsvindt; niet alle partijen oliën en vetten zouden verontreinigd zijn met de in de tenlastelegging genoemde PCB’s, PAK’s en dioxinen. De door het NFI genomen monsters zijn niet representatief voor het grote aantal aan- leveringen dat in de periode voor danwel na het nemen van de monsters plaats heeft gevonden. Bovendien zou een van de monsters zijn genomen uit een lekbak onder de filters en niet van de af te voeren afvalstof die is opgeslagen in een afvalbak. Gelet op het voorgaande zou niet vaststaan dat de afgevoerde actieve kool schadelijke gevolgen voor het milieu zou hebben veroorzaakt, aldus – steeds – de verdediging. Voornoemde verweren worden verworpen. Vaststaat dat [verdachte] in het kader van bedrijfsactiviteiten bij het filteren van oliën en vetten actieve kool gebruikt. Van actieve kool is bekend dat het niet wordt afgebroken en dat het, eenmaal in de grond gebracht, daaruit niet is terug te winnen. Hieruit volgt dat de afgevoerde en tot slot als meststof over het land gebrachte afvalstof wel degelijk schade aan het milieu heeft veroorzaakt dan wel op zijn minst kon veroorzaken..

Het is, gelet op de resultaten die volgen uit het onderzoek naar de monsters die het NFI op twee verschillende momenten heeft genomen en gelet op de eigenschappen van actieve kool in combinatie met het door [verdachte] uitgevoerde bedrijfsproces, niet aannemelijk dat de afgevoerde partijen actieve kool géén microverontreinigingen zoals PCB’s, PAK’s en dioxinen hebben bevat. Dat een van de monsternames uit een lekbak onder de filters en niet uit een afvalbak met uit de filter afkomstige gebruikte actieve kool heeft plaatsgevonden, maakt deze conclusie niet anders.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van opzettelijke overtreding van de Wet milieubeheer. In het economische strafrecht dient het begrip “opzet” in beginsel te worden uitgelegd als “kleurloos opzet.” Dit betekent dat het opzet van de verdachte rechtspersoon slechts hoeft te zijn gericht op de gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan (vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1873, NJ 2012/31, rov. 4.2, HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684, NJ 2009/210, rov. 4.2 en HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783, NJ 2007/544, rov. 3.3).

De rechtbank is van oordeel dat van verdachte mag worden verwacht dat zijde terzake geldende regelgeving kent en borgt dat in haar bedrijf volgens de voorschriften wordt gehandeld. Door onvoldoende toezicht te houden op de naleving van de regelgeving binnen haar bedrijf heeft [verdachte] kennelijk bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die regelgeving niet goed door (medewerkers van) haar bedrijf wordt nageleefd. Daarom is aan haar zijde sprake geweest van – ten minste – voorwaardelijk opzet op de onder 1 en 7 ten laste gelegde handelingen.

Mede gelet op de criteria als genoemd in HR 23-02-1954, NJ 1954, 378 (IJzerdraadarrest) en HR 21-10-2003, NJ 2006, 328 (Drijfmestarrest) kunnen de gedragingen van de medewerkers van [verdachte] , en daarmee de onder 1 en 7 tenlastegelegde gedragingen, aan [verdachte] in redelijkheid worden toegerekend. Uit het dossier volgt dat medewerkers die in dienst zijn bij [verdachte] betrokken zijn geweest bij de gepleegde feiten. Deze gedragingen passen in de normale bedrijfsvoering van [verdachte] en [verdachte] heeft hierdoor kosten bespaard. Daarmee zijn de gedragingen [verdachte] dienstig geweest. [verdachte] heeft over de gedragingen kunnen beschikken en heeft deze aanvaard.

4.3.5.2 Overwegingen ten aanzien van feit 1:

Met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank verder als volgt.

Ten aanzien van feit 1 kan niet worden vastgesteld dat de betrokken medewerkers van [verdachte] wisten dat door het afvoeren van de afvalstof onder de naam “bleekaarde” nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan dan wel konden ontstaan. Wel is de rechtbank van oordeel dat zij dit redelijkerwijs hadden kunnen weten.

Uit de verklaring van [A] volgt immers dat [verdachte] vetzuren, verontreinigd met dioxines, PAK’s en PCB’s reinigt door middel van het toevoegen van Norit en dat deze vetzuren pas ná dit reinigingsproces bruikbaar zijn in de diervoedingsmiddelenindustrie.

Uit de verklaring van [A] volgt verder dat hij weet dat Norit actieve kool betreft. Hij geeft verder aan dat de afvalstof die bij het bedrijfsproces ontstaat, de gebruikte Norit, “verzadigd is met PAK’s, dioxine en PCB’s.” Uit zijn verklaring volgt dat hij op de hoogte is van het feit dat PAK’s schadelijke, kankerverwekkende stoffen zijn en dat dioxines ook gevaarlijke stoffen zijn.

[verdachte] gebruikt de afvalstof bleekaarde niet en deze stof is ook niet aanwezig op het bedrijf. [A] heeft verklaard dat hij niet weet wat bleekaarde is. Wel weet [A] dat er tussen bleekaarde en actief kool verschillen bestaan.

[B] , medewerker bij [verdachte] , heeft verklaard dat de afvalstof, actieve kool, een naam moet hebben en daarom als bleekaarde werd afgevoerd, ondanks dat [verdachte] geen bleekaarde ontvangt. Ook medewerker [C] heeft verklaard dat bij het bedrijf [verdachte] geen bleekaarde wordt ingekocht. Het gaat om Norit.

Dat een derde de term “bleekaarde” zou hebben bedacht, doet aan het voorgaande niet af. Gelet op bovenstaande had van [verdachte] en de medewerkers verwacht mogen worden dat zij niet zonder meer de stof Norit van een andere naam zouden voorzien zonder te weten of dit de juiste benaming was van de afvalstof die [verdachte] afvoerde.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] het onder 1 tenlastegelegde tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] heeft begaan. [bedrijf 1] is een erkend verzamelaar, inzamelaar, handelaar en/of bemiddelaar van afvalstoffen en dient op basis daarvan te beschikken over de nodige kennis over (het verwerken van) afval. Een medewerker van [bedrijf 1] heeft het werkproces waarbij de door [verdachte] af te voeren afvalstof ontstond gezien. Daarbij is aan deze medewerker medegedeeld dat [verdachte] zich bezighoudt met het reinigen van vervuilde oliën en vetten met actieve kool. [bedrijf 1] heeft monsters ontvangen van de afvalstof. Uit het onderzoek is niet gebleken dat [bedrijf 1] deze monsters heeft laten onderzoeken. De afvalstof van [verdachte] is desondanks door [bedrijf 1] afgevoerd onder de naam “bleekaarde.”

4.3.5.3 Overwegingen ten aanzien van feit 7:

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat [A] , werkzaam bij [verdachte] , in de onder 7 ten laste gelegde periode wist dat het afvoeren van de afvalstof actieve kool als bleekaarde nadelige gevolgen voor het milieu kon veroorzaken dan wel veroorzaakte. In die periode heeft [verdachte] zich ontdaan van het afval aan respectievelijk de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Het gaat om niet-erkende handelaren, deze bedrijven staan immers niet vermeld op de VIHB-lijst als verzamelaar, inzamelaar, handelaar en/of bemiddelaar van afvalstoffen.

Uit het dossier volgt dat [A] en [D] , werkzaam bij [bedrijf 2] , meermalen contact hebben gehad over het afvoeren van de betreffende afvalstof. Op 12 februari 2013 neemt [D] , werkzaam bij [bedrijf 2] , telefonisch contact op met verbalisant. [D] bevestigt dat de “bleekaarde” die in december 2012 als coproduct in een co-vergistingsinstallatie is gebruikt actieve koolstof bevatte. Hij verklaart dat in veel partijen “bleekaarde”, die aan de (co)vergisters in Nederland worden geleverd, afgewerkte actieve koolstof zit. Het is heel gebruikelijk. De bleekaarde en de afgewerkte kool worden toegevoegd om het drogestofgehalte van vloeibare coproducten te verhogen. Veel co-vergisters controleren bij ontvangst van een coproduct het drogestofgehalte, omdat de prijs vaak daarop is gebaseerd. De co- vergisters weten niet dat er ontoliede bleekaarde en afgewerkte actieve koolstof in vloeibare coproducten worden weggemengd. [D] verklaart daarover “we moeten de boeren niet slimmer maken dan ze zijn.”Daarnaast blijkt uit het dossier dat [A] in april 2012/mei 2012 emailcontact heeft gehad met [E] van [bedrijf 6] . [E] bericht [A] als volgt:

“Hoi [A] , we zijn er nog niet uit wat voor [verdachte] de juiste Euralcode is. Het heet bij een collega bedrijf van je: actief kool en jij noemt het bleekaarde. Dit is een groot verschil. Bleekaarde mag naar een vergister en actief kool niet.”

Tot slot is in het dossier een begeleidingsbrief opgenomen van 10 juni 2013, betreffende het afvoeren van de afvalstof “Norit” aan [bedrijf 3] . [F] , werkzaam bij [bedrijf 3] , heeft verklaard dat er overleg heeft plaatsgevonden over de naam van de stof die op de begeleidingsbrief moest worden opgenomen. Daarbij is éénmaal Norit opgeschreven door [verdachte] . Daarna is dat weer teruggeschreven naar ontoliede bleekaarde. Dit heeft [verdachte] gedaan. Uit zijn verklaring volgt dat er over de omschrijving van de stof die aan [bedrijf 3] geleverd is, overleg is geweest tussen [F] , [D] en iemand van [verdachte] . Dat moest een omschrijving zijn die staat op de Aa lijst. De rechtbank stelt vast dat het hierbij gaat om bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. In deze bijlage staan de stoffen genoemd die als meststoffen mogen worden verhandeld en gebruikt. Daarbij gaat het alleen om afval- of reststoffen waartegen geen milieukundige en landbouwkundige bezwaren zijn. In bijlage Aa, onderdeel IV, staan de afvalstoffen genoemd die bestemd zijn als covergistingsmateriaal.

Afgewerkte koolstof is niet opgenomen in onderdeel IV van Bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en mag daarom niet als coproduct tezamen met dierlijke uitwerpselen worden vergist, indien het digestaat als meststof wordt bestemd.

Gelet op het voorgaande is bewust gezocht naar een naamgeving van de afvalstof zodat deze wel bestemd kon zijn als covergistingsmateriaal.

De rechtbank acht het medeplegen van het onder 7 ten laste gelegde feit bewezen. Uit het voorgaande volgt dat er meermalen overleg is geweest tussen medewerkers van [verdachte] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] over de naamgeving van de af te voeren afvalstof. Daarnaast blijkt dat medewerkers van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] een bezoek hebben gebracht aan het bedrijf [verdachte] . Hen is daar uitleg gegeven over het werkproces waarbij de betreffende afvalstof ontstaat: het reinigen van vervuilde oliën en vetten met actieve kool. Door de [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn monsters genomen van de afvalstof. Niet is gebleken dat deze bedrijven de betreffende monsters hebben laten onderzoeken. Desondanks is de afvalstof van [verdachte] meermalen afgevoerd door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] als “bleekaarde.”

4.3.5.4 Overwegingen ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen ten aanzien van feit 1, onder paragraaf 4.3.5.1, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van het opzettelijk noteren van een onjuiste omschrijving op de begeleidingsbrieven aan Beneluxvet.

Bewezen is dat medewerkers van [verdachte] dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met medewerkers van [bedrijf 1] heeft begaan. Over de (inhoud van de) begeleidingsbrieven is overleg geweest tussen medewerkers [verdachte] en [bedrijf 1] . Zij hebben afgesproken dat [bedrijf 1] de begeleidingsbrief uitprint en aan de chauffeur meegeeft. De chauffeur haalt het afval dan op bij [verdachte] en neem de begeleidingsbrief vervolgens weer mee naar [bedrijf 1] . Op de begeleidingsbrief is door [bedrijf 1] de naam “bleekaarde” geplaatst.Door [bedrijf 1] zijn vervolgens telkens nieuwe begeleidingsbrieven opgesteld, betreffende de afgifte van de afvalstoffen aan [bedrijf 4] . Ook op deze begeleidingsbrieven staat vermeld dat het gaat om de stof “bleekaarde’.

Op dezelfde gronden als hiervoor uiteengezet in paragraaf 4.3.5.1 kunnen de gedragingen van de medewerkers van [verdachte] in redelijkheid aan de rechtspersoon [verdachte] worden toegerekend.

4.3.5.5 Overwegingen ten aanzien van feit 6: De rechtbank acht het onder feit 6 tenlastegelegde valselijk opmaken en vervolgens opzettelijk gebruik maken van de in de tenlastelegging opgenomen begeleidingsbrieven van 29 december 2011, 18 januari 2012, 14 februari 2012 en 9 maart 2012 wettig en overtuigend bewezen. Gelet op datgene wat hiervoor onder paragraaf 4.3.5.3 ten aanzien van het medeplegen van feit 2 is overwogen, is bewezen dat medewerkers van [verdachte] dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met medewerkers van [bedrijf 1] hebben begaan.

Op dezelfde gronden als hiervoor uiteengezet in paragraaf 4.3.5.1 kunnen de gedragingen van de medewerkers van [verdachte] in redelijkheid aan de rechtspersoon [verdachte] worden toegerekend.

In de onder feit 6 genoemde begeleidingsbrief van 9 februari 2012 met nummer AB16949173, staat in rubriek 6 vermeld dat het gaat om de afvalstof “mengsel met uitsluitend spijsolie”. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] zich bij het bij dit begeleidingsdocument behorende bedrijfsafvaltransport heeft ontdaan van een andere afvalstof dan op genoemd document is vermeld. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van valsheid in geschrift ten aanzien van deze begeleidingsbrief.

4.3.5.6 Overwegingen ten aanzien van feit 8:

Uit de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat [verdachte] zich meermalen heeft ontdaan van gevaarlijke afvalstoffen aan [bedrijf 3] en [bedrijf 2] . Deze bedrijven staan niet vermeld op de VIHB-lijst als verzamelaar, inzamelaar, handelaar en/of bemiddelaar van afvalstoffen. De rechtbank acht bewezen dat verdachtes opzet gericht was op het zich ontdoen van de afvalstof door afgifte aan een ander. De medewerkers van [verdachte] hadden na moeten gaan of deze bedrijven bevoegd waren gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen dan wel nuttig toe te passen of te verwijderen.

Niet alleen van de medewerkers van [verdachte] , maar ook van de medewerkers van [bedrijf 3] en [bedrijf 2] , bedrijven die zich onder meer bezighouden met afvalverwerking en de handel in afval, kon dat verwacht worden. Van werknemers van dergelijke bedrijven wordt immers verwacht dat deze zich voorafgaande aan hun handelen vergewissen van de van toepassing zijnde rechtsregels. Zij dienen zich ook te realiseren dat de (Europese) milieuregelgeving op dit gebied over het algemeen streng is, teneinde de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden.

Gelet op het voorgaande is het medeplegen van het ten laste gelegde feit met [bedrijf 3] en [bedrijf 2] wettig en overtuigend bewezen.

Op dezelfde gronden als hiervoor uiteengezet in paragraaf 4.3.5.1 kunnen de gedragingen van de medewerkers van [verdachte] in redelijkheid aan de rechtspersoon [verdachte] worden toegerekend.

4.3.5.7 Overwegingen ten aanzien van feit 9: De rechtbank acht het onder feit 9 tenlastegelegde valselijk opmaken en vervolgens opzettelijk gebruik maken van de in de tenlastelegging opgenomen begeleidingsbrieven en CMR-vervoersbewijzen wettig en overtuigend bewezen. Gelet op dat wat hiervoor in paragraaf 4.3.5.3 ten aanzien van het medeplegen is overwogen, is bewezen dat medewerkers van [verdachte] dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met medewerkers van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hebben begaan.

Op dezelfde gronden als hiervoor uiteengezet in paragraaf 4.3.5.1 kunnen de gedragingen van de medewerkers van [verdachte] in redelijkheid aan de rechtspersoon [verdachte] worden toegerekend.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011

tot en met 11 juli 2012 te [vestigingsplaats] tezamen en in vereniging met een ander meermalen, opzettelijk, bedrijfsmatig handelingen met

betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden

of konden ontstaan, immers werd met PCB's en dioxinen verontreinigde actieve

kool als bleekaarde afgevoerd waardoor de verontreinigde actieve kool in de

biovergistingsinstallatie [bedrijf 5] en vervolgens in het milieu

kon/is terecht(ge)komen;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011

tot en met 11 juli 2012 te [vestigingsplaats] , tezamen en in vereniging met ander, meermalenopzettelijk, als degene die

zich van gevaarlijke afvalstoffen, te weten

afgewerkte actieve kool, heeft ontdaan door afgifte aan een persoon als

bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met e van de Wet

milieubeheer en daarbij aan deze persoon niet een juiste omschrijving van

aard, eigenschappen en samenstelling van die afvalstoffen heeft verstrekt,

immers omschreef zij (onder meer op begeleidingsbrief AB16952341) afgewerkte

actieve kool als bleekaarde bij de afgifte aan [bedrijf 1] ;

6.

optijdstippen in de periode van 29 december 2011 tot en met

9 maart 2012 te [vestigingsplaats] tezamen en in vereniging met

een ander,

- een begeleidingsbrief dd 29 december 2011 met nummer AB16952341

en

- een begeleidingsbrief dd 18 januari met nummer AB16949116 en

- een begeleidingsbrief dd 14 februari 2012 met nummer AB16950048

en

- een begeleidingsbrief dd 9 maart 2012 met nummer AB16950504

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst,

A.

telkens valselijk heeft opgemaakt

immers hebben verdachte en haar mededader telkens in strijd met

de waarheid

- op begeleidingsbrief AB16952341 en/of begeleidingsbrief AB16949116 en

begeleidingsbrief AB16950048 en begeleidingsbrief AB16950504 vermeld dat

verdachte zich ontdoet van de afvalstof bleekaarde,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en

onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

en/of

B.

telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt en gebruik heeft doen maken van

/deze valse geschriften, terwijl zij, verdachte, wist dat die geschriften bestemd waren

voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemde begeleidingsbrieven

telkens als (verplicht) begeleidingsdocument bij een

bedrijfsafvalstoffentransport werd gevoegd

en bestaande die valsheid hierin dat telkens opzettelijk

valselijk en in strijd met de waarheid

- op begeleidingsbrief AB16952341 en/of op begeleidingsbrief AB16949116 en

op begeleidingsbrief AB16950048 en/of op begeleidingsbrief AB16950504 was

vermeld dat verdachte zich ontdoet van de afvalstof bleekaarde;

7.

op tijdstippen in de periode van 12 juli 2012 tot en met 31 december 2013 in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft

verricht, terwijl daardoor, naar zij wist nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, immers werd met PAK’s, PCB’s en dioxines verontreinigde actieve kool als bleekaarde afgevoerd naar [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] waardoor de verontreinigde actieve kool in de biovergistingsinstallatie van [bedrijf 3] en vervolgens in het milieu kon/is terecht(ge)komen;

8.

op tijdstippen in de periode van 3 juli 2012 tot en met 31 december 2013 in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), meermalen,

opzettelijk, zich door afgifte aan een ander van gevaarlijke afvalstoffen heeft ontdaan, immers heeft zij zich van

verontreinigde actieve kool ontdaan door afgifte aan [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] ;

9.

optijdstippen in de periode van 3 juli 2012 tot en met 8 november 2013 te Nederland, tezamen enin vereniging met (een) ander(en),

-een begeleidingsbrief dd 17 september 2012 met nummer AB05246728

en

-een begeleidingsbrief dd 27 september 2012 met nummer AB05246729

en

-een begeleidingsbrief dd 4 december 2012 met nummer AB05246721

en

-een begeleidingsbrief met onleesbare datum met nummer AB05246727

en

-een begeleidingsbrief dd 22 april 2013 met nummer AB05246720

en

-een begeleidingsbrief dd 16 mei 2013 met nummer AB17249145 en

-een begeleidingsbrief dd 9 augustus 2013 met nummer AB17249147 en

-een begeleidingsbrief dd 28 augustus 2013 met nummer AB05246718

en

-een begeleidingsbrief dd 20 september 2013 met nummer AB40237603

en

-een begeleidingsbrief dd 8 oktober 2013 met nummer AB40237605 en

-een begeleidingsbrief dd 8 november 2013 met nummer AB40237606

en

-een CMR vervoersdocument dd 3 juli 2012 met nummer 120368 en

-een CMR vervoersdocument dd 31 juli 2012 met nummer 120410 en

-een CMR vervoersdocument dd 10 augustus 2012 met nummer 120422 en

-een CMR vervoersdocument dd 22 augustus 2012 met nummer 120432 en

-een CMR vervoersdocument dd 17 september 2012 met nummer 120474 en

-een CMR vervoersdocument dd 27 september 2012 met nummer 120505en

-een CMR vervoersdocument dd 16 oktober 2012 met nummer 120535 en

-een CMR vervoersdocument dd 1 november 2012 met nummer 120550 en

-een CMR vervoersdocument dd 21 november 2012 met nummer 120588 en

-een CMR vervoersdocument dd 4 december 2012 met nummer 120609 en

-een CMR vervoersdocument dd 20 december 2012 met nummer 120629 en

A.

telkens valselijk heeft opgemaakt

immers hebben verdachte en/of haar mededader(s) telkens in strijd met

de waarheid op voornoemde begeleidingsbrieven en CMR

vervoersdocumenten vermeld dat [verdachte] zich ontdoet van

bleekaarde,

en

B.

telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

deze valse geschriften, terwijl hij, verdachte, wist dat die geschriften bestemd waren

voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemde begeleidingsbrieven en

CMR vervoersdocumenten telkens als verplicht begeleidingsdocument of

vervoersdocument bij een bedrijfsafvalstoffentransport werd gevoegd en

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens opzettelijk valselijk

en in strijd met de waarheid op die begeleidingsbrieven en

vervoersdocumenten is vermeld dat [verdachte] zich ontdoet van

bleekaarde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten:

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

Feit 1: medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij

artikel 10.1, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een

rechtspersoon, meermalen gepleegd;

Feit 2: medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel

10.39

van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon,

meermalen gepleegd;

Feit 6 en feit 9: telkens: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een

rechtspersoon, meermalen gepleegd

en telkens: medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of

vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van

Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon,

meermalen gepleegd;

Feit 7: medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.39 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 8: medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 70.000,00.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn met 2,5 jaar. Gelet op deze schending dient er bij een bewezenverklaring primair te worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf dan wel subsidiair een geheel voorwaardelijke geldboete. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om matiging van de door de officier van justitie gevorderde geldboete gelet op de financiële situatie van [verdachte] .

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Het bedrijf [verdachte] heeft zich gedurende een periode van ongeveer drie jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan het afvoeren van grote hoeveelheden van een gevaarlijke afvalstof, die alleen door verbranding verwerkt had mogen worden, als een ongevaarlijke afvalstof die geschikt zou zijn voor gebruik in een biovergister. Door de betreffende gevaarlijke afvalstof een verkeerde benaming te geven, is de stof terechtgekomen in een biovergister, verwerkt als meststof en vervolgens uitgereden over de landbouwgrond. Verdachte heeft de betreffende afvalstof onder meer afgegeven aan bedrijven die daartoe niet bevoegd waren. Door het afvoeren van de gevaarlijke afvalstof ontstaan aanzienlijke risico’s voor de volksgezondheid en op forse milieuschade. Verdachte heeft zich hierbij meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door op de formulieren een onjuiste naam en code van de afvalstof te vermelden en zodoende te doen alsof het om een niet gevaarlijke afvalstof ging.

De rechtbank houdt rekening met de inhoud van het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 4 november 2016, waaruit volgt dat verdachte recent niet is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van schending van de redelijke termijn, nu de raadsman eerst bij brief van 29 september 2015 door de officier van justitie op de hoogte is gebracht van haar voornemen [verdachte] te vervolgen in de onderzoeken Bokje en Tödi. Wel houdt de rechtbank er bij de strafmaat rekening mee dat het gaat om feiten die in de periode van 2011 tot en met 2013 zijn gepleegd. Niet gebleken is dat verdachte zich in de periode na 2013 opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete een passende sanctie. De rechtbank zal, mede gelet op de financiële situatie van [verdachte] , de door de officier van justitie gevorderde geldboete matigen. Aan verdachte wordt een geldboete van € 40.000,00 opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 47, 51, 57en 225 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten en de artikelen 10.1, 10.39 en 10.37 van de Wet milieubeheer.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 6, 7, 8 en 9 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij

artikel 10.1, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een

rechtspersoon, meermalen gepleegd;

Feit 2: medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel

10.39

van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon,

meermalen gepleegd;

Feit 6 en feit 9: telkens: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een

rechtspersoon, meermalen gepleegd

en telkens: medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of

vervals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van

Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon,

meermalen gepleegd;

Feit 7: medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel

10.1, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 8: medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 40.000,00 (zegge: veertigduizend euro en nul eurocent).

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.W. Frieling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2017.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt, na een wijziging van de tenlastelegging, die hierna cursief is weergegeven, tenlastegelegd dat

1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011

tot en met 11 juli 2012 te [vestigingsplaats] en/of te [vestigingsplaats] en/of te [vestigingsplaats] ,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig of

in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met

betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of

redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden

of konden ontstaan, immers werd met PCB's en dioxinen verontreinigde actieve

kool als bleekaarde afgevoerd waardoor de verontreinigde actieve kool in de

biovergistingsinstallatie [bedrijf 5] en vervolgens in het milieu

kon/is terecht(ge)komen;

(strafbaarstelling: artikel 1a onder 1 Wet op de economische delicten juncto

artikel 10.1 lid 3 Wet milieubeheer)

art 10.1 lid 3 Wet milieubeheer

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011

tot en met 11 juli 2012 te [vestigingsplaats] en/of te [vestigingsplaats] en/of te [vestigingsplaats] ,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk, als degene die

zich van bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen, te weten

afgewerkte actieve kool, heeft ontdaan door afgifte aan een persoon als

bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met e van de Wet

milieubeheer en daarbij aan deze persoon niet een juiste omschrijving van

aard, eigenschappen en/of samenstelling van die afvalstoffen heeft verstrekt,

immers omschreef zij (onder meer op begeleidingsbrief AB16952341) afgewerkte

actieve kool als bleekaarde bij de afgifte aan [bedrijf 1] ;

(strafbaarstelling: artikel 1a onder 1 Wet op de economische delicten juncto

artikel 10.39 Wet milieubeheer)

art 10.39 lid 1 ahf/ond a Wet milieubeheer

3.

zij in of omstreeks de periode van 17 april 2012 tot en met 11 juli 2012 te

[vestigingsplaats] , althans in Nederland, heeft gehandeld in strijd met de artikel 4 van

de verordening (EG) nr. 852/2004, immers heeft zij, verdachte als exploitant

van een levensmiddelenbedrijf, dat zich bezighoudt met enerlei stadium van de

productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de

primaire producten, niet gehouden aan de algemene hygiëne voorschriften van

bijlage II en aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr.

853/2004,

immers in strijd met bijlage II:

hoofdstuk II

a.waren de vloeroppervlakken niet goed te onderhouden en/of konden niet

gemakkelijk worden schoongemaakt en indien nodig ontsmet, aangezien de

vloeren scheuren en gaten bevatten en/of aangezien op de vloeren een

plakkerige laag aanwezig was;

en/of

b.waren de muuroppervlakten niet goed te onderhouden en/of konden niet

gemakkelijk worden schoongemaakt en indien nodig ontsmet, aangezien de muren

niet van ondoordringbaar en niet absorberend materiaal waren gemaakt,

en/of

c.waren de plafonds (of waar plafonds ontbreken, de binnenkant van het dak)

en voorzieningen aan het plafond niet zo ontworpen en/of uitgevoerd dat zich

geen vuil kon ophopen en dat condens, ongewenste schimmelvorming en het

loskomen van deeltjes werd beperkt, aangezien het plafond boven de smeltbak

bestond uit geverfde planken waaraan een groot aantal loshangende verfbladders

hingen

en/of

hoofdstuk IV

d.waren niet alle artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel

in aanraking kwamen, afdoende schoongemaakt en/of zo nodig ontsmet, aangezien

de tank waarin gesmolten levensmiddel werd opgeslagen bij de afvoeropeningen

ernstig vervuild was door oude levensmiddel- en vuilresten;

en/of

hoofdstuk IX

e.werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie

levensmiddelen beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de

levensmiddelen ongeschikt konden worden voor menselijke consumptie, schadelijk

werden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze konden worden

verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat konden worden

geconsumeerd, aangezien de deuren van de ruimte waarin vet werd gesmolten open

stonden, waardoor er een rechtstreekse verbinding was met de buitenlucht en/of

één of meer bigbag(s) met melkpoeder niet geheel gesloten waren, waardoor er

vliegen op konden zitten;

(strafbaarstelling: artikel 1 onder 4 Wet op de economische delicten juncto

artikel 4 Warenwet juncto artikel 2 lid 1 Warenwetbesluit Hygiëne van

levensmiddelen juncto artikel 4, tweede lid van verordening (EG) 852/2004)

art 4 lid 5 Warenwet

4.

zij in of omstreeks de periode van 17 april 2012 tot en met 12 februari 2013

te [vestigingsplaats] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in

strijd met voorschriften genoemd in artikel 11 van de verordening (EG) nr.

183/2005, immers heeft zij, verdachte, als exploitant van diervoerderbedrijf

haar activiteiten uitgevoerd zonder erkenning die overeenkomstig artikel 10

Verordening (EG) 183/2005 vereist was;

(strafbaarstelling: artikel 1 onder 1 Wet op de economische delicten juncto

artikel 4 lid 1 onder a Kaderwet diervoeders juncto artikel 24 besluit

diervoeders juncto artikel 13 Regeling diervoeders 2010 juncto 11 onder b EG

Vo 183/2005),

vanaf 1-1-2013: artikel 2.17 en 2.18 Wet dieren juncto genoemde besluit en

regeling diervoerders)

art 4 lid 3 Kaderwet Diervoeders

5.

zij in of omstreeks de periode van 17 april 2012 tot en met 12 februari 2013

te [vestigingsplaats] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in

strijd voorschriften genoemd in artikel 20 lid 1 van de verordening (EG) nr.

767/2009,

- immers heeft zij, verdachte, niet in aanvulling op het bepaalde in de

artikelen 15, 16, 17 en 18 diervoeders die niet voldeden aan de communautaire

wettelijke vereisten als vastgelegd in bijlage VIII, zoals verontreinigde

materialen, voorzien van de etiketteringsgegevens die in die bijlage worden

vermeld; en/of

- immers heeft zij op het etiket van vetzuren niet vermeld "diervoeder met een

te hoog gehalte aan dioxine-achtige PCB's , uitsluitend na grondige reiniging

te gebruiken als diervoerder";

(strafbaarstelling: artikel 1 onder 1 Wet op de economische delicten juncto

artikel 4 lid 1 onder a Kaderwet diervoeders juncto artikel 24 besluit

diervoeders juncto artikel 24 Regeling diervoeders 2010 juncto 20 EG Vo

767/2009),

vanaf 1-1-2013: artikel 2.17 en 2.18 Wet dieren juncto genoemde besluit en

regeling diervoerders)

art 5 lid 1 ahf/ond a Kaderwet Diervoeders

6.

zij op één of meer tijdstippen in de periode van 29 december 2011 tot en met

9 maart 2012 te [vestigingsplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

(een) ander(en), althans alleen,

- een begeleidingsbrief dd 29 december 2011 met nummer AB16952341 (p. 271)

en/of

- een begeleidingsbrief dd 18 januari met nummer AB16949116 (p. 290) en/of

- een begeleidingsbrief dd 9 februari 2012 met nummer AB16949173 (p. 305) en/of

- een begeleidingsbrief dd 14 februari 2012 met nummer AB16950048 (p. 330)

en/of

- een begeleidingsbrief dd 9 maart 2012 met nummer AB16950504 (p. 350)

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst,

A.

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft

doen opmaken en/of vervalsen

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) in strijd met

de waarheid

- op begeleidingsbrief AB16952341 en/of begeleidingsbrief AB16949116 en/of

begeleidingsbrief AB16950048 en/of begeleidingsbrief AB16950504 vermeld dat

verdachte zich ontdoet van de afvalstof bleekaarde,

en/of

- op begeleidingsbrief AB16949173 vermeld dat verdachte zich ontdoet van de

afvalstof mengsel met uitsluitend spijsolie,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

en/of

B.

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van

die/deze vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), terwijl zij, verdachte, wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren

voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemd(e) begeleidingsbrief(ven)

(telkens) als (verplicht) begeleidingsdocument bij een

bedrijfsafvalstoffentransport werd gevoegd

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens opzettelijk

valselijk en/of in strijd met de waarheid

- op begeleidingsbrief AB16952341 en/of op begeleidingsbrief AB16949116 en/of

op begeleidingsbrief AB16950048 en/of op begeleidingsbrief AB16950504 was

vermeld dat verdachte zich ontdoet van de afvalstof bleekaarde,

en/of

- op begeleidingsbrief AB16949173 was vermeld dat verdachte zich ontdoet van

de afvalstofmengsel met uitsluitend spijsolie;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 juli 2012 tot en met 31 december 2013 te [vestigingsplaats] , althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof

deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft

verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten,

nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, immers werd met PAK’s, PCB’s en dioxines verontreinigde actieve kool als bleekaarde afgevoerd naar [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] waardoor de verontreinigde actieve kool in de biovergistingsinstallatie van [bedrijf 3] en vervolgens in het milieu kon/is terecht(ge)komen;

(strafbaarstelling: artikel 1a onder 1 Wet op de economische delicten juncto

artikel 10.1 lid 3 Wet milieubeheer)

art 10.1 lid 3 Wet milieubeheer

8.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 juli 2012 tot en met 31 december 2013 te [vestigingsplaats] , althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal al dan

niet opzettelijk, zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen

en/of gevaarlijke afvalstoffen heeft ontdaan, immers heeft zij zich van

verontreinigde actieve kool ontdaan door afgifte aan [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] ;

(strafbaarstelling: artikel 1a onder 1, 2 en 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 10.37 Wet milieubeheer)

art 10.37 lid 1 Wet milieubeheer

9.

zij op één of meer tijdstippen in de periode van 3 juli 2012 tot en met 8 november 2013 te [vestigingsplaats] en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en

in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

-een begeleidingsbrief dd 17 september 2012 met nummer AB05246728 (p. 106/376)

en/of

-een begeleidingsbrief dd 27 september 2012 met nummer AB05246729 (p. 105/375)

en/of

-een begeleidingsbrief dd 4 december 2012 met nummer AB05246721 (p. 111/394)

en/of

-een begeleidingsbrief met onleesbare datum met nummer AB05246727 (p. 116/413)

en/of

-een begeleidingsbrief dd 22 april 2013 met nummer AB05246720 (p. 117/415/456)

en/of

-een begeleidingsbrief dd 16 mei 2013 met nummer AB17249145 (p. 121/457) en/of

-een begeleidingsbrief dd 9 augustus 2013 met nummer AB17249147 (p. 461) en/of

-een begeleidingsbrief dd 28 augustus 2013 met nummer AB05246718 (p. 124/462)

en/of

-een begeleidingsbrief dd 20 september 2013 met nummer AB40237603 (p. 463)

en/of

-een begeleidingsbrief dd 8 oktober 2013 met nummer AB40237605 (p. 464) en/of

-een begeleidingsbrief dd 8 november 2013 met nummer AB40237606 (p. 125/465)

en/of

-een CMR vervoersdocument dd 3 juli 2012 met nummer 120368 (p. 411) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 31 juli 2012 met nummer 120410 (p. 409) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 10 augustus 2012 met nummer 120422 (p. 407) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 22 augustus 2012 met nummer 120432 (p. 405) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 17 september 2012 met nummer 120474 (p. 390) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 27 september 2012 met nummer 120505 (p. 392) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 16 oktober 2012 met nummer 120535 (p. 403) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 1 november 2012 met nummer 120550 (p. 400) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 21 november 2012 met nummer 120588 (p. 398) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 4 december 2012 met nummer 120609 (p. 396) en/of

-een CMR vervoersdocument dd 20 december 2012 met nummer 120629 (p. 393) en/of

A.

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen

opmaken en/of vervalsen

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) in strijd met

de waarheid op voornoemde begeleidingsbrief(ven) en/of CMR

vervoersdocument(en) vermeld dat [verdachte] zich ontdoet van ontoliede

bleekaarde,

en/of

B.

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van

die/deze vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), terwijl hij, verdachte, wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren

voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemde begeleidingsbrief(ven) en/of

CMR vervoersdocument(en) (telkens) als (verplicht) begeleidingsdocument en/of

vervoersdocument bij een bedrijfsafvalstoffentransport werd gevoegd en

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens opzettelijk valselijk

en/of in strijd met de waarheid op die begeleidingsbrief(ven) en/of

vervoersdocument(en) is vermeld dat [verdachte] zich ontdoet van de ontoliede

bleekaarde.

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 20140603.0930.4508, hierna te noemen: “Tödi” bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering dan wel het dossier met nummer BVH 2014011857, hierna te noemen: “Bokje,” volgens de in dat dossier toegepaste nummering.

Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Een geschrift, te weten een uittreksel uit het KvK-register van 10 mei 2012, pagina 469 en 470 Tödi.

De verklaring van [A] , afgelegd ter terechtzitting van 21 december 2016.

Een geschrift, te weten bijlage 2 van het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] ”, pagina 160 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2012, pagina 28 Tödi.

Een geschrift, te weten bijlage 2 van het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] ”, pagina 160 Tödi.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] , van 29 augustus 2013, opgemaakt door [X] , pagina 166 Tödi.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] , van 29 augustus 2013, opgemaakt door [X] , met bijlagen, pagina 181 Tödi.

Idem, pagina 179 Tödi.

Een geschrift, te weten bijlage 2 van het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] ”, pagina 160 Tödi.

Idem, alsmede het proces-verbaal van verhoor van [A] van 26 maart 2014, pagina 398 en het proces-verbaal van verhoor van [A] van 26 maart 2014, pagina 398 Tödi, de verklaring van [A] , afgelegd ter terechtzitting van 21 december 2016.

Het proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2013, pagina 313 Bokje.

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA1325.

De verklaring van [A] , afgelegd ter terechtzitting van 21 december 2016.

Het proces-verbaal van verhoor van [A] van 26 maart 2014, pagina 399 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2012, pagina 13 Tödi.

Idem, pagina 399, alsmede het proces-verbaal van verhoor van [J] , pagina 214 Bokje en het proces-verbaal van verhoor van [D] , pagina 270 Bokje.

Het proces-verbaal van verhoor van [G] , pagina 411 Tödi.

Idem.

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlage, pagina 265 Tödi.

Idem, pagina 271 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlage, pagina 285 en 290 Tödi.

Idem, pagina 284, 285 en 289 Tödi.

Idem, pagina 285 en 290 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlage, pagina 322, 323 en 330 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 342, 343 en 350 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 264, 265, 266, 271, 272, 273, 274, 277, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 284, 285, 286, 290, 291, 293, 294, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, pagina 322, 323, 324, 330, 331 en 332 en het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, pagina 342, 343, 348, 350, 351, 352 Tödi.

Het proces-verbaal van verhoor van [H] van 15 april 2014, pagina 412 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 277, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 293, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 334 en het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, pagina 354 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 267 en 280 alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 286 en 296, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 325, 337 en 338 alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, pagina 344 en 377 en het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 345 en 358 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 267, 281 en 282 alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 287 en 297, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 325, 339 en 341 en het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2013, met bijlagen, pagina 345 en 359 Tödi.

Het proces-verbaal van verhoor van [I] van 12 september 2013, pagina 425 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2014, met bijlage, pagina 102, 103 en 104 Bokje.

Het proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2014, pagina 4 Bokje.

Een geschrift, te weten een uittreksel uit het KvK-register van 18 februari 2014, pagina 82 Bokje.

Het proces-verbaal van verhoor van [J] , pagina 214 Bokje en het proces-verbaal van verhoor van [F] , pagina 249 Bokje, het proces-verbaal van verhoor van [D] , pagina 270 Bokje en het proces-verbaal van verhoor van T.J. Piek, pagina 277 Bokje, het proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2014, pagina 4 Bokje.

Het proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2014, pagina 102 Bokje.

Pagina 106 en 376 Bokje.

Pagina 105 en 375 Bokje.

Pagina 111 en 394 Bokje.

Pagina 116 en 413 Bokje.

Pagina 456 Bokje.

Pagina 457 Bokje.

Pagina 461 Bokje.

Pagina 463 Bokje.

Pagina 464 Bokje.

Pagina 465 Bokje.

Pagina 390 Bokje.

Pagina 411 Bokje.

Pagina 409 Bokje.

Pagina 407 Bokje.

Pagina 392 Bokje.

Pagina 403 Bokje.

Pagina 400 Bokje.

Pagina 398 Bokje.

Pagina 396 Bokje.

Pagina 405 Bokje.

Pagina 393 Bokje.

Het proces-verbaal van verhoor van [D] van 31 maart 2014, pagina 270 Bokje.

Idem, pagina 102, 103 en 104 Bokje.

Het proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2014, met bijlagen, pagina 102, 103, 104 en 117 Bokje.

Idem.

Idem, pagina 4 Bokje.

Het proces-verbaal van verhoor van [F] van 18 maart 2013, pagina 239 Bokje.

Idem, pagina 240 Bokje.

Idem, pagina 241 Bokje.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] ”, van 9 oktober 2012, pagina 142 Tödi alsmede de hierbij behorende bijlage 1, verslag van een monsterneming uitgevoerd op 11 juli 2012, pagina 151 Tödi.

Idem, pagina 152 Tödi.

Een geschrift, te weten een NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] ”, van 29 augustus 2013, pagina 166 Tödi.

Idem.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] ”, van 9 oktober 2012, pagina 142 Tödi alsmede de hierbij behorende bijlage 1, verslag van een monsterneming uitgevoerd op 11 juli 2012, pagina 151 Tödi.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] ”, van 29 augustus 2013, pagina 170 Tödi.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] , van 29 augustus 2013,” pagina 168 Tödi.

Proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2013, pagina 314 Bokje.

Idem.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] ,” van 29 augustus 2013, pagina 168 Tödi.

Het proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2013, pagina 328 Bokje.

Idem, pagina 330 Bokje.

Het proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2013, pagina 330 en 332 Bokje.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar aanleiding van een bemonstering van partijen vast materiaal te [vestigingsplaats] ,” van 17 juli 2013, pagina 348 Bokje.

Idem, pagina 345 en 349 Bokje.

Proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2013, pagina 314 Bokje.

Idem.

Idem, pagina 345 en 349 Bokje.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] in [vestigingsplaats] ,” van 29 augustus 0213, pagina 169 Tödi.

Idem, pagina 170 Tödi.

Idem, pagina 169 Tödi.

Idem, pagina 170 Tödi.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar aanleiding van een bemonstering van partijen vast materiaal te [vestigingsplaats] ,” van 17 juli 2013, pagina 347 Bokje.

Idem, pagina 346 Bokje.

Idem, pagina 356 Bokje.

Idem, pagina 360 Bokje.

Www.rivm.nl.

Het proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2013, pagina 314 Bokje.

Een geschrift te weten het NFI-rapport “Onderzoek naar de samenstelling van opslagtanks bij [verdachte] ” van 29 augustus 2013, pagina 169 Tödi.

Het proces-verbaal van verhoor van [A] van 19 februari 2014, pagina 251 Bokje.

Het proces-verbaal van verhoor van [A] van 26 maart 2014, pagina 398 Tödi.

Idem, pagina 401 Tödi.

Het proces-verbaal van verhoor van [A] van 26 maart 2014, pagina 399 Tödi.

Idem, pagina 402 Tödi.

Het proces-verbaal van verhoor van [B] van 25 april 2013, pagina 310 Bokje.

Het proces-verbaal van verhoor van [C] van 25 april 2013, pagina 306 Bokje.

Het proces-verbaal van bevindingen van 23 februari 2013, pagina 394 Tödi.

Pagina 592 en 593 Tödi.

Het proces-verbaal van verhoor van [F] van 18 maart 2013, pagina 248 Bokje.

Idem.

Het proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2014, pagina 418 Bokje.

Idem, pagina 420 Bokje.

De verklaring van [A] , afgelegd ter terechtzitting van 21 december 2016.

Het proces-verbaal van verhoor van [H] , pagina 411 Tödi.

Het proces-verbaal van verhoor van [A] van 26 maart 2014, pagina 399 Tödi.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature