Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling voor gewoonteheling, opzetheling en het voorhanden hebben van softdrugs.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700836-14 en 07/248361-12 (TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 28 april 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [1995] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn advocaat, mr. J.A. Neslo, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

primair: op 16 november samen met anderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft beroofd;

subsidiair: zich in de periode van 16 november 2013 tot en met 24 januari 2014 schuldig heeft gemaakt aan opzet- of schuldheling van een mobiele telefoon;

Feit 2: in de periode van 18 juli 2014 tot en met 27 juli 2014 39 zakjes met hennep heeft verkocht of afgeleverd, in elk geval aanwezig heeft gehad;

Feit 3

primair: zich op 28 juli 2014 schuldig heeft gemaakt aan gewoonteheling van identiteitsbewijzen, bankpassen, een reisdocument en een mobiele telefoon.

subsidiair: zich op 28 juli 2014 schuldig heeft gemaakt aan opzet- of schuldheling van identiteitsbewijzen, bankpassen, een reisdocument en een mobiele telefoon.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Verdachte dient volgens de officier van justitie van feit 1 primair te worden vrijgesproken. Wat betreft feit 2 kan het verkopen en afleveren van hennep bewezen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van feit 1 primair moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft zich wat betreft feit 1 subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 2 ziet volgens de raadsvrouw op de 39 zakjes met hennep die bij de doorzoeking in de woning van verdachte zijn aangetroffen. De raadsvrouw refereert zich als het gaat om het aanwezig hebben van deze hennep. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte deze hennep zou hebben geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt of vervoerd. Van die onderdelen moet verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Ook wat betreft feit 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van feit 1 primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte van dit feit dan ook vrijspreken.

Het bewijs voor feit 1 subsidiair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Omdat verdachte feit 1 subsidiair heeft bekend en niet tot vrijspraak is gepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer 2] , d.d. 16 november 2013;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 april 2015.

Het bewijs voor feit 2

Bewijsoverweging feit 2

De officier van justitie heeft gevorderd onder feit 2 bewezen te verklaren dat verdachte een hoeveelheid hennep heeft verkocht en afgeleverd.

De rechtbank stelt vast dat de tekst van de tenlastelegging ziet op het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren (impliciet primair) ofwel het aanwezig hebben (impliciet subsidiair) van 39 zakjes. Gelet op de inhoud van het dossier ziet de tenlastelegging dus op de 39 zakjes met hennep die in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte met deze zakjes hennep één van de onder het impliciet primair ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken. Wel kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte de 39 zakjes met hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie niet dat het impliciet primair ten laste gelegde moet worden gelezen als het -kort gezegd- dealen van een hoeveelheid hennep. De inhoud van de tenlastelegging is beperkt tot 39 zakjes hennep en ziet onmiskenbaar op de bij verdachte aangetroffen hennep. Het verkopen en afleveren van een hoeveelheid hennep kan in dit geval niet in de tenlastelegging worden ‘ingelezen’. Niet in de laatste plaats omdat ook de verdediging zich in haar pleidooi slechts heeft gericht op de 39 zakjes hennep die bij verdachte zijn aangetroffen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, het aanwezig hebben van 39 zakjes met hennep, heeft begaan.

Omdat verdachte dit feit heeft bekend en niet tot vrijspraak is gepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van Politie Midden-Nederland, d.d. 28 juli 2014;

- het proces-verbaal van bevindingen, testen hennep, opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van Politie Midden-Nederland, d.d. 8 augustus 2014;

- het proces-verbaal van bevindingen, testen hennep, opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van Politie Midden-Nederland, d.d. 8 augustus 2014;

- het proces-verbaal van bevindingen, testen hennep, opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van Politie Midden-Nederland, d.d. 8 augustus 2014;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 28 juli 2014.

Het bewijs voor feit 3 primair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Omdat verdachte feit 3 primair heeft bekend en niet tot vrijspraak is gepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal, onderzoek gedeelte in beslag genomen goederen, opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent van Politieregio Midden-Nederland, d.d. 30 juli 2014;

- een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde 1] , d.d. 25 februari 2013;

- het proces-verbaal onderzoek in beslag genomen goederen, opgemaakt door [verbalisant 4] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 1 augustus 2014;

- een geschrift, te weten een uitdraai van het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde 2] , d.d. 7 mei 2013;

- het proces-verbaal, onderzoek pasjes [benadeelde 2] , opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van Politieregio Flevoland, d.d. 1 augustus 2014;

- een geschrift, te weten een uitdraai van het proces-verbaal van vermissing, gedaan door [benadeelde 3] , d.d. 2 maart 2012;

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 4] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 1 augustus 2014;

- het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangever 1] , d.d. 27 april 2012;

- het proces-verbaal bevindingen aangetroffen mobiele telefoons, opgemaakt door [verbalisant 6] , hoofdagent van politie Midden-Nederland, d.d. 31 juli 2014;

- het proces-verbaal vermissing identiteitsbewijs, gedaan door [benadeelde 4] , d.d. 12 maart 2012;

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 4] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 1 augustus 2014;

- een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde 5] , d.d. 13 november 2013;

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 4] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 1 augustus 2014;

- een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangever 2] , d.d. 21 april 2009;

- het proces-verbaal, bankpas [benadeelde 6] , opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent van Politieregio Midden-Nederland, d.d. 1 augustus 2014;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 29 juli 2014;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 11 augustus 2014;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 april 2015.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

in de periode van 16 november 2013 tot en met 24 januari 2014 in de gemeente Almere een telefoon (iPhone 4S) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die telefoon wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

op of omstreeks 27 juli 2014 in de gemeente Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 39 zakjes hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

Primair

op 28 juli 2014 in de gemeente Almere een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte na te melden goederen voorhanden gehad, terwijl hij

ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof:

- een identiteitspapier (paspoort ten name van [benadeelde 1] );

- een identiteitsbewijs (ID-kaart) en een bankpas (ten name van [benadeelde 2] );

- een identiteitsbewijs (ID-kaart ten name van [benadeelde 3] );

- een telefoon (iPhone 4);

- een identiteitsbewijs (ID-kaart ten name van [benadeelde 4] );

- een reisdocument (OV-chipkaart ten name van [benadeelde 5] );

- een bankpas (ten name van [benadeelde 6] ).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

feit 1 subsidiair: opzetheling;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3 primair: een gewoonte maken van opzetheling.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 43 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een meldplicht als bijzondere voorwaarde. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een werkstraf zal worden opgelegd van 100 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de door de officier van justitie geëiste straf te matigen en aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft verschillende goederen in zijn bezit gehad, waarvan het hem duidelijk was dat deze van een misdrijf afkomstig waren. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Diefstal van goederen is lucratief zolang er helers zijn aan wie de gestolen goederen kunnen worden doorverkocht. Het is daarom belangrijk dat niet alleen diefstal, maar ook heling strafrechtelijk wordt vervolgd.

Verder heeft verdachte een hoeveelheid hennep in zijn bezit gehad. Verdachte heeft verklaard dat hij ook hennep heeft gedeald. Ook dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De handel in en het gebruik van verdovende middelen gaat gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

De rechtbank heeft gelet op een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in 2010 een transactie heeft gekregen voor een diefstal.

Verder heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsadvies van 13 april 2015, waarin wordt geadviseerd aan verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

Gelet op de ernst van de feiten en de hoeveelheid gestolen goederen die verdachte in zijn bezit heeft gehad, kan niet worden volstaan met een andere straf dan met een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 43 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank ziet geen aanleiding aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 100 uren.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De inhoud van de vorderingen

De vordering van [slachtoffer 1] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 205,- ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de executiekosten.

9.2

Het oordeel van de rechtbank

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, is [slachtoffer 1] in de vordering niet-ontvankelijk.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

10.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tenuitvoerlegging toe te wijzen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de voorwaardelijk opgelegde straf niet om te zetten in een gevangenisstraf.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de stukken bevindt zich de op 5 februari 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 07/248361-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 29 januari 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 20 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel van 20 uren te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 57, 416 en 417 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

12 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 subsidiair: opzetheling;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3 primair: een gewoonte maken van opzetheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 43 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 100 uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

Benadeelde partij

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Vordering tenuitvoerlegging

Wijst de vordering tenuitvoerlegging toe en gelast dat de voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 20 uren zal worden ten uitvoer gelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2015.

Mr. De Weerd is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

(de wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 14 april 2014 is cursief en vet weergegeven)

Aan [verdachte] wordt tenlastegelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 16 november 2013 in de gemeente Almere, in ieder geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere, althans één, telefoon(s) (HTC

Desire C en/of Iphone 4s) en/of een jas, in elk geval van enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld

en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn

medeverdachte(n)

- die [slachtoffer 1] een harde klap in zijn nek hebben/heeft gegeven, en/of

(meermalen) tegen het gezicht, althans het lichaam hebben/heeft geslagen en/of

aan zijn jas hebben/heeft getrokken en/of tegen het lichaam hebben/heeft

geschopt en/of hebben/heeft geroepen: "pak je mes, pak je mes" en/of tegen die

[slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd: "Ik geef je drie seconden en als je dan niet

verteld waar je telefoon is dan ga ik je steken", en/of de jas van die

[slachtoffer 1] hebben/heeft gepakt, en/of

- tegen die [slachtoffer 2] hebben/heeft gezegd: "geef me je telefoon of ik steek je

neer" en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] tegen het lichaam hebben/heeft geslagen

(mede ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] op de grond terecht kwam), en/of

(vervolgens) die [slachtoffer 2] tegen het lichaam hebben/heeft geschopt, en/of

(vervolgens) de telefoon (uit de zak) van die [slachtoffer 2] hebben/heeft gepakt;

en/of

hij op of omstreeks 16 november 2013 in de gemeente Almere, in ieder geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen meerdere,

althans één telefoon(s) (HTC Desire C en/of Iphone 4s) en/of een jas, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander ofanderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die

[slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn

medeverdachte(n)

- die [slachtoffer 1] een harde klap in zijn nek hebben/heeft gegeven, en/of

(meermalen) tegen het gezicht, althans het lichaam hebben/heeft geslagen

en/of aan zijn jas hebben/heeft getrokken en/of tegen het lichaam

hebben/heeft geschopt en/of hebben/heeft geroepen: "pak je mes, pak je mes"

en/of tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd:

"Ik geef je drie seconden en

als je dan niet verteld waar je telefoon is dan ga

ik je steken", en/of de jas van die

[slachtoffer 1] hebben/heeft gepakt, en/of

- tegen die [slachtoffer 2] hebben/heeft gezegd: "geef me je telefoon of ik steek je

neer" en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] tegen het lichaam hebben/heeft geslagen

(mede ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] op de grond terecht kwam), en/of

(vervolgens) die [slachtoffer 2] tegen het lichaam hebben/heeft geschopt, en/of

(vervolgens) de telefoon (uit de zak) van die [slachtoffer 2] hebben/heeft gepakt;

art 312 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2013 tot en met 24 januari 2014

in de gemeente Almere, in ieder geval in

Nederland, een telefoon (Iphone 4S) heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die telefoon wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 juli 2014

tot en met 27 juli 2014 in de gemeente Almere, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad,een hoeveelheid van ongeveer 39 zakjes, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

Primair

hij op of omstreeks 28 juli 2014 in de gemeente Almere en/of Amsterdam

en/of Rotterdam, in elk geval in

Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers

heeft verdachte op na te melden tijdstippen, op na te melden plaatsen, na te

melden goederen verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij

ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist

dat het door misdrijf verkregen goederen betrof:

- in of omstreeks de periode van 16 februari 2013 tot en met 28 juli 2014 in

de gemeente Almere, in elk geval in Nederland, een identiteitspapier

(paspoort ten name van [benadeelde 1] );

- in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 28 juli 2014 in de

gemeente Almere, in elk geval in Nederland, een identiteitsbewijs (ID-kaart)

en een bankpas (ten name van [benadeelde 2] );

- in of omstreeks de periode van 29 februari 2012 tot en met 28 juli 2014 in

de gemeente Rotterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, een

identiteitsbewijs (ID-kaart ten name van [benadeelde 3] );

- in of omstreeks de periode van 25 april 2012 tot en met 28 juli 2014 in de

gemeente Almere, in elk geval in Nederland, een telefoon (iPhone 4);

- in of omstreeks de periode van 6 maart 2012 tot en met 28 juli 2014 in de

gemeente Almere, in elk geval in Nederland, een identiteitsbewijs (ID-kaart

ten name van [benadeelde 4] );

- in of omstreeks de periode van 12 november 2013 tot en met 28 juli 2014 in

de gemeente Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, een

reisdocument (OV-chipkaart ten name van [benadeelde 5] );

- in of omstreeks de periode van 20 april 2009 tot en met 28 juli 2014 in de

gemeente Almere, in elk geval in Nederland, een bankpas (ten name

van [benadeelde 6] ) art 417 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de pleegperiode van 20 april 2009 tot en met 28 juli 2014

in de gemeente Almere en/of Amsterdam en/of Rotterdam, in elk geval in

Nederland,

- een identiteitspapier (paspoort ten name van [benadeelde 1] ) en/of

- een identiteitsbewijs (ID-kaart) en bankpas (ten name van [benadeelde 2] )

en/of

- een identeitsbewijs (ID-kaart ten name van [benadeelde 3] ) en/of

- een telefoon (iPhone 4) en/of

- een identiteitsbewijs (ID-kaart ten name van [benadeelde 4] ) en/of

- een reisdocument (OV-chipkaart ten name van [benadeelde 5] ) en/of

- een bankpas (ten name van [benadeelde 6] )

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

bovengenoemd(e) goed(eren) (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer 2013086017, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 12069). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Pagina 1011 tot en met 1013.

Pagina 3043 en 3044.

Pagina 3133 en 3134.

Pagina 3135 en 3136.

Pagina 3137 en 3138.

Pagina 117 tot en met 129 (met name pagina 120).

Pagina 12014 en 12015.

Pagina 4000 tot en met 4005.

Pagina 4008 en 4009.

Pagina 5000 tot en met 5003.

Pagina 5004 en 5005.

Pagina 6000 en 6001.

Pagina 6002 tot en met 6004.

Opgenomen na pagina 7002.

Pagina 7003 en 7004.

Opgenomen na pagina 8001.

Pagina 8002 en 8003.

Pagina 9000 tot en met 9003.

Pagina 9004 tot en met 9006.

Pagina 10000 tot en met 10003.

Pagina 10004.

Pagina 131 tot en met 136.

Pagina 137 tot en met 146.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature