Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Poging tot zware mishandeling levensgezel en mishandeling.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/661495-14 en 21/000965-12 (vordering tul) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 19 november 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats] (Korea),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2014 en 5 november 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. L.M.F. Aarts, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, waaronder een vordering tot tenuitvoerlegging en van wat verdachte en de raadsvrouwe naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] (zijn levensgezel) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 1 subsidiair: [slachtoffer 1] (zijn levensgezel) heeft mishandeld;

feit 2: [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich hierbij op de bewijsmiddelen, zoals deze zich in het dossier bevinden, en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting. De officier van justitie gaat er daarbij van uit dat, gelet op de ten laste gelegde handelingen onder feit 1, verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 ten laste gelegde handelingen niet gekwalificeerd kunnen worden als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient derhalve ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde

Aangezien verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft bekend, volstaat de rechtbank met betrekking tot dit feit, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering , met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- de aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 17 mei 2014;

- de bekennende verklaring van verdachte.

Bewijsoverweging

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zijn toenmalige levensgezel [slachtoffer 1] bij haar nek heeft opgetild, haar keel heeft dichtgeknepen, haar aan haar haren naar de grond heeft getrokken en toen meermalen tegen haar hoofd en lichaam heeft gestompt en getrapt. Ter hoogte van het hoofd bevinden zich kwetsbare delen van het lichaam. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Deze geweldshandelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 13 juni 2014 te Wijk bij Duurstede is er tussen aangever [slachtoffer 2] en een man een woordenwisseling ontstaan. [slachtoffer 2] verklaart dat hij zag en voelde dat de man hem met kracht met zijn rechterhand in zijn gezicht sloeg. Hij voelde hierdoor een stekende pijn. Getuige [getuige] zag dat de man met zijn vuist [slachtoffer 2] in zijn gezicht sloeg. Door de politie is geconstateerd dat [slachtoffer 2] ten gevolge van de mishandeling een tand door zijn lip had. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat er sprake is geweest van een woordenwisseling en uiteindelijk een handgemeen tussen hem en aangever [slachtoffer 2].

Bewijsoverweging

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 2] in zijn gezicht heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen. De rechtbank acht het onder feit 2 het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1 onder primair:

op 17 mei 2014 te Wijk bij Duurstede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] bij haar nek heeft opgetild en haar keel heeft dichtgeknepen en bij haar haren heeft gepakt en aan haar haren naar de grond heeft getrokken en meermalen op haar oog, althans haar hoofd, en been en onderrug en arm heeft gestompt en getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

feit 2:op 13 juni 2014 te Wijk bij Duurstede opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met kracht met zijn rechterhand in het gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

feit 1 primair: Poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

feit 2: Mishandeling

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1 primair en feit 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Inhoudende -kort gezegd- een meldplicht bij Reclassering Nederland, een ambulante behandelverplichting bij Kade 17, een alcoholverbod en een contactverbod met aangeefster [slachtoffer 1]. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd tot dadelijk uitvoerbaarverklaring van de voorwaarden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte aangevoerd en de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat. De verdediging heeft verzocht tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, onder invloed van alcohol, zijn levensgezel [slachtoffer 1] mishandeld in haar eigen woning. Verdachte heeft hiermee een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank tilt zwaar aan dergelijke feiten. De ervaring leert dat slachtoffers van huiselijk geweld daarvan nog lange tijd gevolgen, zoals gevoelens van onveiligheid en angst, kunnen ondervinden.

Enkele weken later heeft verdachte zich, wederom in beschonken staat, schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2]. Dergelijk zinloos uitgaansgeweld brengt in de maatschappij in het algemeen en bij de bezoekers van uitgaansgelegenheden in het bijzonder gevoelens van onveiligheid teweeg. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Ook rekent de rechtbank verdachte zwaar aan dat hij, wetende wat alcoholgebruik met hem doet, tweemaal in een korte periode toch (overmatig) alcohol heeft genuttigd en daarmee het risico heeft genomen dat hij in situaties zou kunnen geraken waarbij hij tot gewelddadig gedrag kan komen, hetgeen ook is gebeurd.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 september 2014, waaruit blijkt dat verdachte reeds meerdere malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waaronder huiselijk geweld. Tevens liep verdachte ten tijde van het onder feit 2 bewezenverklaarde in een schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis met betrekking tot het onder feit 1 bewezenverklaarde. Dit heeft verdachte kennelijk niet weerhouden van het wederom plegen van een strafbaar feit.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport betreffende verdachte d.d. 16 september 2014, opgemaakt door drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog. Nu verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek, heeft de deskundige geen diagnose kunnen stellen.

Voort heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport betreffende verdachte d.d. 30 juni 2014, opgemaakt door M. Tijhuis. Hieruit volgt dat de reclassering, ondanks reeds gevolgde behandeling, de agressieproblematiek bij verdachte nog onverminderd aanwezig acht. Dit wordt als zorgelijk ervaren. Hij is niet in staat gebleken tot een betere probleemhantering en hij heeft zich niet risicovermijdend opgesteld. Het recidiverisico wordt ingeschat als zijnde hoog, gezien de houding en problematiek van verdachte en de frequentie van delicten. Geadviseerd wordt tot oplegging van bijzondere voorwaarden.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest. Oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, zoals betoogd door de verdediging, acht de rechtbank niet passend. Wel acht de rechtbank een flinke stok achter de deur noodzakelijk om te voorkomen dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Hiertoe zal een gedeelte van de gevangenisstraf, te weten drie maanden, voorwaardelijk worden opgelegd. Aan dit voorwaardelijke strafdeel worden, tevens ter voorkoming van recidive, als bijzondere voorwaarden gekoppeld, -kort gezegd- verplicht reclasseringstoezicht bij Reclassering Nederland, tevens inhoudende een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij Kade 17, een alcoholverbod en een contactverbod met [slachtoffer 1]. Hierbij dient aansluiting te worden gezocht bij het reeds lopende toezicht bij Reclassering Nederland. De proeftijd zal de rechtbank bepalen op twee jaren.

De rechtbank zal bevelen dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er met name op grond van voornoemd reclasseringsadvies, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Tevens acht de rechtbank het in het belang van verdachte dat de uitvoering van de opgelegde bijzondere voorwaarden per omgaande wordt opgepakt.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 27 mei 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 21/000965-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d.

13 september 2012 van het gerechtshof te Arnhem, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte van zeven maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten onder meer op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op drie jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de vordering na voorwaardelijke veroordeling toe te wijzen.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht, gelet op de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte, om verdachte nog een kans te geven en de proeftijd te verlengen met één jaar dan wel de vordering gedeeltelijk toe te wijzen en om te zetten in een werkstraf.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank acht het van belang dat verdachte beseft dat het niet nakomen van de gestelde voorwaarden consequenties heeft en zal daarom de vordering deels toewijzen, te weten gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. De rechtbank acht toewijzing van de gehele vordering evenwel niet passend, gelet op de aard van de feiten en op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank zal voor het resterende deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf de proeftijd, vermeld in het betreffende vonnis, met één jaar verlengen en de vordering voor het overige afwijzen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 14d, 14e, 14f, 14g, 27, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 primair: Poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

feit 2: Mishandeling

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten drie maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren een of meer van de volgende (bijzondere) voorwaarden niet is nagekomen:

Stelt daarbij als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich na zijn veroordeling binnen twee dagen meldt bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt. Hierbij dient aansluiting te worden gezocht bij het reeds lopende toezicht;

5. zich ambulant moet laten behandelen bij de (Forensische) psychiatrie - Kade 17 of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde zal zich dan houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

6. zich gedurende de proeftijd moet onthouden van het gebruik van alcohol, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze voorwaarde zal ondersteund worden door middel van middelencontrole;

7. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 13 september 2012 onder parketnummer 21/000965-12, voor een gedeelte, te weten: gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Verlengt de proeftijd, zoals deze is opgelegd bij genoemd vonnis van 13 september 2012 onder parketnummer 21/000965-12, voor de duur van één (1) jaar.

Wijst de vordering na voorwaardelijke veroordeling voor het overige af.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat het vonnis onherroepelijk is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.A. Bos, voorzitter,

mrs. N.E.M. Kranenbroek en N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Wijk bij Duurstede, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (zijn levensgezel) [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] bij haar nek heeft opgetild en/of haar keel heeft dichtgeknepen en/of bij haar haren heeft gepakt en/of aan haar haren naar de grond heeft getrokken en/of (meermalen) op haar oog, althans haar hoofd, en/of been en/of onderrug en/of arm heeft gestompt en/of getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Wijk bij Duurstede, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend (zijn levensgezel) [slachtoffer 1] bij haar nek heeft opgetild en/of haar keel heeft dichtgeknepen en/of bij haar haren heeft gepakt en/of aan haar haren naar de grond heeft getrokken en/of (meermalen) op haar oog, althans haar hoofd, en/of been en/of onderrug en/of arm heeft gestompt en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 juni 2014 te Wijk bij Duurstede, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (met kracht) met zijn (rechter)hand in het gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nr. PL0900-2014123607(A), bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 39). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 17 mei 2014, met bijlage, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 17 tot en met 23, met name pagina 17 en 19.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 november 2014.

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nr. PL0900-2014153474 (ongenummerd, inhoudende 18 pagina’s), bevinden. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 13 juni 2014, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, pagina 1 tot en met 3, met name pagina 2.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 13 juni 2014, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, pagina 1 en 2.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2014, met bijlage, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, pagina 1 tot en met 3, met name pagina 1.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 november 2014.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature