Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Procedure tot kennelijk onredelijk ontslag

Notarisklerk langdurig in dienst vordert vergoeding. Valse of voorgewende reden, gevolgencriterium, habe nichts verweer

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civiel recht

kantonrechter

zitting houdend te Almere

Zaak- en rolnummer: 3180174 MC EXPL 14-7623

Datum vonnis: 7 januari 2015

Vonnis in de zaak van

[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,eiser,gemachtigde mr. S.M. Pieroelie,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[gedaagde],gevestigd te [vestigingsplaats] ,gedaagde,gemachtigde mr. R.P.P. Caubo.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

de conclusie van antwoord

het tussenvonnis van 24 september 2014

het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 9 december 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 augustus 1983 in dienst getreden bij de rechtsvoorgangers van [gedaagde] in de functie van notarisklerk. Het laatstelijk verdiende salaris bedroeg € 3.821,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2.

Bij beslissing van 29 oktober 2013 heeft UWV toestemming verleend de arbeidsovereenkomst op te zeggen. De arbeidsovereenkomst is met toestemming van het UWV opgezegd met in achtneming van de opzegtermijn tegen 31 maart 2014.

2.3.

UWV heeft de ontslagaanvraag getoetst aan artikel 4.1 en 4.2 van het Ontslagbesluit op grond van bedrijfseconomische redenen. UWV heeft overwogen dat de ontslagaanvraag is ingegeven door de financiële noodzaak om de loonkosten te verlagen en het aantal arbeidsplaatsen te verminderen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.815,00 bruto aan niet uitgekeerde lijfrente en tot betaling van € 230.043,48 bruto wegens kennelijk onredelijk ontslag, vermeerderd buitengerechtelijke kosten, rente en kosten.

3.2.

[eiser] stelt daartoe dat [gedaagde] gehouden is bij de eindafrekening van zijn dienstverband een bedrag van € 1.815,00 bruto aan lijfrente 2013 te voldoen. [eiser] heeft geen betaling ontvangen.

3.3.

[eiser] stelt dat de opzegging van het dienstverband kennelijk onredelijk is als bedoeld in artikel 6:681 BW , omdat de arbeidsovereenkomst is opgezegd onder opgave van een valse of voorgewende reden en/of de gevolgen van de opzegging, mede in aanmerking genomen de voor [eiser] getroffen voorzieningen en zijn mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde] . De reden is vals omdat de financiele situatie van [gedaagde] door [gedaagde] zelf is gecreeerd doordat zij onverplicht leningen en schulden van in totaal € 790.000,00 heeft afgelost. De reden is voorgewend omdat de afdeling onroerend goed in 2013 en 2014 voldoende werk genereert om [eiser] en zijn collega [A] als notarisklerken aan het werk te houden gezien het aantrekken van de woningmarkt. De mogelijke reden is dat [eiser] en [A] gezien hun hoge leeftijd relatief dure werknemers zijn en [gedaagde] [eiser] , na ommekomst van de wederindindienstredingsvoorwaarde, wil vervangen door een jongere goedkopere notarisklerk. Met een beroep op het gevolgencriterium is de opzegging van het dienstverband kennelijk onredelijk, omdat:

- de bedrijfseconomsiche reden in de risicosfeer ligt van [gedaagde] ;

- de bedrijfseconomische redenen onvoldoende zijn en de aflossingen van schulden in 2013 niet zien op opeisbare schulden;

- de arbeidsovereenkomst met [eiser] 30 jaar heeft geduurd en [eiser] altijd goed heeft gefunctioneerd;

- de arbeidsmarktpositie voor [eiser] , gelet op zijn leeftijd (60 jaar), slecht is;

- de opleiding en het arbeidsverleden eenzijdig is;

- [gedaagde] na 2010/2011 weer financieel gezond was;

- [gedaagde] [eiser] geen omscholing of herscholings traject heeft aangeboden;

- [eiser] tijdens de opzegperiode niet vrijgesteld is van werk voor het vinden van ander werk;

- [eiser] door het ontslag ernstige pensioenschade heeft opgelopen;

- [gedaagde] geen voorzieningen heeft getroffen om de gevolgen van het ontslag te verzachten;

3.4.

[eiser] verwacht tot aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd, 8 mei 2020, werkloos te zijn. De inkomensachteruitgang bedraagt tot 1 april 2017 € 46.631,48. Na 1 april 2017 komt [eiser] niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering en bedraagt zijn inkomensachteruitgang € 141.340,00 tot aan zijn AOW gerechtigde leeftijd. Sinds 1 april 2014 bouwt [eiser] geen pensioenrechten meer op. De gegarandeerde lijfrente van € 1.815,00 per jaar vanaf 1 april 2014 bedraagt € 12.705,00. De pensioenopbouw tot einddatum AOW gerechtigde leeftijd bedraagt € 27.552,00.

3.5.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt daartoe dat van een valse of voorgewende reden voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst geen sprake is. De door [eiser] aangehaald argumenten zijn ook aan bod gekomen bij de beoordeling van UWV, die heeft geoordeeld dat op grond van bedrijfseconomische omstandigheden [gedaagde] moest ingrijpen in de bedrijfskosten en daarom moest ingrijpen in het personeelsbestand. Deze omstandigheden vinden een bevestiging in de jaarstukken van [gedaagde] over het jaar 2013. De omzet voor 2013 bedroeg € 786.481,00 en het verlies over 2013 bedroeg € 125.676,00. De vermindering van het eigen vermogen in 2013 is toe te schrijven aan het nettoverlies. De afname van het balanstotaal in 2013 wordt grotendeels verklaard door betaling van schulden. De vastgestelde dividenden over de jaren 2010, 2011 en 2012 is maar ten dele uitgekeerd. Voor 2013 is geen dividend vastgesteld. Het inkomen van de aan [gedaagde] verbonden notarissen bedraagt slechts netto € 2.100,00 per maand en is ingegeven door de slechte financiële situatie.

3.6.

Ten aanzien van het gevolgencriterium stelt [gedaagde] dat het enkele feit dat geen vergoeding is aangeboden geen reden is het ontslag als kennelijk onredelijk te verklaren. Dat hangt af van alle omstandigheden van het geval zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van het ingaan van het ontslag voordeden. [gedaagde] heeft alles in het werk gesteld om een reorganisatie te voorkomen. Betwist wordt dat de arbeidsmarktpositie voor [eiser] slecht zou zijn. [eiser] kan terecht bij gespecialiseerde kantoren die bemiddelen in interim opdrachten voor notarisklerken. De kennis van [eiser] ligt in het notariaat. [eiser] heeft vele aanvullende opleidingen voor rekening van [gedaagde] gevolgd. Om- of herscholing ligt dan ook niet voor de hand. Bijzondere omstandigheden aan de zijde van [gedaagde] maakt daarentegen dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is. [gedaagde] heeft een opzegtermijn van vijf maanden in acht moeten nemen met als gevolg dat de loonlasten van [eiser] langer ten laste van de onderneming werden gebracht. Als aan de werknemers waarvan de arbeidsovereenkomst in de loop van 2013 zijn beëindigd een vergoeding was toegekend had dit waarschijnlijk geleid tot het faillissement van [gedaagde] . Vanwege de financiële situatie heeft [gedaagde] af moeten zien van financiële vergoedingen ten behoeve van haar werknemers, waaronder [eiser] . Dit afzien vloeit voor uit onmacht. Een vergoeding aan [eiser] leidt bovendien tot een onbillijke situatie ten opzichte van ander getroffen werknemers.

3.7.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding stelt [gedaagde] dat het niet de bedoeling kan zijn dat de volledige loonschade en pensioenschade wordt vergoed. [eiser] moet geacht worden in staat te zijn loonvormende arbeid te verrichten. De gevraagde vergoeding leidt tot het faillissement van [gedaagde] . De pensioenschade is bovendien niet gelijk aan de misgelopen premies.

3.8.

[gedaagde] verzoekt, voor het geval dat de kantonrechter oordeelt dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en overgaat tot vaststelling van een aan [eiser] uit te keren vergoeding, niet de uitvoerbaarheid bij voorraad uit te spreken. [gedaagde] willen alsdan de zaak voorleggen aan het Gerechtshof.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Lijfrente premie 2013

4.2.

Het geschil omtrent de betaling van de lijfrente premie over het jaar 2013 is tussen partijen geregeld, zodat dat onderdeel van de vordering van [eiser] geen verdere bespreking behoeft.

Kennelijk onredelijk ontslag

4.3.

In artikel 7:681 lid 1 BW is bepaald dat indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen. Daartoe dient eerst de vraag te worden beantwoord of de opzegging kennelijk onredelijk is. Indien het antwoord bevestigend is, komt de schadevergoeding aan de orde.

Valse of voorgewende reden

4.4.

[gedaagde] heeft bij UWV een ontslagvergunning aangevraagd voor [eiser] . [gedaagde] heeft aan die aanvraag ten grondslag gelegd bedrijfseconomische omstandigheden. Het UWV is bij uitstek de aangewezen instantie om deze bedrijfseconomische omstandigheden te wegen en te beoordelen. De ook in deze procedure naar voren gebrachte stellingen van [eiser] zijn door het UWV beoordeeld. Door [gedaagde] zijn de financiële gegevens overgelegd over de jaren 2010 tot en met 2012. Voor het jaar 2013 is in de procedure bij UWV een prognose van de accountant overgelegd op basis van de omzet over het eerste half jaar van 2013. UWV heeft geoordeeld dat de omzet over het eerste half jaar van 2013 is achtergebleven en daaruit geconcludeerd dat over het gehele jaar een omzet daling van circa 24% valt te verwachten. Tevens is door UWV geconcludeerd dat het netto verlies over het eerste half jaar van 2013 € 53.821,00 negatief bedroeg. In onderhavige procedure wordt de prognose van de omzetdaling en het verlies bevestigd in de overgelegde jaarstukken over 2013. Het daadwerkelijke verlies over het hele jaar van 2013 bedraagt € 125.676.00. Van een verbetering van de onroerend goed markt is de kantonrechter niet gebleken, zoals door [eiser] gesuggereerd. De totale beroepskosten van 2013 bedroegen meer dan de gerealiseerde omzet over dat jaar. Door [eiser] is onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] de benarde financiële situatie enkel zelf heeft gecreëerd door het aflossen van leningen en schulden. De kantonrechter neemt de conclusie van het UWV over dat voldoende is aangetoond door [gedaagde] dat sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak om de personeelskosten te reduceren. De suggestie dat sprake is van een voorgewende reden, bijvoorbeeld, omdat [eiser] een dure werknemer is vanwege de hoge leeftijd, wordt niet nader onderbouwd en vindt zijn weerlegging in de door [gedaagde] overgelegde jaarstukken. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een valse of voorgewende reden.

Gevolgencriterium

4.5.

Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval, zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden, in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (onder meer HR 15 februari 2008, LJN: BC2206). Evenwel kunnen nadien intredende omstandigheden in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht (o.a. HR 8 april 2011, LJN: BP4804). Het Hof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft bij uitspraak van 7 juli 2009 (LJN BJ1688) de mogelijke omstandigheden die kunnen worden betrokken in de beoordeling geformuleerd. De kantonrechter neemt die geformuleerde omstandigheden over voor zover hier van belang:

1. Algemeen: dienstverband en opzegging

– opzeggingsgrond: risicosfeer werkgever/werknemer;

– de noodzaak voor de werkgever het dienstverband te beëindigen;

– de duur van het dienstverband;

– de leeftijd van de werknemer bij einde dienstverband;

– de wijze van functioneren van de werknemer;

– de door de werkgever bij de werknemer gewekte verwachtingen;

– de financiële positie van de werkgever;

2. Ander (passend) werk

– de inspanningen van de werkgever en de werknemer om binnen de onderneming van de werkgever ander (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld door om- of bijscholing);

– flexibiliteit van de werkgever/werknemer;

– de kansen van de werknemer op het vinden van ander (passend) werk (waarbij opleiding, arbeidsverleden, leeftijd, arbeidsongeschiktheid en medische beperkingen een rol kunnen spelen);

– de inspanningen van de werknemer om elders (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld outplacement);

– vrijstelling van werkzaamheden gedurende de (opzeg)termijn.

3. Financiële gevolgen van een opzegging

– de financiële positie waarin de werknemer is komen te verkeren, waarbij van belang kunnen zijn eventuele inkomsten op grond van sociale wetgeving en eventuele pensioenschade.

4. Getroffen voorzieningen en financiële compensatie

– reeds aangeboden/betaalde vergoeding;

– vooraf individueel overeengekomen afvloeiingsregeling;

4.6.

Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat de ontslaggrond, bedrijfseconomische redenen, in de risicosfeer ligt van [gedaagde] . Zoals onder overweging 4.4 is overwogen rechtvaardigen de voldoende onderbouwde financiële omstandigheden van [gedaagde] in beginsel een ontslag van [eiser] . Of het ontslag ook is gerechtvaardigd zonder dat ten behoeve van [eiser] op enigerlei wijze voorzieningen zijn getroffen, hangt af van de overige omstandigheden. [eiser] is immers 60 jaar en is ruim dertig jaar in dienst geweest van [gedaagde] . [eiser] heeft altijd goed gefunctioneerd en zich in het verleden bij een eerdere teruggang in de omzet flexibel opgesteld door vijf dagen per week te gaan werken tegen hetzelfde salaris voor vier dagen. De financiële positie van [gedaagde] is naar het oordeel van de kantonrechter voornamelijk te wijten aan de verslechterde economische situatie op de onroerend goed markt. Daarentegen heeft [gedaagde] er wel voor gekozen om een schuld aan [bedrijf] (voormalig notaris mr [B] ) voor een bedrag van € 260.000,00 af te lossen, terwijl onvoldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] op dat moment gehouden was die schuld voor een dergelijk bedrag te voldoen. Daarmede heeft [gedaagde] haar liquiditeitspositie in negatieve zin beïnvloed. Niet is gebleken dat [gedaagde] nadat eerder sprake is geweest van een slechte financiële situatie in 2009/2010, toen het in 2010 en 2011 weer beter ging met het kantoor, voorzieningen heeft getroffen of reserves heeft opgebouwd voor crisissituaties als de onderhavige. Niet is gebleken van enige inspanning van de kant van [gedaagde] om [eiser] te begeleiden naar werk bij een ander kantoor of zoals door haar gesuggereerd naar werk als interim-notarisklerk. Evenmin is gebleken welke inspanningen [eiser] zelf heeft verricht tot het verkrijgen van werk bij een andere werkgever hetzij in loondienst hetzij als interim-notarisklerk. [eiser] is gedurende de opzegtermijn niet vrijgesteld van werk om zo de kansen op ander werk te vergroten. Vast staat dat [eiser] geconfronteerd wordt met een aanmerkelijke inkomstendaling nu hij een beroep moet doen op de sociale voorzieningen. Daarnaast is ook aannemelijk dat [eiser] pensioenschade zal leiden. Vast is komen te staan dat [gedaagde] geen enkele voorziening heeft getroffen om de gevolgen voor [eiser] van het ontslag te verzachten. De kantonrechter komt tot het oordeel dat bovengenoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien ertoe leidt dat het ontslag van [eiser] als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd. Daartoe laat de kantonrechter de mate waarin en de wijze waarop [gedaagde] verzuimd heeft reserves aan te houden en dat dat er mede toe heeft bijgedragen aan de omstandigheid dat [gedaagde] niet in staat was enige vergoeding te treffen, meewegen, alsmede de omstandigheid dat er geen, althans nauwelijks invulling is gegeven aan de verplichting [eiser] te begeleiden naar ander werk. De leeftijd van [eiser] , de duur van hun dienstverband, alsmede de verwachting dat hij in ieder geval gedurende enige tijd inkomensschade zal lijden, acht de kantonrechter daarbij eveneens van belang.

schadevergoeding

4.7.

Nu is geoordeeld dat de opzegging kennelijk onredelijk is, komt de schadevergoeding aan de orde.

4.8.

De hoogte van de vergoeding moet door de kantonrechter in deze procedure worden vastgesteld aan de hand van door de kantonrechter op basis van de aangevoerde stellingen vast te stellen feiten en na een afweging van de omstandigheden aan de zijde van beide partijen, waarbij de gewone regels omtrent de begroting van schade(vergoeding) van toepassing zijn. De hoogte van de toe te kennen vergoeding is bovendien gerelateerd aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen, en aan de daaruit voortvloeiende (materiële en immateriële) nadelen voor de werknemer. Vooropgesteld wordt dat van een goed werkgever mag worden verwacht dat hij zich inspant om het geschatte nadeel dat de werknemer lijdt door opzegging van de arbeidsovereenkomst zo veel mogelijk te beperken. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van deze verplichting jegens [eiser] . Voor de vaststelling van de schade dient dan ook rekening te worden gehouden met de geleden schade door al ondervonden werkloosheid, althans een ontvangen lager inkomen, alsmede met nog te lijden schade in de vorm van weinig kans op het vinden van werk en een te verwachten werkloosheid. In aanmerking wordt hierbij nog genomen dat bij beëindigen van de arbeidsovereenkomst voor [gedaagde] niet valt uit te sluiten dat [eiser] een nieuwe werkkring zou kunnen vinden. Op [eiser] rust uiteraard ook de verplichting om de schade te beperken. Niet is gebleken dat [eiser] ook maar enige inspanning heeft verricht tot het nakomen van deze verplichting.

4.9.

De hiervoor genoemde schadebepalende elementen zijn moeilijk daadwerkelijk te begroten en zullen daarom moeten worden geschat. Het bovengestelde betekent overigens niet dat de werkgever zonder meer gehouden is de volledige schade (loonschade en pensioenschade) te vergoeden. De hoogte van de vergoeding houdt nauw verband met de omstandigheden die de kantonrechter tot zijn oordeel over de kennelijke onredelijkheid van het ontslag hebben geleid, en is mede afhankelijk van de omstandigheden zoals de duur van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer en diens kans op het vinden van ander passend werk. De kantonrechter komt tot het volgende oordeel. [eiser] was ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst 60 jaar oud en meer dan 30 jaar bij [gedaagde] in dienst. Aan de hand van waardering van goede en kwade kansen en het inzicht dat partijen aan de kantonrechter hebben verschaft over de kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt, schat de kantonrechter in dat [eiser] na de opzegging drie jaar nodig zal hebben om andere (passende) arbeid te verwerven op het niveau dat hij bij [gedaagde] had. Uitgaande van de door [eiser] opgestelde schadeberekening ten aanzien van de inkomensachteruitgang, welke als zodanig niet gemotiveerd door [gedaagde] is betwist, volgt dat de inkomensachteruitgang alsdan tot 1 april 2017 € 46.631,48 bruto bedraagt. De kantonrechter acht bovendien voldoende komen vast te staan dat [eiser] pensioenschade lijdt, deze schade wordt aan de hand van de in het verleden verschuldigde premie begroot over een periode van 3 jaar en aldus geschat op € 17.253,00. De totale schade wordt derhalve geschat op een bedrag van € 57.607,56 bruto.

4.10.

Ten aanzien van het Habe-nichts-verweer overweegt de kantonrechter dat de schadevergoedingsverplichting slechts kan worden gematigd, indien toekenning van een volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden (art. 6:109 BW jo. art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW). Hierbij moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht. De kantonrechter is door [gedaagde] er niet van overtuigd dat de toekenning van een schadevergoeding aan [eiser] het voortbestaan van het bedrijf in gevaar zou brengen. Onvoldoende is gebleken dat [gedaagde] geen (enkele) financiële ruimte heeft om de hieronder toe te kennen schadevergoedingsbedragen aan [eiser] te betalen. Het verweer van [gedaagde] faalt derhalve.

4.11.

De kantonrechter ziet onvoldoende aanleiding de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen, zoals door [gedaagde] is verzocht. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, gelet op het bijzondere karakter van onderhavige procedure. De werkzaamheden worden geacht te vallen onder de hieronder uit te spreken kosten veroordeling.

4.12.

[gedaagde] zal als de voornamelijk in het ongelijk gesteld partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 57.607,56 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

 € 900,00 voor salaris gemachtigde

 € 93,80 voor explootkosten

 € 462,00 voor griffierecht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2015.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature