Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

juridische bijstand

Uitspraak



RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 31 mei 2006 in de zaak van:

rolnr: 05/139

[[eiser]

wonende te Vlissingen,

eiser,

advocaat: mr. R.A.C.M. van Dijk,

procureur: mr. J.A.M. Dietvorst,

tegen:

[ged[gedaagde],

wonende te Serooskerke, gemeente Veere,

gedaagde,

advocaat: mr. I.M. Crommentuyn,

procureur: mr. C.J. IJdema.

1. Het verloop van de procedure

De volgende processtukken zijn gewisseld:

- dagvaarding;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten op 7 maart 2006. Van het pleidooi is proces-verbaal opgemaakt.

2. De feiten

2.1. Eiser, hierna te noemen [eiser], heeft op 22 juni 1992 een aannemingsovereenkomst gesloten met Bouwbedrijf Flipse B.V., hierna te noemen Flipse. De opdracht betrof de bouw van een woning aan de [adres]n te Vlissingen conform bestek nr. 147, opgesteld door architectenbureau Nijboer. Deze overeenkomst verklaart de Algemene Voorwaarden Uitvoering Burgerwerk en Kleine Aannemingen in het Bouwbedrijf 1972, hierna: Bukla, van toepassing. In het bestek, dat deel uitmaakt van de overeenkomst, wordt verwezen naar de standaardbepalingen zoals opgenomen in de STABU Standaard 1990 en de daarin vermelde Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989, hierna: UAV.

2.2. De betreffende woning is op 1 maart 1993 aan [eiser] opgeleverd. Begin 1999 is [eiser] gebleken dat alle raam- en deurkozijnen door houtrot waren aangetast hetgeen, zoals uit later onderzoek bleek, werd veroorzaakt doordat Flipse niet de kwaliteit hout had geleverd die contractueel was overeengekomen. Middels zijn rechtsbijstandsverzekering (SRK) heeft [eiser] Flipse bij brief van 22 februari 2000 aansprakelijk gesteld voor de gebreken aan de woning.

2.3. Medio mei 2000 is de zaak door SRK uit handen gegeven aan gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], die de zaak in behandeling heeft genomen.

2.4. [gedaagde] heeft met het indienen van een memorie van eis op 9 januari 2001 bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw, hierna: de Raad, een procedure aanhangig gemaakt. Na de zijdens Flipse genomen memorie van antwoord heeft op 15 augustus 2001 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, ten behoeve waarvan [gedaagde] een pleitnota had opgesteld.

2.5. De Raad heeft bij scheidsrechtelijk vonnis van 15 november 2001 de vorderingen van [eiser] afgewezen. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.

2.6. Door [eiser] is, eerst bij de deken van de Orde van Advocaten te Middelburg en vervolgens bij de Raad van Discipline een klacht ingediend tegen het handelen van [gedaagde]. De deken heeft de klacht ongegrond verklaard en de Raad van Discipline heeft twee van de klachten van [eiser] gegrond verklaard en [gedaagde] een waarschuwing opgelegd.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] bij zijn waarneming van de belangen van [eiser] tegenover Bouwbedrijf Flipse B.V. jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten en derhalve aansprakelijk is voor de door [eiser] daardoor geleden schade, welke schade bestaat uit de kosten die dienen te worden gemaakt voor het herstel van de in het CAB-rapport vastgestelde gebreken aan het pand [adres]n 11 te Vlissingen en welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet. Hij stelt daartoe dat [gedaagde] zijn belangen zowel formeel als materieel volstrekt onvoldoende heeft behartigd en derhalve jegens hem wanprestatie heeft gepleegd, hetgeen heeft geresulteerd in een afwijzing van zijn vorderingen door de Raad. Zo heeft [gedaagde] het aspect van de verwijtbare tekortkoming door Flipse in het geheel niet dan wel onvoldoende onderbouwd in de procedure bij de Raad gebracht en de vordering ten onrechte gebaseerd op het fenomeen verborgen gebrek, is de pleitnota voor de mondelinge behandeling bij de Raad niet voorafgaand aan de zitting aan hem ter hand gesteld, is in die procedure zonder overleg met hem afgezien van het nemen van de memorie van repliek en is niet met hem gesproken over de toepasselijkheid van de UAV. Voorts verwijst [eiser] naar de uitspraak van de Raad van Discipline. Hij stelt tenslotte dat hem bij het sluiten van de overeenkomst met Flipse geen exemplaar van de UAV en de Bukla ter hand is gesteld en betwist zware druk op [gedaagde] te hebben uitgeoefend teneinde hem ertoe te bewegen tegen beter weten in een zaak tegen Flipse te beginnen.

3.2. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Hij stelt te hebben gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot zou hebben gedaan, zowel voor wat betreft de door hem gekozen strategie als ten aanzien van de inhoud van de door hem vervaardigde processtukken. [gedaagde] betwist derhalve dat er sprake is van een beroepsfout die in causaal verband staat met het verliezen van de arbitrale procedure. Ook de beslissing van de Raad van Discipline kan niet tot die conclusie leiden. [gedaagde] stelt [eiser] te hebben voorgehouden dat hij ernstig rekening diende houden met een voor hem negatief arbitraal vonnis, met name vanwege het feit dat de in paragraaf 12 lid 4 van de UAV genoemde vervaltermijn van 5 jaar reeds verstreken was op het moment dat [gedaagde] de zaak in behandeling nam, maar dat [eiser] desondanks de arbitrale procedure wilde doorzetten. Hij acht het argument van [eiser] dat er geen sprake is geweest van terhandstelling van de UAV tardief. Tenslotte betwist [gedaagde] dat [eiser] voorafgaand aan de zitting geen kennis heeft kunnen nemen van zijn pleitnota en stelt hij dat een nadere stukkenwisseling in de procedure bij de Raad niet tot een andere uitkomst had geleid.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Gelet op het beroep op wanprestatie zijdens [eiser] dient beoordeeld te worden of [gedaagde] heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot zou hebben gedaan. De rechtbank merkt hierbij op dat de uitspraak van de Raad van Discipline bij die beoordeling in beginsel geen rol speelt nu, zoals door [gedaagde] terecht is opgemerkt, bij het beoordelen van civielrechtelijke aansprakelijkheid andere maatstaven gelden dan in een procedure bij de Raad van Discipline.

4.2. [eiser] stelt dat [gedaagde] ten onrechte (en zonder hem daarnaar en naar de wijze van kennisneming van die voorwaarden te vragen) heeft aangenomen dat op de tussen [eiser] en Flipse gesloten overeenkomst de UAV van toepassing waren. De rechtbank stelt hieromtrent vast dat in het – in genoemde overeenkomst genoemde – bestek nummer 147 de UAV van toepassing is verklaard. Dat is impliciet gebeurd, namelijk door toepasselijk verklaring van de standaardbepalingen, zoals opgenomen in de STABU Standaard 1990; in die bepalingen worden ook vermeld de UAV 1989. Voorts wordt in het bestek – wel expliciet – aangegeven dat er voorwaarden van toepassing zijn aanvullend op de UAV. Daaruit kan worden afgeleid dat de UAV tussen partijen zijn overeengekomen. [eiser] heeft dat bij gelegenheid van het pleidooi ook bevestigd; hij heeft aangegeven dat hem door de architect was aangeraden de UAV op de overeenkomst van toepassing te laten zijn en dat hij er ook van uitging dat de voorwaarden van toepassing waren. Voorts staat vast – gelet ook op de inhoud van de overgelegde stukken – dat de eerdere arbitrageprocedure bij de Raad is gevoerd omdat de UAV die vorm van geschillenbeslechting voorschrijft. [eiser] heeft bij het pleidooi verklaard dat hij wist dat hij wanprestatie zou plegen als hij het geschil aan de rechtbank zou hebben voorgelegd. [eiser] heeft zich aldus ook zelf op de UAV beroepen.

Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank er vanuit dat de UAV op de overeenkomst van toepassing waren en dat [eiser] de inhoud van die voorwaarden kende. [gedaagde] is derhalve terecht van toepasselijkheid van die voorwaarden uitgegaan. Dat de voorwaarden mogelijk – zulks is nog niet komen vast te staan – niet aan [eiser] zijn overhandigd is dan niet meer relevant. In het midden kan dan blijven of [gedaagde] [eiser] naar de terhandstelling van de voorwaarden aan [eiser] heeft gevraagd.

4.3. De UAV geven in paragraaf 12 lid 2 een limitatieve opsomming van de uitzonderingen op de in lid 1 van die paragraaf weergegeven regel dat de aannemer niet meer aansprakelijk is voor tekortkomingen aan het werk na de dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd. Naast het geval van artikel 7A:1645 BW is dat het verborgen gebrek.

Tussen partijen is, gelet op hun stellingen, niet in geschil dat een vordering van [eiser] op Flipse op grond van artikel 12 lid 2 onder b UAV (verborgen gebrek) in beginsel niet ontvankelijk was op het moment dat [gedaagde] de zaak in behandeling kreeg. De in artikel 12 lid 4 van de UAV genoemde termijn van 5 jaar na de dag van het verstrijken van de onderhoudstermijn, welke, gelet op het hieromtrent in het bestek bepaalde, eindigde op 1 juni 1993, was immers op 2 juni 1998 verstreken.

Dit neemt niet weg dat een beroep op dat artikel onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn of dat een beding onder omstandigheden vernietigbaar kan zijn. Voorts kon, gelet op het bepaalde in paragraaf 12 lid 2 onder a van de UAV, een beroep worden gedaan op artikel 7A:1645 BW . Beide aspecten zijn door [gedaagde] aangevoerd in de procedure bij de Raad, zodat hem op deze punten niets te verwijten valt.

De rechtbank overweegt voorts dat toepasselijkheid van de UAV met zich meebrengt dat in casu geen beroep kon worden gedaan op de artikelen in het BW betreffende wanprestatie en non-conformiteit, zodat [gedaagde] niet kan worden verweten dat hij die aspecten in het geheel niet dan wel weinig heeft belicht in de procedure bij de Raad.

4.4. Ten aanzien van de stellingen van [eiser] betreffende de pleitnota en memorie van repliek in de procedure bij de Raad overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat de vordering van [eiser] in die procedure op formele gronden is afgewezen. Door [eiser] is onvoldoende gesteld en overigens is ook niet gebleken dat de procedure bij de Raad in het voordeel van [eiser] zou zijn beslist indien wel een memorie van repliek was genomen en/of vast zou staan dat een concept pleitnota aan [eiser] was overhandigd door [gedaagde]. Zoals reeds uit hetgeen hiervoor onder 4.3. is overwogen volgt, heeft [gedaagde] alle juridisch relevante argumenten reeds in de eerdere processtukken en tijdens het pleidooi naar voren gebracht.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde] ten aanzien van zijn inhoudelijke wijze van procederen bij de Raad geen verwijt treft en dat ten aanzien van de overigens door [eiser] gestelde gedragingen van [gedaagde] een causaal verband met het verliezen van de procedure bij de Raad ontbreekt, zodat het gevorderde zal worden afgewezen.

4.6. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding welke aan de zijde van [gedaagde] tot aan dit moment worden begroot op € 244,-- wegens griffierecht en € 1.808,-- wegens procureurssalaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 31 mei 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

AIJ


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature