Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Uitspraak



d.d. 24 mei 2000

De arrondissementsrechtbank te Middelburg, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, overweegt en beslist als volgt inzake:

Rolnr. 735/1998 HA

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelend te ’s-Gravenhage,

eiser,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. C.H. Brinkman,

advocaat: mr. J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel,

tegen

[gedaagde],

wonende te Borssele, gemeente Borsele,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

procureur: mr. J. Boogaard.

1. Het verdere procesverloop

De rechtbank verwijst naar haar vonnis van 9 februari 2000. De comparitie is gehouden en er is proces-verbaal van opgemaakt.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1. Partijen hebben getracht alsnog overeenstemming te bereiken omtrent de aankoop van de boerderij van [gedaagde] als geheel, hetgeen niet is gelukt. Derhalve ligt thans ter beoordeling voor de vordering van de Staat tot het vervroegd uitspreken van de onteigening van het perceel met grondplannummer [nummer].

2.2. [gedaagde] stelt dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 17 Onteigeningswet ; de Staat heeft namelijk nooit enige onderhandeling gevoerd met [gedaagde] over uitsluitend voornoemd perceelsgedeelte. De Staat heeft deze stelling gemotiveerd weersproken.

2.3. Voor een juiste naleving van het bepaalde in artikel 17 Onteigeningswet is vereist, dat de onteigenende partij in de periode tussen het definitief worden van het onteigeningsbesluit (i.c. 23 juli 1998) en het uitbrengen van de dagvaarding (i.c. 22 september 1998) heeft getracht hetgeen ter onteigening is aangewezen in der minne te verkrijgen. Bij de beantwoording van de vraag of aan dit voorschrift is voldaan, mag tevens acht worden geslagen op hetgeen met betrekking tot de verkrijging in der minne zich vooraf-gaand aan het definitief worden van het onteigeningsbesluit tussen partijen heeft afge-speeld en op het daaruit blijkende standpunt van de eigenaar.

Uit de door de Staat overgelegde stukken blijkt dat door de provincie -in het kader van de bestemmingsplanprocedure voor de Westerscheldetunnel Oeververbinding (WOV)- reeds in juni 1995 met [gedaagde] is gesproken over grondverwerving. [gedaagde] heeft zich destijds op het standpunt gesteld dat hij slechts medewerking wilde verlenen op basis van aankoop van al zijn eigendommen in één koop. Daarbij speelt een rol dat [gedaagde] (milieu-) hinder zegt te ondervinden uit het Sloegebied. Omdat diverse instellingen bij de transacties betrokken waren/zijn is van de zijde van de provincie toegezegd dat deze even-tuele totale verwerving gecoördineerd zou worden.

In maart 1996 heeft een taxatiecommissie van Rijkswaterstaat gerapporteerd dat op grond van de Onteigeningswet geen noodzaak aanwezig was om in verband met de aanleg van een weg in het kader van de WOV het gehele bedrijf van [gedaagde] te kopen. Slechts een nader genoemd afzonderlijk perceel zou dienen te worden aangekocht. In het rapport is de schadeloosstelling voor wat betreft de onteigening van dit perceel omschreven.

Vervolgens heeft Rijkswaterstaat bij brief van 3 oktober 1996 aan [gedaagde] verzocht of op basis van de in deze brief genoemde uitgangspunten het gehele bedrijf van [gedaagde] getaxeerd kon worden.

Uit een brief van 25 november 1997 blijkt dat Rijkswaterstaat in het kader van overleg omtrent de problematiek van het Sloegebied wederom heeft gesteld de eventuele aankoop van het gehele bedrijf te willen coördineren, doch geen invloed te kunnen uitoefenen op de afwerking van de claims betreffende overlast uit het Sloegebied. Rijkswaterstaat heeft in voornoemde brief tevens een aanbod gedaan voor schadeloosstelling van een nader genoemd afzonderlijk perceel. Op dit aanbod heeft [gedaagde] in een overleg op 18 december 1997 gereageerd; hij heeft zijn bedenkingen daaromtrent naar voren gebracht en wederom voorgesteld te kijken naar algehele bedrijfsverplaatsing. Daarop voortbordurend heeft Rijkswaterstaat bij brief van 21 april 1998 onder meer voorgesteld eerst het gehele bedrijf te taxeren, rekening houdend met alle totnogtoe gemaakte afspraken. Tevens heeft Rijkswaterstaat meegedeeld: “Als daar uiteindelijk overeenstemming over verkregen kan worden zijn mijns inziens de punten die u hebt aangedragen in het gesprek van 18 december 1997 opgelost”.

Bij brief van 26 mei 1998 heeft Rijkswaterstaat aan [gedaagde] onder meer meegedeeld: “inzake de problematiek van eventuele aankoop van het gehele bedrijf (…) is met u afgesproken dat u een opstelling maakt van de door u geleden milieuschade. (…) Ik hoop met deze een begin te hebben gemaakt voor de oplossing van de problemen bij aankoop van uw gehele bedrijf.” Voorts is meegedeeld dat de gerechtelijke procedure is opgestart, dat het minnelijk overleg over de schadeloosstelling wordt voortgezet waarbij de eventuele verkoop van het bedrijf meespeelt en dat, indien op het moment dat het perceelsgedeelte nodig is nog geen duidelijkheid bestaat over de gehele aankoop, het perceelsgedeelte afzonderlijk zal worden gewaardeerd. Daarop heeft [gedaagde] bij brief van 22 juli 1998 aan Rijkswaterstaat een voorstel gedaan voor een integrale regeling met betrekking tot de aankoop van de gehele boerderij. Bij brief van 4 september 1998 heeft de Staat een laatste aanbod gedaan tot minnelijke verkoop van de voor de onteigening benodigde perceelsgedeelten.

2.4. Uit voornoemde brieven en verslagen -die door [gedaagde] in zoverre niet zijn betwist- blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de Staat onvoldoende heeft getracht om uitsluitend het voor de onteigening benodigde perceel in der minne te verkrijgen. Weliswaar is onweersproken gesteld en blijkt uit de stukken dat [gedaagde] zich van begin af aan op het standpunt heeft gesteld dat hij alleen mee wilde werken op basis van aankoop van zijn bedrijf als geheel, maar dit ontslaat de Staat niet van zijn verplichting tot minnelijk overleg omtrent de aankoop van uitsluitend het voor de onteigening benodigde perceel. De Staat heeft meermalen toegezegd de aankoop van het totale bedrijf te willen coördineren en heeft daar ook naar gehandeld. Ondanks het feit dat uit het taxatierapport bleek dat er geen noodzaak aanwezig was het gehele bedrijf aan te kopen, heeft de Staat in de onderhandelingen over de grondverwerving de nadruk gelegd op aankoop van de boerderij in haar geheel. [gedaagde] kon en mocht derhalve verwachten dat de verkoop van zijn bedrijf als geheel doorgang zou vinden. Het kan hem dan ook thans niet worden tegengeworpen dat hij heeft vastgehouden aan zijn eerder ingenomen standpunt. De Staat heeft, naast het voeren van de onderhandelingen omtrent de aankoop van de boerderij in haar geheel, wel schadevergoeding aangeboden voor het voor de onteigening benodigde perceel, maar heeft gelet op de bedenkingen van [gedaagde] ten aanzien van dit aanbod op dit punt onvoldoende uitonderhandeld, althans heeft de bedenkingen van [gedaagde] betrokken in de onderhandelingen over de totale aankoop. Het had op de weg van de Staat gelegen om naast de onderhandelingen omtrent de aankoop van het bedrijf als geheel, duidelijker over het voor de onteigening benodigde perceel afzonderlijk te onderhandelen. Aan [gedaagde] kan dan de keus worden gelaten al dan niet op het aanbod van schadevergoeding voor het voor de onteigening benodigde perceel in te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat de weg die de Staat heeft gekozen niet voldoet aan de eis van artikel 17 Onteigeningswet , zodat de vordering van de Staat dient te worden afgewezen.

2.5. De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering van de Staat tot het vervroegd uitspreken van de onteigening van het perceel met grondplannummer [nummer] af;

veroordeelt de Staat in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op f. 370,-- voor verschotten en f. 6.800,-- voor salaris van zijn procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.A. Witsiers, W.M.P. van Alphen en E.K. van der Lende-Mulder Smit en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 24 mei 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature