Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

mishandeling

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661571-13 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 augustus 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [1990],

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Nieuwegein” te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. Y. Taghi, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: [slachtoffer](verkeersregelaar) zwaar heeft mishandeld;

subsidiair: heeft geprobeerd die [slachtoffer] zwaar te mishandelen;

meer subsidiair: die [slachtoffer] heeft mishandeld.

Feit 2: [slachtoffer](verkeersregelaar) heeft mishandeld.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] de geneeskundige verklaring van [slachtoffer]en de

getuigenverklaringen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en voert daartoe aan dat er geen sprake is van opzet op zware mishandeling dan wel een poging daartoe, ook niet in voorwaardelijke zin. In de visie van de verdediging rechtvaardigt hetgeen zich heeft afgespeeld - de beperkte afstand tussen aangever en het voertuig, de zeer geringe snelheid waarmee verdachte in de richting van aangever reed, de korte afstand die verdachte heeft gereden met aangever op de motorkap, het feit dat verdachte geen rare manoeuvres heeft gemaakt en het feit dat verdachte uit eigen initiatief het voertuig heeft gestopt waardoor aangever uit eigen beweging van de motorkap kon afstappen - niet de conclusie dat het de bedoeling van verdachte was om opzettelijk aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen noch dat verdachte naar menselijke ervaringsregels zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

De verdediging heeft geen opmerkingen ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair ten

laste gelegde.

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van feit 2 wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verdediging voert daartoe aan dat de verklaring van aangever dat hij is geslagen en/of gestompt door verdachte geen ondersteuning vindt in het dossier, ook niet in de medische verklaring.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak

Feit 1 primair

De rechtbank heeft noch uit het onderzoek ter terechtzitting noch door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer]. Het letsel dat aangever heeft opgelopen (onder andere een gebroken rechterenkel, bandletsel aan de linkerenkel en kneuzingen) is weliswaar zeer aanzienlijk, maar kan, gelet op de periode van herstel, niet als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt, in de betekenis die daar volgens de wet en de jurisprudentie aan moet worden toegekend. Verdachte behoort dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder feit 1 primair.

4.3.2

Feiten en omstandigheden

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 subsidiair en feit 2 heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij op 5 juni 2013 op de Graadt van Roggenweg te Utrecht met een door hem bestuurde auto is ingereden op een verkeersregelaar, ten gevolge waarvan die verkeersregelaar op de motorkap van de auto is terechtgekomen terwijl hij enkele meters met die verkeersregelaar op de motorkap van de auto is doorgereden.

Aangever [slachtoffer]heeft verklaard dat hij werkzaam is als verkeersregelaar. Hij bevond zich op 5 juni 2013 op de Graadt van Roggenweg te Utrecht. Op een gegeven moment zag aangever dat er een personenauto, merk Volkswagen, type Golf of Polo, kleur zwart, stil stond op de Graadt van Roggenweg ter hoogte van de Koningsbergerstraat. Aangever zag en hoorde dat de bestuurder een agressieve houding had. Hij heeft tegen de bestuurder gezegd dat hij niet linksaf mocht slaan. Aangever is voor de auto gaan staan en heeft de bestuurder gezegd dat hij achteruit moest rijden, omdat hij zijn weg richting de Koningsbergerstraat niet mocht vervolgen. Aangever stond bijna tegen de voorzijde van de auto aan. De afstand tussen aangever en de auto was nog geen halve meter. Aangever zag dat de bestuurder hem recht in de ogen aankeek en zag de agressie in zijn ogen. Vervolgens hoorde aangever vanuit de auto het geluid van gas geven. Aangever zag dat de auto recht op hem afreed. Aangever is op de motorkap van de auto gesprongen. Aangever zag dat de bestuurder de auto over de Graadt van Roggenweg reed. Aangever zag en hoorde dat de bestuurder op de rem van de auto trapte. Doordat de bestuurder remde, viel aangever achterover van de motorkap. Aangever zag en voelde dat hij met beide voeten als eerst terecht kwam op de grond. Aangever zag en voelde dat hij hierna door de snelheid van de val op zijn rug viel. Toen hij met zijn rug op de grond lag en omhoog keek zag hij dat de bestuurder uit zijn auto stapte en op aangever af kwam rennen. Aangever zag dat de bestuurder boven hem ging staan. Hij zag dat de bestuurder hem met gebalde vuisten probeerde te slaan. Aangever zag en voelde dat een aantal vuisten op zijn schouders terecht kwamen. Aangever had erg veel pijn in beide enkels. Hij had vooral last van zijn rechterenkel. Tevens had hij pijn in zijn linkerarm ter hoogte van zijn elleboog. Ook heeft aangever een pijnlijke schouder aan het incident overgehouden.

Getuige [B]heeft verklaard dat zij zich op 5 juni 2013 bevond op het trottoir van de Graadt van Roggenweg te Utrecht. De getuige zag dat er op de rijbaan, stad inwaarts, een kleine donkere auto stond. Zij zag dat de verkeersregelaar zich zodanig opstelde dat de man in de kleine donkere auto niet de trambaan over kon steken. De getuige zag vervolgens dat de kleine donkere auto optrok en tegen de verkeersregelaar aan reed. De getuige zag dat de verkeersregelaar op de motorkap van de kleine donkere auto terecht kwam en dat hij enkele meters op de motorkap werd meegenomen door deze man. Zij zag dat de man de kleine donkere auto tot stilstand bracht. De getuige zag dat de man achter het stuur vandaan kwam en op de verkeersregelaar af liep. Zij zag dat deze man met beide tot vuist gebalde handen slaande bewegingen maakte in de richting van de verkeersregelaar.

Op 5 juni 2013 hoorde verbalisant [C]de centralist zeggen dat er een verkeersregelaar gemolesteerd werd ter hoogte van de kruising met de Koningsbergerweg te Utrecht. Verbalisant hoorde dat er een zwarte Volkswagen Polo bij betrokken zou zijn die nog op de weg geparkeerd zou staan. De verbalisant zag ter plaatse de eerder genoemde Volkswagen Polo. Hij zag dat een verkeersregelaar, naar later bleek aangever [slachtoffer], naar hem toe kwam lopen. De verbalisant zag dat deze man moeilijk liep en emotioneel was en hem met trillende stem aansprak. Verbalisant hoorde aangever verklaren dat de bestuurder van de Volkswagen Polo niet voldeed aan een stopteken en gas gaf waardoor aangever omver werd gereden en enkele meters mee was gesleurd op de motorkap van de Volkswagen Polo. Verbalisant zag dat aangever een vermoedelijk Marokkaanse man aanwees die nabij een hekwerk stond direct naast de trambaan gelegen. Verbalisant deelde deze man mede dat hij was aangehouden. Deze man bleek op het politiebureau te zijn genaamd, [verdachte], geboren op [1990] te [geboorteplaats], zijnde verdachte.

4.3.3

Aanvullende bewijsoverweging opzet

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet de bedoeling had om aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen noch naar menselijke ervaringsregels zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de aanwijzingen hem gegeven door aangever die als verkeersregelaar werkzaam was, heeft genegeerd. Verdachte heeft zich agressief gedragen tegenover aangever. Toen aangever voor de auto heeft gestaan om verdachte te beletten om linksaf te slaan heeft verdachte gas gegeven, is op aangever ingereden en heeft aangever ook daadwerkelijk aangereden. Aangever, die geen kant op kon, is op de motorkap van de auto gesprongen. Verdachte heeft met aangever op de motorkap enkele meters gereden en is vervolgens abrupt tot stilstand gekomen. Verdachte heeft aangever hierbij zeer aanzienlijk letsel toegebracht, zo blijkt uit de verklaring van aangever en uit de geneeskundige verklaring.

Naar het oordeel van de rechtbank is het hiervoor omschreven handelen van verdachte, het met een gemotoriseerd voertuig inrijden op een onbeschermde en dus kwetsbare verkeersdeelnemer, naar de uiterlijke verschijningsvormen zo gericht op een bepaald gevolg, namelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, willens en wetens heeft aanvaard. Verdachte heeft daarmee in ieder geval opzet in voorwaardelijke zin gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Dit volgt ook uit de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting dat het incident nog veel erger had kunnen aflopen. De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door het feit dat verdachte, nadat hij was afgeremd en aangever op de grond was terechtgekomen, uit zijn auto is gestapt, op aangever is afgelopen en hem met gebalde vuisten heeft geslagen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 5 juni 2013 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een

personenauto in te rijden in de richting van die [slachtoffer] en door deze [slachtoffer] mee te slepen op de motorkap van de auto en door hard te remmen terwijl die [slachtoffer] op de motorkap lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 5 juni 2013 te Utrecht opzettelijk mishandelend [slachtoffer](verkeersregelaar) met gebalde vuist heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

Feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

Feit 2: mishandeling.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair en feit 2 vrijspraak bepleit. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 meer subsidiair verzocht om verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis al dan niet in combinatie met een werkstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank acht het bewezen verklaarde een ernstig feit. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door als bestuurder van een personenauto op een verkeersregelaar in te rijden en deze verkeersregelaar enkele meters op de motorkap mee te sleuren. Verdachte heeft achteloos en zonder zich te bekommeren om het welzijn van deze verkeersregelaar, het door hem bestuurde motorrijtuig gebruikt als wapen om zich een weg te banen. Dat verdachte geen (blijvend) zwaar lichamelijk letsel aan de verkeersregelaar heeft toegebracht is niet aan verdachte te danken. Voorts heeft verdachte nadat hij had afgeremd en aangever op de grond lag - aangever met gebalde vuisten geslagen. Het gedrag van verdachte getuigt van disrespect voor de lichamelijke integriteit van een ander. Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Ook het feit dat zijn optreden gericht was tegen een verkeersregelaar, die juist werkzaam is ter bevordering van de veiligheid in het verkeer, werkt strafverzwarend. Verkeersregelaars dienen beschermd te worden tegen agressie en geweld van mensen die hun aanwijzingen negeren.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 juni 2013 waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven.

- een hem betreffend rapport van Reclassering Nederland d.d. 12 augustus 2013 en een aanvulling daarop d.d. 15 augustus 2013, opgemaakt door H. van Benthem, reclasseringswerker, inhoudende het advies om aan verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen en waarbij is aangegeven dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een werkstraf.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Deze beperkte duur van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf maakt het mogelijk dat verdachte in september 2013 zijn opleiding verder kan vervolgen. Gelet op die beperkte duur in verhouding tot de ernst van het feit zal de rechtbank daarnaast aan verdachte een werkstraf opleggen van 80 uren.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en gelet op het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

feit 2: mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.D. Kleijne, voorzitter, mrs. M.A.A.T. Engbers en C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 augustus 2013.

Mr. G.D. Kleijne is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen. BIJLAGE: De tenlastelegging

1.

Primair

dat hij op of omstreeks 5 juni 2013 te Utrecht,

aan [slachtoffer](verkeersregelaar),

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken enkel en/of een beschadigde/gescheurde enkelband), heeft toegebracht,

door opzettelijk met een (personen)auto (met hogere snelheid dan gelet op de

situatie ter plaatse verantwoord was) op deze [slachtoffer] in te rijden,

althans (terwijl die [slachtoffer] vlak voor, althans in de directe nabijheid van die

auto stond), (met hogere snelheid dan gelet op de situatie ter plaatse

verantwoord was) in de richting van die [slachtoffer] is gereden en/of door deze

[slachtoffer] mee te slepen op de motorkap van de auto en/of door hard te remmen

terwijl die [slachtoffer] op de motorkap lag;

Subsidiair

dat hij op of omstreeks 5 juni 2013 te Utrecht ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een

(personen)auto (met hogere snelheid dan gelet op de situatie ter plaatse

verantwoord was) in te rijden, althans (terwijl die [slachtoffer] vlak voor, althans

in de directe nabijheid van die auto stond), (met hogere snelheid dan gelet op

de situatie ter plaatse verantwoord was) in de richting van die [slachtoffer]

is gereden en/of door deze [slachtoffer] mee te slepen op de motorkap van de auto

en/of door hard te remmen terwijl die [slachtoffer] op de motorkap lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 05 juni 2013 te Utrecht, opzettelijk gewelddadig

mishandelend [slachtoffer], met een (personen)auto (met hoge snelheid) op deze

[slachtoffer] is ingereden, althans (terwijl die [slachtoffer] vlak voor, althans in de

directe nabijheid van die auto stond), (met hogere snelheid dan gelet op de

situatie ter plaatse verantwoord was) in de richting van die [slachtoffer] is gereden

en/of deze [slachtoffer] heeft meegesleept op de motorkap van de auto en/of hard

heeft afgeremd, terwijl die [slachtoffer] op de motorkap lag,

waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 05 juni 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

opzettelijk mishandelend [slachtoffer](verkeersregelaar) met gebalde vuist heeft

gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en /

of pijn heeft ondervonden.

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 augustus 2013.

Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer]nr. PL0910 2013124155-1, van het proces-verbaal nr. PL091A 2013124155.

Schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] d.d. 8 augustus 2013.

Proces-verbaal verhoor getuige [B]nr. PL0910 2013124155-8, van het proces-verbaal nr. PL091A 2013124155.

Proces-verbaal van bevindingen nr. PL0910 2013124155-2, van het proces-verbaal nr. PL091A 2013124155.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature