Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Slopen asbest en Arbeidsomstandighedenwet

Uitspraak



RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/994018-09

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 18 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [adresgegevens].

Raadsman is mr. H. Lamers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 februari 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en verdachte, vertegenwoordigd door [I.], hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feiten 1 en 2

primair: als werkgeefster handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet 1998 terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers ontstond of te verwachten was;

subsidiair: wederrechtelijk asbest(stof) in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar

voor de volksgezondheid of levensgevaar voor anderen te duchten is;

meer subsidiair: opzettelijk handelingen heeft verricht of nagelaten met betrekking tot

asbest, waarvan zij wist of moest vermoeden dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu

ontstonden of konden ontstaan.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan. Zij heeft medegedeeld dat het eigenlijk om dezelfde feiten gaat, maar dat de tenlastelegging is opgesplitst in twee feiten, omdat een groot aantal bepalingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit, alsmede de citeertitel van de Arbeidsomstandighedenwet, per 28 juli 2006 zijn gewijzigd. Feit 1 ziet op de oude regelgeving. Feit 2 op de gewijzigde.

De officier van justitie is van mening dat [V.], die naar eigen zeggen als hoofd technische dienst alles regelde wat betreft de verbouwing van het maalgebouw, namens verdachte een aantal werknemers werkzaamheden heeft laten verrichten, waarbij ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers kan ontstaan of verwacht kan worden. Verdachte heeft bij de uitvoering van die werkzaamheden niet voldaan aan de voorschriften van het voornoemde Arbeidsomstandighedenbesluit. Verdachte is hiervoor als werkgever eindverantwoordelijk. Het verwijt wordt vooral bepaald door de volledige onderschatting door verdachte van de risico’s van het werken met asbesthoudend materiaal en de daaruit voortvloeiende ongecontroleerde, onaanvaardbare manier van werken daarmee.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft tot een algehele vrijspraak geconcludeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet duidelijk is door wie de gevelplaten daadwerkelijk verwijderd zijn. Ook heeft hij naar voren gebracht dat er van opzet om de wettelijke bepalingen te overtreden geen sprake was, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte heeft de mogelijke gevolgen niet bewust aanvaard, noch is er sprake geweest van een aanmerkelijke kans dat het gevolg van aantasting van de gezondheid door asbest zich zou voordoen. Daarbij komt volgens de raadsman dat [I.] namens verdachte duidelijke richtlijnen aan het personeel heeft gegeven over hoe zij moesten omgaan met asbest. Ook heeft de raadsman naar voren gebracht dat de losgeschroefde platen onbeschadigd weer hergebruikt konden worden. Er is dan ook geen sprake van het verwijderen van de platen. Bovendien werd gewerkt in een open omgeving. De raadsman is aldus van mening dat de gedragingen niet aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat niet voldaan is aan het opzetvereiste.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 16 augustus 2006 bevonden twee inspecteurs van de Arbeidsinspectie zich op het perceel [W.weg] te Eygelshoven, zijnde het bedrijfsterrein van [N.] in het kader van de controle op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Uit hun onderzoek bleek dat op genoemde locatie werkzaamheden werden verricht, omvattende de opbouw van het maalgebouw van voornoemd bedrijf. De opbouwwerkzaamheden werden uitgevoerd door [N.]. De genoemde werkzaamheden werden verricht krachtens arbeidsovereenkomst en onder gezag, zodat er sprake was van werkgever en werknemers. Eén van de verbalisanten zag een gat in de zijgevel van het maalgebouw van twaalf golfplaten groot. Naast dit gat hadden stalen kozijnen gezeten met draadglas. In het maalgebouw zag verbalisant twaalf asbestverdachte golfplaten staan.

Uit analyse blijkt dat de golfplaten hechtgebonden witte asbest bevatten.

De rechtspersoon [N.] is sinds november 2006 overgegaan in [verdachte], waarbij het inschrijvingsnummer van de Kamer van Koophandel gelijk is gebleven.

De vertegenwoordiger van verdachte, [I.], heeft verklaard dat [N.] de opbouwwerkzaamheden van het maalgebouw begeleidde. De heer [V.], in dienst bij zusterbedrijf [C.], coördineerde de werkzaamheden. Ook heeft de vertegenwoordiger verklaard dat de heer [V.] ten tijde van de verweten gedragingen [N.] mocht vertegenwoordigen en dat hij namens deze BV opdrachten mocht verstekken aan derden.

Ter terechtzitting heeft [I.] verklaard dat hij wel wist dat zich in het maalgebouw asbesthoudende platen bevonden, maar dat hij er niet van op de hoogte was dat er werkzaamheden aan deze beplating werden uitgevoerd. Ook heeft hij verklaard dat hij niet echt voorlichting over dit asbest heeft gegeven, omdat hij ervan uitging dat de werknemers sinds de stofexplosie in het maalgebouw in februari 2005 wisten dat de gevel uit asbesthoudende golfplaten bestond. Hij heeft aangegeven dat hij wel tijdens het werkoverleg, dat regelmatig plaatsvond over de opbouw-werkzaamheden, heeft gezegd dat er niet met de platen gewerkt mocht worden. Hij heeft daarover iets gezegd in de zin van “er wordt niet gewerkt met asbesthoudende materialen, daar blijven jullie met de handen vanaf”.

Getuige [V.] heeft verklaard dat op 17 juli 2006 is gestart met het aanbrengen van nieuwe gevelbeplating van het maalgebouw op het bedrijfsterrein van [N.]. Verder heeft hij verklaard dat waarschijnlijk asbesthoudende deeltjes naar beneden zijn gevallen door deze werkzaamheden. Hij vermoedt dat deze deeltjes nog in de sponningen van het stalen geraamte van het maalgebouw zaten. [N.] is ervan uitgegaan dat bij een eerdere sanering al het asbesthoudend materiaal verwijderd was. Verder heeft getuige [V.] verklaard dat hij de leiding had over de opruiming van het maalgebouw en het opnieuw opbouwen van het gebouw en installaties. Hij heeft verder verklaard dat de herinrichting in maart 2006 is begonnen. Hij was niet betrokken bij hetgeen gebeurd was na de explosie in 2005. Hijzelf en werknemers van [H.] hebben, voordat de herinrichting startte in maart, motoren en machines verwijderd uit het gebouw, waaronder een droogoven. Deze is via de gedemonteerde glaswand aan de voorzijde van het gebouw verwijderd. Tussen en onder de glaswanden zaten asbesthoudende golfplaten. De getuige verklaart verder dat hij met de werknemers van [H.] had afgesproken dat zij de opening in de glaswand zo groot mogelijk zouden maken. De mensen van [H.] hebben de golfplaten gedemonteerd. De getuige verklaart ook dat hij er niet bij stil heeft gestaan dat het om asbesthoudende golfplaten ging. Hij zag niet in dat het gevaar zou kunnen opleveren, of dat bij het losschroeven van asbesthoudende golfplaten deeltjes vrij zouden kunnen komen die schadelijk zouden zijn voor mensen. Hij zou graag eens voorlichting over (het verwijderen van) asbest krijgen. Tevens heeft de getuige verklaard dat hij en de werknemers van [H.] de golfplaten aan de kant hebben gezet en dat het daarbij is gebleven. Hij heeft gezegd dat ze de platen los konden schroeven en daar neer konden zetten. De opening in de glaspui voor het transport van de oven is gemaakt door hemzelf en mensen van [H.]. De werknemers van [D.] hebben de glaspuien vernieuwd.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij in maart 2006 als werknemer in opdracht van [H.] op de locatie van [N.] is geweest. Op de eerste verdieping is door dit bedrijf door middel van een kraan een defecte oven verwijderd door een uitsparing in de gevel van het maalgebouw. De getuige verklaart verder dat het gat er al was, maar dat de werknemers van [H.], waaronder hijzelf, ongeveer zes asbesthoudende golfplaten moesten verwijderen, aangezien het oorspronkelijke gat te klein was om de defecte oven naar buiten te halen. Zij hebben die asbesthoudende golfplaten binnen in het maalgebouw gezet. Ook hebben zij een gedeelte van de staalconstructie van de gevel gedemonteerd. Zij hadden geen idee dat het om asbesthoudende golfplaten ging.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat het bedrijf [H.] in de periode van maart 2006 tot en met september 2006 werkzaamheden heeft verricht op het bedrijfsterrein van [N.]. De getuige verklaart dat [N.] nimmer kenbaar heeft gemaakt dat er asbesthoudende materialen in de weg zouden zitten die de werkzaamheden zouden belemmeren.

De rechtbank overweegt allereerst als volgt:

In de tenlastelegging wordt verdachte zowel onder feit 1, als onder feit 2 verweten dat bij het slopen, verwijderen en/of verplaatsen van asbesthoudende platen bepaalde verplichtingen niet in acht zijn genomen. De rechtbank heeft eerst gekeken in welke periode dit slopen/verwijderen/verplaatsen heeft plaatsgevonden.

Uit de verklaring van getuige [V.] komt naar voren dat in maart 2006 met de herinrichting is begonnen en dat in dat kader (onder andere) eerst de oude droogoven is verwijderd. Uit de verklaring van getuige [getuige 2] komt naar voren dat hij in maart 2006 bij [N.] is geweest. Toen was er al een gat in de gevel, dat door de werknemers van [H.], waaronder hijzelf, vervolgens groter is gemaakt. Ook getuige [getuige 4], bedrijfsleider van het maalgebouw, heeft verklaard dat er in 2006, vóór de datum 17 juni 2006, een raamsponning inclusief draadglas verwijderd is, om zodoende een opening in de gevel van het maalgebouw te krijgen om een oven in het maalgebouw te plaatsen. Ten slotte heeft ook getuige [getuige 5], bedrijfsleider van [D.] , verklaard dat - toen zijn bedrijf op 19 juni 2006 op de locatie kwam - zij gewoon met hun werkzaamheden konden beginnen. De foto’s 1 t/m 3 in het dossier geven voorts het exacte beeld van de situatie ter plekke, zoals door zijn bedrijf aangetroffen, aldus [getuige 5].

Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het slopen/verwijderen van de asbestgolfplaten, heeft plaatsgevonden in de periode van 1 maart 2006 tot en met 19 juni 2006. Ook het verplaatsen van de platen heeft in deze periode plaatsgevonden, gezien de verklaring van [V.] hierover.

Nu feit 2 ziet op de periode van 28 juli 2006 tot en met 15 augustus 2006 is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de verweten gedragingen in deze periode heeft gepleegd. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder feit 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van hetgeen onder feit 1 aan verdachte is tenlastegelegd, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt om te beginnen vast dat uit de analyseresultaten van de monsters van de asbestplaten volgt dat het hier daadwerkelijk om asbesthoudende (golf)platen ging.

Verder overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet valt op te maken dat de werknemers van [D.] betrokken zijn geweest bij het slopen, verwijderen of verplaatsen van asbesthoudende golfplaten. De rechtbank zal verdachte daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken, nu de verweten gedragingen uitdrukkelijk zijn gerelateerd aan het slopen/verwijderen en/of verplaatsen van de asbesthoudende golfplaten. De officier van justitie heeft dit desgevraagd ter zitting expliciet bevestigd.

De rechtbank is verder, anders dan de raadsman heeft betoogd, van oordeel dat het ten laste gelegde aan verdachte kan worden toegerekend. Getuige [V.] was in dienst van een zusterbedrijf van verdachte. Hij heeft gehandeld in opdracht en voor rekening van verdachte. Verdachte heeft [V.] immers aangetrokken om de werkzaamheden te verrichten en tussen verdachte en [V.] bestond een gezagsverhouding. Verdachte is dan voor het geheel van de uitvoeringshandelingen van [V.] verantwoordelijk. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ook is de rechtbank, anders dan de verdediging heeft bepleit, van oordeel dat verdachte de asbesthoudende golfplaten heeft gesloopt, meer concreet in de zin dat verdachte deze heeft verwijderd en vervolgens heeft verplaatst. De golfplaten zijn immers uit de gevel geschroefd en daaruit verwijderd en op de eerste verdieping van het maalgebouw neergezet. Ook dit verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank overweegt voorts dat de werknemers van [H.] hebben verklaard dat verdachte hen niet kenbaar heeft gemaakt dat het om asbesthoudende golfplaten ging. Zij waren daarvan in ieder geval niet op de hoogte.

Getuige [V.] heeft verklaard dat hij dacht dat al het asbesthoudend materiaal bij de eerdere sanering - waarbij hij niet betrokken was - verwijderd was. Ook heeft hij verklaard dat de aangetroffen asbestdeeltjes waarschijnlijk nog in de sponningen van het stalen geraamte zaten. Verder dacht hij dat het losschroeven van de asbesthoudende golfplaten geen kwaad kon. Daarbij heeft hij aangegeven graag eens voorlichting te willen krijgen over (het verwijderen van) asbest.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de voorlichting kort door de bocht is geweest, omdat hij ervan uitging dat de werknemers wisten dat het asbesthoudende golfplaten betrof. Wel heeft hij herhaaldelijk gezegd van de asbesthoudende platen af te blijven.

De rechtbank overweegt dat de werknemers van [H.] en [N.], waaronder in dit geval begrepen de heren [getuige 4] en [V.] die ter plaatse gewerkt hebben, feitelijk in het geheel niet of onvoldoende op de hoogte waren van het feit dat ze met asbesthoudend materiaal te maken hadden. Voor zover ze er wel van op de hoogte waren, is niet gebleken dat ze voldoende op de potentiële gevaren ervan gewezen waren.

De enkele mededeling door de vertegenwoordiger van verdachte in een werkoverleg “Er wordt niet gewerkt met asbesthoudende materialen, daar blijven jullie met de handen vanaf” kan niet gelden als het geven van voorlichting of onderricht, als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, van Arbeidsomstandighedenbesluit . De mededeling is ook niet realistisch, nu blijkt dat bij de opbouw van het maalgebouw in elk geval draadglas verwijderd diende te worden uit sponningen, waarbij blijkbaar ook nog stukjes asbest konden vrijkomen en feitelijk is gebleken dat ook de verwijdering van asbestplaten noodzakelijk was. Verder blijkt uit het dossier dat mogelijk asbesthoudende kit in de sponningen was verwerkt.

Vanwege haar ervaringen in het verleden met asbest had verdachte wetenschap van het feit dat in het maalgebouw asbesthoudende golfplaten aanwezig waren. Ook wist verdachte dat bij het werken met asbest uiterste zorgvuldigheid betracht dient te worden vanwege de gezondheidsschade die onzorgvuldig handelen kan veroorzaken. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat onzorgvuldig werken met asbest levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid kan veroorzaken.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte voorafgaande aan de start van de werkzaamheden aan het maalgebouw heeft nagelaten voorlichting of onderricht te geven aan de werknemers die met het asbesthoudend materiaal in aanraking konden komen, terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers te verwachten was. Zij acht het op dit punt onder 1 primair (vijfde verwijt) ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de andere gedragingen die onder 1 primair ten laste zijn gelegd, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze heeft begaan.

De verweten gedraging inzake het schriftelijk werkplan (vierde verwijt), betreft een norm die zich richt tot een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf zoals bedoeld in artikel 4.54d eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit . Verdachte is geen gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Daarom regardeert deze norm verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet en zal verdachte van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder feit 1 primair, eerste, tweede en derde verwijt aan verdachte overweegt de rechtbank dat bij deze verwijten – in tegenstelling tot het vijfde verwijt – niet gezegd kan worden dat deze verweten gedragingen op voorhand tot gevolg hebben gehad dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was. Zo is niet gebleken dat het slopen/verwijderen en verplaatsen dusdanig onzorgvuldig is geschied, dat reeds om die reden levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat bij het slopen/verwijderen of verplaatsen van de golfplaten stukjes zijn afgebroken. Ook blijkt niet dat – gelet op (de wijze van) het losschroeven of verwijderen van de betreffende platen, vezels konden vrijkomen, dan wel feitelijk zijn vrijgekomen. Ook is niets naders bekend over de wijze van verplaatsen van de asbesthoudende golfplaten.

Niet bewezen is derhalve dat, naar objectieve maatstaven gezien, bij deze verweten gedragingen ten aanzien van het slopen/verwijderen en verplaatsen van deze asbesthoudende golfplaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers is ontstaan of te verwachten was en dat verdachte dat wist of redelijkerwijs moest weten.

Van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte daarom eveneens worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair

in de periode van 1 maart 2006 tot en met 19 juni 2006 in de gemeente Kerkrade als werkgeefster opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet 1998 of de daarop rustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar

werknemers, te weten werknemers van [H.] en/of werknemers van [N.] arbeid deed verrichten op een arbeidsplaats, zijnde het maalgebouw op perceel [W.weg], bestaande uit het verwijderen en/of verplaatsen van asbesthoudende gevelplaten van de gevel van dat maalgebouw, waarbij asbest vrij kon komen, terwijl zij, verdachte, in strijd met het bepaalde in art. 4.57 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet aan werknemers, die arbeid verrichtten waarbij gevaar voor blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof bestond, overeenkomstig een schriftelijk plan doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht heeft gegeven over:

a. de mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof;

b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte of crocidolietgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarden;

c. de maatregelen inzake de persoonlijke en werkhygiëne;

d. de maatregelen om de blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof zo laag mogelijk te houden,

terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers te verwachten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 1 primair:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, begaan door een rechtspersoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 12.500,-.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair tot vrijspraak geconcludeerd. Subsidiair heeft hij verzocht, in geval van een bewezen verklaring, een voorwaardelijke geldboete op te leggen, nu het financieel slecht gaat met het bedrijf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de bedrijfsomstandigheden, zoals die uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn ge¬komen.

Verdachte heeft nagelaten haar werknemers voorlichting of onderricht te geven over de gevaren van asbest en de maatregelen die getroffen moeten worden indien met asbest gewerkt wordt. Door de dingen op zijn beloop te laten, is er sprake van een ernstige nalatigheid bij een werkgever, die vanuit eerdere ervaring geacht moet worden weet te hebben van de gevaren die zijn verbonden aan het werken met asbest.

Bij bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank anderzijds rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Daarbij komt dat verdachte al gestraft is voor haar handelen. De werkzaamheden zijn, bij ontdekking van de asbestdeeltjes, immers tijdelijk stilgelegd, waardoor de nodige vertraging van de werkzaamheden en daardoor bedrijfsschade is ontstaan.

Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de financiële situatie waarin het bedrijf verkeert niet bepaald rooskleurig is. Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte nadien haar verantwoordelijkheid genomen heeft en de asbesthoudende materialen heeft laten saneren door een erkend asbestverwijderingsbedrijf.

Ten slotte heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat er rekening mee gehouden dat de redelijke termijn is overschreden. De feiten dateren immers uit 2006 en verdachte heeft lang op berechting moeten wachten.

Alles overwegende vindt de rechtbank een geldboete van € 2000, - een passende straf.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c en 51van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2000, -.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. I. Becker-Hartenhof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 februari 2011.

Buiten staat

Mr. I. Becker-Hartenhof is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot en met 27 juli 2006 in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als werkgeefster opzettelijk handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet 1998 of de daarop rustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar een of meer werknemer(s), te weten een of meer werknemer(s) van [H.] en/of een of meer werknemers(s) van [D.] en/of een of meer werknemer(s) van [N.] arbeid deed verrichten op een arbeidsplaats, zijnde het maalgebouw op/aan

perceel [W.weg], bestaande uit het slopen, verwijderen en/of verplaatsen van asbesthoudende gevelplaten van de gevel van dat maalgebouw, waarbij asbest vrij kwam dan wel vrij kon komen, terwijl zij, verdachte, (telkens) (zakelijk weergegeven) in strijd met het bepaalde in artikel 4.45 leden 1 en 2 aanhef en onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit de concentratie van asbeststof in de lucht niet zo laag mogelijk heeft gehouden en/of ter naleving hiervan de afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het toepassen of bewerken van asbest of van asbesthoudende producten, niet zo spoedig mogelijk heeft verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijk en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan

asbest bevat, en/of

in strijd met het bepaalde in artikel 4.54 leden 1 aanhef en onder a en /of b en lid 2 van voornoemd besluit, bij het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken, of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten waren verwerkt en/of bij het verwijderen van de stoffen op producten, bedoeld in onderdeel a, uit de bouwwerken of objecten, bedoeld in onderdeel a, niet voordat werd aangevangen met de uitvoering van de

werkzaamheden de locatie, de datum en het tijdstip waarop deze werkzaamheden zouden worden verricht, tijdig heeft gemeld aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet,en /of

in strijd met het bepaalde in art 4.55 lid 1 van voornoemd besluit, voordat werd aangevangen met de handelingen, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, met uitzondering van de handelingen, bedoeld in artikel 4.54 b, onderdelen a tot en met h, niet door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, een schriftelijk werkplan werd opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken

werknemers, en/of

in strijd met het bepaalde in art. 4.57 lid 1 van voornoemd besluit niet aan werknemers, die arbeid verrichtten waarbij gevaar voor blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof bestond, overeenkomstig een schriftelijk plan doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht werd gegeven over:

a. de mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof;

b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte of crocidolietgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarden;

c. de maatregelen inzake de persoonlijke en werkhygiëne;

d. de maatregelen om de blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof zo laag mogelijk te houden,

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers ontstond of te verwachten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot en met 27 juli 2006 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, bij het arbeid doen verrichten op een arbeidsplaats, zijnde het maalgebouw op/aan perceel [W.weg], grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of ondeskundig heeft/hebben gehandeld doordat zij bij het slopen, verwijderen en/of verplaatsen van asbesthoudende platen van de gevel van dat maalgebouw (eigen en/of andere) werknemers, die niet gecertificeerd waren voor het werken met asbest en/of niet over de geëigende beschermingsmiddelen beschikten (onoordeelkundig) asbestverdachte platen uit de gevel van dat maalgebouw heeft/hebbenlaten verwijderen, waardoor die platen en/of de gevel werden vernield en/of beschadigd, ten gevolge waarvan asbest(stof) vrijkwam, en/of (vervolgens) arbeid heeft/hebben laten verrichten op het met asbest besmette terrein,

waardoor het aan de schuld van haar, verdachte, en/of haar mededader(s) te wijten is dat wederrechtelijk een stof, te weten asbest(stof), in de lucht werd gebracht en/of (verder) verspreid, terwijl daarvan gevaar voor de volksgezondheid of levensgevaar voor anderen te duchten was;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 27 juli 2008 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk handelingen heeft/hebben verricht of nagelaten met betrekking tot de (in de uitoefening van haar beroep) ontstane afvalstoffen, te weten asbest, waarvan zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, immers heeft/hebben zij bij het slopen, verwijderen en/of verplaatsen van

asbesthoudende platen van de gevel van een maalgebouw (eigen en/of andere) werknemers, die niet gecertificeerd waren voor het werken met asbest en/of niet over de geëigende beschermingsmiddelen beschikten (onoordeelkundig) asbestverdachte platen uit de gevel van dat maalgebouw laten verwijderen, waardoor die platen en/of de gevel werden vernield en/of beschadigd, ten gevolge waarvan asbest(stof) vrijkwam, en/of (vervolgens) arbeid heeft/hebben laten verrichten op het met asbest besmette terrein;

2.

zij in of omstreeks de periode van 28 juli 2006 tot en met 15 augustus 2006 in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als werkgeefster opzettelijk handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet 1998 of de daarop rustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar een of meer werknemer(s), te weten een of meer werknemer(s) van [H.] en/of een of meer werknemers(s) van [D.] en/of een of meer werknemer(s) van [N.] arbeid deed verrichten op een arbeidsplaats, zijnde het maalgebouw op/aan

perceel [W.weg], bestaande uit het slopen, verwijderen en/of verplaatsen van asbesthoudende gevelplaten van de gevel van dat maalgebouw, waarbij asbest vrij kwam dan wel vrij kon komen, terwijl zij, verdachte, (telkens) (zakelijk weergegeven) in strijd met het bepaalde in artikel 4.45 leden 1 en 2 aanhef en onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit de concentratie van asbeststof in de lucht niet zo laag mogelijk onder de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, heeft gehouden en /of ter naleving hiervan de afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het toepassen of bewerken van asbest of van asbesthoudende producten, niet zo spoedig mogelijk heeft verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijk en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan asbest bevat, en/of

in strijd met het bepaalde in artikel 4.45a van voornoemd besluit niet aan werknemers, die arbeid verrichtten waarbij gevaar voor blootstelling aan asbeststof bestond, doeltreffende voorlichting werd gegeven over:

a. mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof;

b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarden;

c. de maatregelen inzake de hygiëne, bedoeld in artikel 4.5 1;

d. maatregelen om de blootstelling aan asbeststof zo laag mogelijk te houden;

e. het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en kleding; en/of

in strijd met het bepaalde in artikel 4.45b van voornoemd besluit niet aan alle werknemers die werkzaamheden verrichtten waarbij zij aan asbeststof werden of konden worden blootgesteld met regelmatige tussenpozen een passende opleiding werd verzorgd; en/of

in strijd met het bepaalde in artikel 4.47c van voornoemd besluit niet voor aanvang van de werkzaamheden tijdig door de werkgever schriftelijk een melding werd gedaan aan een daartoe aangewezen toezichthouder; en/of

in strijd met het bepaalde in artikel 4.50 lid 1 niet voordat werd aangevan gen met de werkzaamheden door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, een schriftelijk werkplan werd opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers,

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers ontstond of te verwachten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 28 juli 2006 tot en met 15 augustus 2006 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, bij het arbeid doen verrichten op een arbeidsplaats, zijnde het maalgebouw op/aan perceel [W.weg], grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of ondeskundig heeft/hebben gehandeld doordat zij bij het slopen, verwijderen en/of verplaatsen van asbesthoudende platen van de gevel van dat maalgebouw (eigen en/of andere) werknemers, die niet gecertificeerd waren voor het werken met asbest en/of

niet over de geëigende beschermingsmiddelen beschikten (onoordeelkundig) asbestverdachte platen uit de gevel van dat maalgebouw heeft/hebben laten verwijderen, waardoor die platen en/of de gevel werden vernield en/of beschadigd, ten gevolge waarvan asbest(stof) vrijkwam, en/of (vervolgens) arbeid heeft/hebben laten verrichten op het met asbest besmette terrein,

waardoor het aan de schuld van haar, verdachte, en/of haar mededader(s) te wijten is dat wederrechtelijk een stof, te weten asbest(stof), in de lucht werd gebracht en/of (verder) verspreid, terwijl daarvan gevaar voor de volksgezondheid of levensgevaar voor anderen te duchten was;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 28 juli 2008 tot en met 15 augustus 2008 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk handelingen heeft/hebben verricht of nagelaten met betrekking tot de (in de uitoefening van haar beroep) ontstane afvalstoffen, te weten asbest, waarvan zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, immers heeft/hebben zij bij het slopen, verwijderen en/of verplaatsen van

asbesthoudende platen van de gevel van een maalgebouw (eigen en/of andere) werknemers, die niet gecertificeerd waren voor het werken met asbest en/of niet over de geëigende beschermingsmiddelen beschikten (onoordeelkundig) asbestverdachte platen uit de gevel van dat maalgebouw laten verwijderen, waardoor die platen en/of de gevel werden vernield en/of beschadigd, ten gevolge waarvan asbest(stof) vrijkwam, en/of (vervolgens) arbeid heeft/hebben laten verrichten op het met asbest besmette terrein.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature