Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Bedreiging

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/652153-13; 05/730317-11 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 18 maart 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

wonende te [woonplaats 1], [adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M. Oparyk, advocaat te Leerdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

Op 19 mei 2012 te[woonplaats 2] [X] heeft bedreigd;

2 primair:

In de periode van 27 december 2012 tot en met 29 december 2012 te Utrecht de minderjarige [A] heeft onttrokken aan het wettig over haar uitgeoefende gezag;

2 subsidiair:

In de periode van 27 december 2012 tot en met 29 december 2012 in Leerdam, de minderjarige [A], die onttrokken was aan het wettig over haar uitgeoefende gezag, zonder toestemming en medeweten van haar ouders en de crisisopvang Het Meidenhuis naar Leerdam heeft gebracht en haar daar laten verblijven.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Ten aanzien van feit 1:

[X] (hierna: [X]) heeft verklaard dat zijn dochter [A] sinds 2010 verkering heeft met [verdachte] (verder te noemen verdachte). Op 19 mei 2012 was [X] bij de familie [M] op het adres [adres 1] te[woonplaats 2].

Op 21 mei 2012 hoorde de vrouw van [X] dat [O] had gebeld. Ze vertelde dat de vriend van [A] bij de woning van [X] had gestaan en dat hij met een honkbalknuppel tegen de lantaarnpaal en de boompjes in de voortuin had geslagen.

[X] hoorde van [K] dat hij verdachte voor het huis van [X] had zien staan en dat verdachte had geroepen: “Kom naar buiten, dan sla ik je de kop van je romp, kankerlijer.”

[X] verklaarde dat hij zich zeer bedreigd voelde door deze gebeurtenis en heeft daarvan aangifte gedaan.

De getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) heeft verklaard dat hij op 19 mei 2012 in de woning [adres 2] te[woonplaats 2] was. Hij zag dat een jongen uit een auto stapte en met een honkbalknuppel in zijn hand richting de woning [adres 3] liep. Dat is de woning van de familie [X]. Hij hoorde dat het de vriend van [A] was. [getuige 1] zag dat de jongen meerdere malen met de honkbalknuppel op een lantaarnpaal voor de woning sloeg en iets schreeuwde.

[getuige 1] sprak de jongen aan en vroeg wat hij kwam doen. Hij hoorde de jongen zeggen: “Ik kom die teringlijer de hersens inslaan.” Hij zag dat de jongen duidde naar de woning van [X].

De getuige [K] (hierna: [K]) heeft verklaard dat hij zag dat [verdachte] uit zijn auto stapte en hem hoorde zeggen: “Ik sla die kankerlijer zijn kop er af.”

[K] zag dat de getuige [getuige 1] naar [verdachte] liep en dat [verdachte] een honkbalknuppel uit zijn broek haalde. [K] zag dat [verdachte] met de honkbalknuppel enkele malen hard op de lantaarnpaal, welke voor het perceel [adres 3], de woning van de familie [X], sloeg.

Ten aanzien van feit 2:

Op 11 januari 2013 heeft [mevrouw Y] aangifte gedaan. Zij deed aangifte van onttrekking aan het ouderlijk gezag van haar dochter [A], geboren op [1996], en bij haar wonende op het adres [adres 3] te[woonplaats 2]. [A] kreeg ongeveer 3 jaar daarvoor verkering met [verdachte]. Zij was toen net 14 jaar.

[A] is op 8 november 2012 naar het Meidenhuis in Utrecht gegaan. Er werd besloten dat [A] geplaatst zou worden in Friesland. [A] kreeg de keuze of vrijwillig te gaan of anders via een gesloten opvang verder zou worden geholpen. Het laatste gesprek hierover was op 27 december 2012.

De getuige[getuige 2] (hierna: [getuige 2]) heeft verklaard dat zij sinds eind november 2012 in het Meidenhuis woont. Zij werd vriendin van [A].

Op 27 december 2012 tussen 15.00 en 16.00 uur kreeg zij een sms-bericht van [verdachte] met de vraag of het nog doorging. Ze kreeg een tweede sms van [verdachte] dat hij om 17.00 uur klaar zou staan. De volgende ochtend hoorde [getuige 2] dat [A] weg was.

Op 29 december 2012 kreeg [getuige 2] [A] zo ver dat ze met haar wilde afspreken in Vianen. [verdachte] heeft haar daar toen naar toe gebracht. [A] is met [getuige 2] mee naar huis gegaan en zij is toen door de politie opgehaald.

De politie heeft foto’s gemaakt van sms-berichten op de telefoon van de getuige [getuige 2]. In deze berichten, afkomstig van [verdachte] staan de teksten: “[getuige 2] zou je willen vragen aan [A] of het doorgaat?” en “Ik heb alles geregeld”

De verdachte heeft ter zitting van 4 maart 2014 verklaard dat hij [A] in Utrecht bij het Meidenhuis heeft opgehaald, dat hij haar bij een vriend in Leerdam heeft ondergebracht, dat hij een luchtbed voor haar heeft geregeld en dat hij een aantal boodschappen voor haar heeft gedaan, zodat zij daar ook kon blijven.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangiften, de verklaringen van getuigen, de inhoud van sms-berichten en de verklaring van verdachte.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, nu uit de stukken niet gebleken is dat de bedreigde, in casu de heer [X], zich ook daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdediging bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Uit de aangifte is de rechtbank gebleken dat [A] ten tijde van het ten laste gelegde feit nog minderjarig was, dat [mevrouw Y] het wettige gezag over haar had en dat [A] ten tijde van het delict onder het toezicht van het Meidenhuis in Utrecht stond. Verdachte wist dat [A] nog minderjarig was en heeft , zoals hij ter zitting heeft verklaard, gebeld en sms-berichten gestuurd omtrent het ophalen van [A] bij het Meidenhuis in Utrecht, heeft [A] bij het Meidenhuis opgehaald, heeft een verblijfplaats voor haar in Leerdam geregeld en een aantal goederen voor haar gekocht, zodat ze daar ook kon blijven.

De rechtbank is uit het vorenstaande van oordeel dat verdachte daarmee het opzet heeft gehad [A] te onttrekken aan het over haar bevoegde opzicht. Door aldus te handelen heeft verdachte beslissende invloed gehad op de scheiding tussen [A] en het Meidenhuis dat het opzicht over [A] uitoefende. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 19 mei 2012 te[woonplaats 2], gemeente Vianen, [X] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte voor het huis van voornoemde persoon gestaan en heeft hij opzettelijk dreigend het navolgende gezegd:

- “ “Kom naar buiten, dan sla ik je kop van je romp, kankerlijer” en/of

heeft verdachte aldaar tegen [getuige 1] (straatgenoot van voornoemde [X]), opzettelijk dreigend het navolgende gezegd:

- “ “Ik kom die teringlijer zijn hersens in slaan”, en

heeft verdachte daarbij met een honkbalknuppel meermaals tegen de lantaarnpaal voor het huis van voornoemde [X] en meermaals tegen bomen in de voortuin van het huis van voornoemde [X] geslagen,

van welke bedreiging voormelde [X] op 21 mei 2012 te[woonplaats 2] kennis heeft genomen;

2 primair:

in de periode van 27 december 2012 tot en met 29 december 2012 in de gemeente Utrecht, opzettelijk een minderjarige, te weten [A], geboren [1996], heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen [A] ondergebracht in Leerdam.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

1.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2 primair:

Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gestelde gezag

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat [A], toen hij haar in Utrecht bij Het Meidenhuis had opgehaald, zichzelf iets wilde aandoen, zodat hij geen andere mogelijkheid zag dan [A] mee te nemen naar Leerdam en haar bij een vriend in huis onder te brengen.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat in casu op geen enkele wijze gebleken is dat aan de criteria voor noodweer is voldaan.

Zo de verdediging heeft bedoeld een beroep te doen op noodtoestand dan wel psychische overmacht, overweegt de rechtbank dat de verdediging daarvoor geen, in ieder geval onvoldoende argumenten heeft aangevoerd.

De rechtbank verwerpt dan ook het door de verdediging gevoerde verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met [A] en haar ouders. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarde gevorderd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [mevrouw Y] en de heer [X] deels worden toegewezen tot respectievelijk 350 euro en 500 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De benadeelde partijen dienen voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.

Ten slotte heeft de officier van justitie de toewijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling gevorderd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om verdachte, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van enig feit komt, niet te veroordelen tot een gevangenisstraf. Daarbij heeft de verdediging gewezen op het advies van de reclassering, de ouderdom van de zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De verdediging heeft daarnaast bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen en de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [X], de vader van [A] met wie verdachte een relatie had. Verdachte was door de vader van [A] gezegd dat hij niet van de relatie tussen zijn dochter en verdachte gediend was. Verdachte is hier kennelijk kwaad om geworden en is op 19 mei 2012 naar de woning van [X] gereden. Getuige [K] heeft verdachte daar horen roepen dat [X] niet tussen hem en [A] moest komen. Voor die woning heeft verdachte bedreigende woorden geuit terwijl hij bewapend was met een honkbalknuppel. Verschillende getuigen hebben op grond van wat zij verdachte zagen doen en hoorden zeggen voor de woning van [X] geconcludeerd dat verdachte het op [X] had gemunt. Toen [X] hiervan twee dagen later hoorde, vatte hij dit handelen als een bedreiging op.

Verdachte heeft met zijn handelen gezorgd voor overlast en gevoelens van angst en onveiligheid bij die [X], diens gezin en bij bewoners van de straat waar [X] woont.

Verder heeft verdachte [A] onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag, te weten haar ouders, en aan het crisiscentrum Het Meidenhuis, die op dat moment belast was met het opzicht over [A]. Verdachte heeft daarmee gezorgd voor grote onrust bij de ouders en de medewerkers van het crisiscentrum en hen in het ongewisse gelaten over hoe het met [A] was en waar zij zich bevond. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken een Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte d.d. 28 januari 2014 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van geweldsmisdrijven als thans onder 1 bewezen is verklaard.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 24 september 2013 waarin wordt vermeld dat verdachte last heeft van angstaanvallen en sombere gevoelens, Deze zouden zijn versterkt sinds zijn aanhouding en verblijf in een politiecel voor deze zaak.

Het lijkt de vraag of verdachte beschikt over voldoende zelfinzicht. Verdachte voelt zich zelf ook slachtoffer in deze zaak.

Verdachte is een hardwerkende jongeman en . hij heeft sinds een aantal maanden een nieuwe relatie die als stabiel wordt ervaren. Verdachte lijkt geheel afstand te hebben genomen van de relatie met [A] en haar ouders.

Factoren die tot het delict hebben geleid, lijken vooral gelegen te hebben in de thans voorbije relatie en wellicht in de emotionele onvolwassenheid van verdachte.

Het recidiverisico wordt als matig ingeschat. Een verplicht reclasseringstoezicht wordt niet zinvol geacht.

Geadviseerd wordt om aan verdachte een werkstraf op te leggen, waarbij geen bijzondere voorwaarden zijn geïndiceerd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur gelijk aan het voorarrest passend is. Daarnaast zal de rechtbank een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf opleggen en een werkstraf van 240 uur. Bij het bepalen van deze straffen speelt enerzijds een rol dat het in casu gaat om een kwetsbaar minderjarig slachtoffer en het verwijtbaar handelen van verdachte en anderzijds de nog jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de delicten. Verdachte maakt ook thans nog geen volwassen indruk, lijkt weinig zelfinzicht te hebben en lijkt de gevolgen van zijn daden niet te (kunnen) overzien.

De rechtbank acht het opleggen van een contactverbod met [A] en haar ouders niet aangewezen, nu niet is gebleken dat verdachte na de bewezenverklaarde delicten nog contact heeft (gezocht) met [A] en/of haar ouders. De vordering van de officier van justitie zal op dat punt worden afgewezen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De behandeling van de vorderingen van[mevrouw Y] en van de heer [X] leveren niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het hiervoor onder 1 en./of 2 primair bewezen geachte feiten rechtstreeks schade hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat er (voldoende) rechtstreeks verband bestaat tussen de gepleegde feiten en de geleden immateriële schade.

De rechtbank waardeert deze voor [mevrouw Y] op € 350,00 (driehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 27 december 2012, zijnde de dag waarop verdachte [A] opzettelijk heeft onttrokken aan het over haar bevoegde opzicht.

De rechtbank waardeert de schade voor de heer [X] op € 500,00 (vijfhonderd euro), te weten € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf 19 mei 2012, zijnde de dag van de bedreiging door verdachte aan de heer [X], en € 350,00, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 27 december 2012, De vorderingen kunnen dan ook tot die bedragen worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partijen worden voor het overig deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, omdat onvoldoende rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde delicten is aangetoond.

De benadeelde partijen kunnen de vorderingen voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 3 januari 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 05/730317-11, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 26 maart 2012 van de kinderrechter te Arnhem, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 179 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen, zoals de ze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2 primair:

Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gestelde gezag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van TWEEËNDERTIG (32) DAGEN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten DERTIG (30) DAGEN, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2(twee) jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van TWEEHONDERDENVEERTIG (240) UREN, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van HONDERDENTWINTIG (120) dagen.

Wijst de vordering van[mevrouw Y] toe tot een bedrag van € 350,00 (zegge driehonderdenvijftig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 december 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan[mevrouw Y] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van[mevrouw Y] € 350,00 (zegge driehonderdenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 december 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 7 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de heer [X] toe tot een bedrag van in totaal € 500,00 (zegge vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te weten € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2012, en € 350,00 (driehonderdenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 december 2012, beide tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de heer [X] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de heer [X], € 500,00 (zegge vijfhonderd euro), te weten € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2012, en € 350,00 (driehonderdenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 december 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van respectievelijk 3 en 7 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 26 maart 2012 namelijk een werkstraf voor de duur van zestig (60) uren subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.L.M. van Opstal, voorzitter,

mrs. M.C. Oostendorp en V. van Dam, rechters,

in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 19 mei 2012 te[woonplaats 2], gemeente Vianen, althans in

Nederland, [X], geboren op [1962], (telkens)

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte voor het huis van voornoemd persoon

gestaan en heeft hij opzettelijk voornoemde persoon dreigend het navolgende

gezegd:

- " Kom naar buiten, dan sla ik de kop van je romp, kankerlijer," althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking; en/of

- " Ik sla die kankerlijer zijn kop eraf," althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking; en/of

heeft verdachte aldaar [getuige 1] (straatgenoot van voornoemde [X]

[X]), geboren op [1958], opzettelijk dreigend het navolgende

gezegd:

- " Ik kom die teringlijer de hersens in slaan", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking; en/of

heeft verdachte (daarbij) met een honkbalknuppel (meermaals) tegen de

lantaarnpaal voor het huis van voornoemde [X] en/of (meermaals) tegen

bomen in de voortuin van het huis van voornoemde [X] geslagen;

van welke bedreiging voormelde [X] op 21 mei 2012 te[woonplaats 2] kennis

heeft genomen.

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 27 december 2012 tot en met 29 december

2012 in de gemeente Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een

minderjarige, te weten [A], geboren [1996], heeft

onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het

opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende,

immers heeft verdachte daar toen [A] ondergebracht in Leerdam,

althans in Nederland.

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 27 december 2012 tot en met 29 december

2012 in Leerdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te

weten [A], geboren [1996], die onttrokken is of zich

onttrokken heeft aan het wettelijk over haar gesteld gezag, heeft verborgen,

immers heeft verdachte voornoemde [A] opzettelijk zonder

toestemming en/of medeweten van [mevrouw Y] (moeder), geboren op [1964]

[1964], en/of [X] (vader), geboren op [1962], en/of

crisisovang Het Meidenhuis (alwaar voornoemde [A] verbleef),

ondergebracht in Leerdam, althans in Nederland, althans gebracht of laten

verblijven voor een voor voornoemde [mevrouw Y] en/of voornoemde [X]

[X] (vader) en/of voornoemd Meidenhuis onbekend adres.

art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Proces-verbaal nr. PL0960 2012115860-1, blz. 3-5, proces-verbaal van aangifte door [X]

Proces-verbaal nr. PL0960 2012115860-6, blz.13 en 14, proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1]

Proces-verbaal nr. PL0960 2012115860-10, blz. 17 en 18, proces-verbaal van verhoor getuige [K]

Proces-verbaal nr. PL0910 2013009562-1, blz. 34-36, proces-verbaal van aangifte door [mevrouw Y]

Proces-verbaal nr. PL0910 2013009562-7, blz. 42-43, proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 2]

Proces-verbaal nr. PL0910 2013009562-7, blz. 49 en 51, bijlagen bij het proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 2]

Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 4 maart 2014


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature