Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

''(...)

Het geschil

[eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van

€ 17.000,--, met wettelijke rente en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Zij stelt daartoe dat zij recht heeft op betaling van de helft van het bedrag dat de woning meer heeft opgebracht dan € 185.000,--, nu de woning binnen een jaar na 7 juli 2005 is verkocht. Dat de levering na 7 juli 2006 heeft plaatsgevonden, is volgens haar niet relevant omdat in de afspraak tussen partijen steeds is uitgegaan van het moment van de verkoop en niet van de levering. Om onduidelijke redenen is in de notariële akte de passage “verkoop en in eigendom overgedragen (waaronder begrepen overdracht in economische zin)” opgenomen. Dit is echter in strijd met de gemaakte afspraken.

[eiseres] stelt voorts dat – voor zover de regeling zoals opgenomen in de akte van verdeling rechtsgeldig zou zijn – [gedaagde] daar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op kan doen. In dit verband wijst zij op de e-mail van [gedaagde] van 2 oktober 2005, het feit dat de verkoopovereenkomst van de woning reeds eind 2005 is gesloten terwijl de notariële overdracht heeft plaatsgevonden op de eerste werkdag na 7 juli 2006 en het feit dat [gedaagde] in de tussenliggende tijd een nieuwe woning heeft gekocht die op 2 maart 2006 aan hem is geleverd.

(...)''

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

53577HA ZA 06-35353577HA ZA 06-35314 maart 2007

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 53577 / HA ZA 06-353

Vonnis van 14 maart 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Lewedorp, gemeente Borsele,

eiseres,

procureur mr. W. Tiggelaar,

tegen

[gedaagde],

wonende te Lewedorp, gemeente Borsele,

gedaagde,

procureur mr. C.J. IJdema.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Bij tussenvonnis van 18 oktober 2006 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 18 december 2006. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. De echtscheidingsbeschikking is op 15 april 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Tot de boedel behoorde de voormalig echtelijke woning aan de [adres] te Lewedorp, hierna: de woning.

2.2. Partijen hebben mr. Ph. Van Kampen opdracht verstrekt om te bemiddelen bij het opstellen van een echtscheidingsconvenant. Zij hebben daartoe met hem een bemiddelingsovereenkomst gesloten volgens het model van de Vereniging van Familierecht Advocaten en –Scheidingsbemiddelaars (VFAS). Op 3 januari 2005 hebben zij een bespreking met mr. Van Kampen gehad, waarover hij bij brief van 10 januari 2005 aan hen verslag heeft gedaan. Mr. Van Kampen schrijft daarin:

“De vrouw stelt voor in het te sluiten convenant een bepaling op de nemen uit hoofde waarvan, indien de woning binnen één jaar na ondertekening van het convenant bij verkoop meer opbrengt dan € 185.000,--, aan haar de helft van het meerdere toekomt. De man stemt daarmee in.”

2.3. Partijen hebben een aantal van de reeds door hen gemaakte afspraken vastgelegd in een handgeschreven, door beide partijen op 4 ([eiseres]) respectievelijk 16 ([gedaagde]) januari 2005 ondertekende verklaring. Hierin is opgenomen:

“woning: [adres], [adres] Lewedorp, wordt thans bewoond door Arjan. Hij zal hier ook blijven wonen. De taxatie (en vermeende) onderhandse verkoopwaarde bedraagt € 185.000,--.

Deze waarde, verminderd met de hypothecaire schuld (€ 113.000,--) wordt als uitgangspunt genomen voor de verdeling van de overwaarde. Met dien verstande dat, wanneer de woning binnen 1 jaar na ondertekening convenant wordt verkocht, de meerwaarde óók zal worden gedeeld.”

2.4. In het kader van de echtscheidingsbemiddeling heeft mr. Van Kampen een echtscheiding convenant opgesteld, dat partijen op 7 maart 2005 hebben ondertekend. Ten aanzien van de echtelijke woning is daarin opgenomen:

“De onroerende zaak aan de [adres] te Lewedorp, gemeente Borsele, verder: “de woning” waarvan de waarde door taxateur Eric Kole is gesteld op € 185.000,-- wordt toegedeeld aan de man tezamen met de aan deze woning verbonden hypothecaire kredieten bij PVF, groot 113.445,05.

(…)

Uit hoofde van de verdeling van de woning en de hypotheek is de man aan de vrouw een uitkering verschuldigd groot € 35.777,--. De man zal dit bedrag voldoen op het moment van de notariële toedeling van de woning aan de vrouw door tijdige storting van dit bedrag op de rekening van de in artikel 2.15 genoemde notaris. ”

2.5. In een brief van 31 mei 2005 schrijft mr. Van Kampen:

“Overigens zie ik dat een andere afspraak, door mij vastgelegd in mijn brief/gespreksverslag d.d. 10 januari aan u door mij ten onrechte niet in het convenant is opgenomen. Het betreft de afspraak dat in geval van verkoop van de woning binnen een jaar de helft van een eventuele hogere opbrengst aan mevrouw dient te worden uitgekeerd. Ik stel voor dat u mij, door een enkel woord nog eens bevestigt dat deze afspraak tussen u beiden heeft te gelden waarop de woning notarieel verdeeld zou moeten kunnen worden.”

2.6. Op 7 juli 2005 is de notariële akte van verdeling gepasseerd waarbij de woning aan [gedaagde] is geleverd. In die akte is de volgende bepaling opgenomen:

“De man en de vrouw zijn overeengekomen dat indien de man het voornoemde registergoed binnen een jaar na de datum in het hoofd deze akte verkoopt en in eigendom overdraagt (waaronder begrepen overdracht in economische zin) en de verkoopopbrengst ligt boven een waarde van € 185.000,--, dan komt aan de vrouw toe de helft van die meeropbrengst. De man dient aan de vrouw zo spoedig mogelijk na de eigendomsoverdracht bij een notaris, aan de vrouw het aan haar toekomende bedrag uit te keren op een door haar op te geven bankrekening.”

2.7. [gedaagde] heeft op 2 oktober 2005 aan [eiseres] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

“Hoi,

Wil je over het volgende goed nadenken. Wij willen het huis te koop zetten want we hebben een ander huis op het oog. Samen willen we iets voor ons beiden en niet in een huis wonen waar iemand anders ook heeft gewoond.

Gezien de huizenmarkt in Lewedorp slecht is willen we zo snel mogelijk verkopen en het geld in het andere huis steken. Daarvoor moet ik wel een overbruggingshypotheek nemen. Dan het volgende: stel ik verkoop het huis voor meer dan 185000 dan zit ik weer met het feit dat jij er ook nog een deel van moet hebben. Dat geld heb ik hard nodig om de andere financiering rond te krijgen. Dus dacht ik dan zet ik het nu te koop en de volgende eigenaar kan er pas na 7 juli 2006 in dan zit ik ook niet met het probleem dat ik eventueel weer geld moet afdragen.

Voorstel:

ik zet het nu te koop en als de verkoop na 7 juli 2006 is, krijg je bijvoorbeeld een afgesproken bedrag van max 2000 euro

of de koop kan pas na 7 juli 2006 en krijg je helaas geen bedrag.

Ik wil je in geen gevallen benadelen dus laat ik de keus aan jouw.

Arjan.”

[eiseres] heeft hierop bij e-mail van dezelfde datum als volgt gereageerd:

“Hoi Arjan,

Het lijkt mij het beste het maar gewoon te laten bij de afspraak die we destijds hebben gemaakt.

Groetjes van Francis”.

2.8. Bij overeenkomst van 30 november 2005 heeft [gedaagde] de woning verkocht voor een bedrag van € 219.00,--. De levering vond plaats op 10 juli 2006.

Het geschil

[eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van

€ 17.000,--, met wettelijke rente en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Zij stelt daartoe dat zij recht heeft op betaling van de helft van het bedrag dat de woning meer heeft opgebracht dan € 185.000,--, nu de woning binnen een jaar na 7 juli 2005 is verkocht. Dat de levering na 7 juli 2006 heeft plaatsgevonden, is volgens haar niet relevant omdat in de afspraak tussen partijen steeds is uitgegaan van het moment van de verkoop en niet van de levering. Om onduidelijke redenen is in de notariële akte de passage “verkoop en in eigendom overgedragen (waaronder begrepen overdracht in economische zin)” opgenomen. Dit is echter in strijd met de gemaakte afspraken.

[eiseres] stelt voorts dat – voor zover de regeling zoals opgenomen in de akte van verdeling rechtsgeldig zou zijn – [gedaagde] daar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op kan doen. In dit verband wijst zij op de e-mail van [gedaagde] van 2 oktober 2005, het feit dat de verkoopovereenkomst van de woning reeds eind 2005 is gesloten terwijl de notariële overdracht heeft plaatsgevonden op de eerste werkdag na 7 juli 2006 en het feit dat [gedaagde] in de tussenliggende tijd een nieuwe woning heeft gekocht die op 2 maart 2006 aan hem is geleverd.

2.2. [gedaagde] stelt primair dat de stukken waar [eiseres] zich op beroept krachtens artikel 4.1 van de bemiddelingsovereenkomst vertrouwelijk zijn. Deze stukken dienen daarom buiten beschouwing te blijven. Voorts betwist hij dat partijen in het kader van de echtscheidingsbemiddeling overeenstemming hebben bereikt over een meerwaardebeding. Zo’n beding staat immers niet in het echtscheidingsconvenant. Hij verwijst daarbij naar artikel 3.1 van het convenant waarin staat dat een overeenkomst pas tot stand komt door ondertekening van het convenant en dat voorstellen, toezeggingen e.d. in het kader van de bemiddeling partijen niet binden. Partijen zijn pas na ondertekening van het convenant in overleg getreden over een meerwaardebeding. [gedaagde] heeft toen na uitvoerig onderhandelen met [eiseres] ingestemd met de bepaling zoals opgenomen in de notariële akte. Het concept daarvan is vooraf aan partijen ter goedkeuring toegezonden en [eiseres] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het daarin opgenomen meerwaardebeding. De tekst van dat beding is helder en laat geen andere interpretatie toe.

[gedaagde] wilde de woning aanvankelijk pas in augustus 2006 aan de nieuwe eigenaars leveren omdat hij nog een nieuwe woning moest vinden. Na aankoop van een nieuwe woning bleek het noodzakelijk te zijn om een aantal rigoureuze verbouwingen uit te voeren. Hierdoor was het noodzakelijk dat hij nog tot eind juni in de woning bleef wonen. Op verzoek van de kopers vond de levering op 10 juli 2006 plaats.

[gedaagde] is tenslotte van mening dat het beroep van [eiseres] op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid dient te worden afgewezen.

De beoordeling

De rechtbank passeert het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] in deze procedure geen beroep mag doen op stukken die ingevolge artikel 4.1. van de bemiddelingsovereenkomst als vertrouwelijk zijn aangemerkt.

Artikel 4.3 van het convenant bepaalt immers dat artikel 4.1. niet geldt indien tussen partijen een convenant tot stand is gekomen en tussen hen een procedure wordt gevoerd over de interpretatie en/of de uitvoering daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke situatie sprake. Ter comparitie heeft [gedaagde] immers – in tegenstelling tot hetgeen hij bij conclusie van antwoord heeft gesteld – erkend dat hij met [eiseres] is overeengekomen dat in het echtscheidingsconvenant een meerwaarde beding zou moeten komen en dat mr. Van Kampen kennelijk vergeten is dat daarin op te nemen. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet redelijk om de uitleg van een abusievelijk niet opgenomen beding buiten de werking van artikel 4.3. van het convenant te laten. De rechtbank zal dus op alle overgelegde stukken acht slaan.

4.2. De inhoud van artikel 3.1. van de bemiddelingsovereenkomst kan er naar het oordeel van de rechtbank niet toe leiden dat partijen niet gebonden zijn aan de overeenkomst die zij ten aanzien van de meerwaarde hebben gesloten. Een redelijk uitleg van artikel 3.1 houdt in dat dit van toepassing is in een situatie waarbij in het kader van de bemiddeling voorstellen, toezeggingen e.d. zijn gedaan die uiteindelijk niet tot een overeenkomst hebben geleid. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Partijen hebben immers wel overeenstemming bereikt maar in het convenant is dit deel van de door hen gemaakte afspraken onbedoeld niet opgenomen.

4.3. De vraag dient derhalve te worden beantwoord wat de inhoud is van de tussen partijen gemaakte afspraak over de verdeling van de meerwaarde. Voor de beantwoording van die vraag is de tekst van de notariële akte van verdeling wel van belang, maar niet doorslaggevend. Ook dient te worden gekeken naar de betekenis die partijen redelijkerwijs aan die tekst mochten geven en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dat verband hecht de rechtbank belang aan het feit dat noch in de handgeschreven verklaring van januari 2005, noch in de brief van mr. Van Kampen is vermeld dat het moment van levering van de woning beslissend zou zijn. Voorts is relevant dat [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard dat hij daar geen verklaring voor heeft en dacht dat verkoop en levering hetzelfde waren. Daarnaast heeft [gedaagde] verklaard dat tussen het moment van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant en het passeren van de notariële akte nog wel telefonisch en e-mail contact is geweest tussen partijen, maar dat hij zich niet precies kan herinneren wat er toen over het meerwaardebeding is afgesproken.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat partijen in de periode voor het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat de meerwaarde van de woning zou worden verdeeld indien binnen een jaar na het passeren van de akte van verdelen de woning voor een hoger bedrag dan € 185.000,-- zou worden verkocht. Het moment van levering is derhalve niet relevant. Die overeenkomst is nadien niet gewijzigd, zodat geconcludeerd moet worden dat de weergave daarvan in de notariële akte niet overeenstemt met de inhoud van de overeenkomst. [gedaagde] mocht er derhalve redelijkerwijs niet vanuit gaan dat hij met de verkoop vóór en levering na 7 juli 2006 niet gehouden was tot betaling aan [eiseres] van de helft van de meerwaarde boven het bedrag van € 185.000,--.

De vordering dient derhalve worden toegewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 17.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 juli 2006 tot aan de dag van betaling;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding welke aan de zijde van [eiseres] tot aan dit moment worden begroot op € 248,-- wegens griffierecht, € 84,87 wegens overige verschotten en € 904,-- wegens procureurssalaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Graaf en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2007.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature