Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Weigering bouwvergunning.

Uitspraak



RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03/505 WRO

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 25 maart 2003.

Kenmerk: 01.21/030001-A-HL.

Behandeling ter zitting: 2 september 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 25 maart 2003 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 2 januari 2003 tegen een door verweerder genomen besluit van 12 december 2002, inhoudende de weigering van de door eiser gevraagde bouwvergunning, ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is door eiser beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 2 september 2003, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. H.M.H. Leunessen en de heer Stevens, ambtenaren der gemeente.

II. OVERWEGINGEN.

II.1 Eiser heeft op 21 november 2002 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een bouwvergunning voor het perceel […] […] te B, kadastraal bekend gemeente B […], sectie […] nummer […], voor de renovatie en verbouwing van een bestaande berging en garagebox tot één berging (fase 1) en voor een renovatie en een verbouwing van twee garageboxen tot één garage (fase 2). De verbouwing van fase 1 voorziet in een verhoging van het bijgebouw met 40 cm en in een uitbreiding van de vloeroppervlakte van dit bijgebouw met ongeveer 3,5 m2.

Bij besluit van 12 december 2002 is deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder aangevoerd dat het bouwplan van eiser voorziet in een verhoging van het bouwwerk, hetgeen in strijd is met de in het vigerende bestemmingsplan ‘Giesen Bautsch 2e herziening’ opgenomen overgangsbepaling artikel 43, eerste lid, sub 3. Bovendien wordt in de aanvraag niet aangegeven dat de grondoppervlakte van de bijgebouwen op het perceel […] […] (thans ca. 122,5 m2) wordt teruggebracht tot het ter plaatse maximaal toelaatbare oppervlakte van 53 m2 of - met vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) - 60 m2. Volgens verweerder is in het onderhavige geval geen vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 15, 17 of 19 van de WRO mogelijk.

Bij brief van 2 januari 2003 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Daarbij heeft hij aangevoerd, dat het door verweerder aangevoerde artikel 43, eerste lid, sub 3, van de planvoorschriften niets bepaalt omtrent een verhoging van het bouwwerk. Volgens eiser betekent dit, dat bij een uitbreiding van een bestaand bouwwerk enkel een restrictie van 10% geldt ten aanzien van de vergroting van het grondoppervlak. Op de hoogte van het bouwwerk is volgens eiser overige regelgeving van toepassing. Nu het bouwplan niet in strijd is met de overgangsbepaling van het bestemmingsplan, is, aldus eiser, toepassing van artikel 15, 17 en 19 van de WRO niet aan de orde.

Eiser heeft afgezien van de mogelijkheid om op het bezwaar te worden gehoord.

Bij brief d.d. 27 februari 2003 geeft eiser nog aan dat in het verleden waarschijnlijk een bouwvergunning is verleend voor de thans op zijn perceel aanwezige bijgebouwen met een totale oppervlakte van 112,5 m2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder – zakelijk weergegeven - het navolgende ten grondslag gelegd.

De onderhavige aanvraag ziet volgens verweerder enkel op een bouwvergunning voor de door eiser aangegeven fase 1 (renovatie en verbouwing van een bestaande berging en garagebox tot één berging).

In het onderhavige geval bevindt zich volgens verweerder in de begane grondlaag een woning en bedraagt de bouwkaveloppervlakte ongeveer 530 m2. Met toepassing van artikel 23, tweede lid, sub g, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan ‘Giesen Bautsch 2e herziening’ zou maximaal 20% van de bouwkaveloppervlakte, derhalve 106 m2, van de achterruimte met aanbouwen of bijgebouwen kunnen worden bebouwd. Echter, in de bestaande situatie is volgens verweerder reeds 122,5 m2 van de achterruimte met aanbouwen of bijgebouwen bebouwd. Hoewel bij besluit van 12 december 1963 een bouwvergunning is verleend voor deze bijgebouwen en aanbouw, is de bestaande situatie strijdig met de geldende planvoorschriften en is, aldus verweerder, de overgangsbepaling uit het bestemmingsplan van toepassing.

Op grond van artikel 43, eerste lid, sub 3, kan het bestaande bouwwerk – ook nu dat reeds in strijd is met de bestemmingsplanvoorschriften - met vrijstelling van burgemeester en wethouders worden uitgebreid met een grondoppervlak van 12,25 m2. De overgangsbepalingen bevatten verder echter geen bepaling met betrekking tot het verhogen van bouwwerken. De systematiek van het overgangs-recht is, aldus verweerder, gebaseerd op het uitgangspunt dat al hetgeen niet uitdrukkelijk volgens het overgangsrecht is (of kan worden) toegestaan, verboden is. In het onderhavige geval betekent dit dus dat een verhoging van het door eiser te verbouwen bouwwerk niet is toegestaan.

Aangezien een aangevraagde bouwvergunning niet gedeeltelijk kan worden verleend, dient de gevraagde bouwvergunning, gelet op de door eiser voorgenomen verhoging van een bijgebouw, in zijn geheel te worden geweigerd.

Volgens verweerder is verder na onderzoek gebleken dat een vrijstelling op grond van artikel 15 of 17 van de WRO niet tot de mogelijkheden behoort. Bij de toepassing van de vrijstellingsmogelijkheden op grond van artikel 19, eerste, tweede en derde lid, van de WRO vindt een toetsing plaats aan het beleid dat de gemeente Heerlen voert met betrekking tot nieuwe bestemmingsplannen. Ingevolge dat beleid wordt met betrekking tot aanbouwen of bijgebouwen een maximale vloeroppervlakte van 60 m2 gehanteerd. In het onderhavige geval wenst eiser echter vast te houden aan de bestaande bebouwing met een vloeroppervlakte van 122,5 m2, zodat een vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO niet tot de mogelijkheden behoort.

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe heeft hij in beroep het navolgende aangevoerd. In tegenstelling tot hetgeen verweerder meent, heeft de onderhavige aanvraag tot bouwvergunning betrekking op de verbouwing in de 1e én 2e fase. Volgens eiser laat artikel 43, eerste lid, sub 1, van de planvoorschriften, een verhoging van het gedeeltelijk te verbouwen bouwwerk toe. Volgens eiser vraagt hij een gedeeltelijke vernieuwing en verandering van het bestaande bouwwerk aan en is dit conform voornoemd artikel toegestaan, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet zullen worden vergroot. Volgens eiser vormt de oppervlakte en niet de hoogte van het bestaande bijgebouw de aard van de bestaande afwijking. Op deze stelling is verweerder, aldus eiser, niet ingegaan.

II.2 De rechtbank dient thans te beoordelen, of verweerder terecht en op de juiste gronden het verlenen van de bouwvergunning heeft geweigerd. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Artikel 44 van de WW - zoals dit luidde tot 1 januari 2003 - bepaalt, voor zover van belang:

“De bouwvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien:

(…)

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen; (…)”

Uit het dwingendrechtelijk karakter van artikel 44 van de WW volgt dat een bouwvergunning dient te worden geweigerd indien zich één of meer van de in het artikel genoemde weigeringsgronden voordoen, en dat de vergunning moet worden verleend indien een dergelijke weigeringsgrond ontbreekt. Hierbij is geen plaats voor onderzoek en afweging van de bij de bouwvergunning betrokken belangen.

Ingevolge het vigerende bestemmingsplan ‘Giesen Bautsch 2e herziening’ rust op het perceel […] […] te B de bestemming ‘gemengde bebouwing, bebouwingsklasse G IIIb 2-3’.

Artikel 23 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften luidt – voor zover van belang -:

“1. De op de plankaart als gemengde bebouwing, bebouwingsklasse G IIIb 2-3, aangegeven gronden zijn bestemd voor woondoeleinden of woon- en kantoordoeleinden of woon- en bedrijfsdoeleinden (…).

2. Op deze gronden mogen uitsluitend eengezinswoningen in de vorm van meer dan twee aaneengebouwd, alsmede gebouwen ten behoeve van de overige in lid 1 genoemde doeleinden worden gebouwd, met dien verstande dat: (…)

f. de achterruimte bebouwd mag worden tot een oppervlakte van maximaal 10% der totale bouwkaveloppervlakte en tot een hoogte van maximaal 4 m;

g. burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bepaalde onder e. en f., de achterruimte te bebouwen met aan- c.q. bijgebouwen, indien in de begane grondlaag een woning wordt gebouwd tot een oppervlakte van maximaal 20% der totale bouwkaveloppervlakte en tot een hoogte van maximaal 4 m (…)

Op het perceel […] […] te B bevindt zich in de begane grondlaag een woning. Het perceel heeft verder een bouwkaveloppervlakte van ongeveer 530 m2. Dit brengt met zich mee dat met toepassing van artikel 23, tweede lid, sub f, van de planvoorschriften 10 % van de totale bouwkaveloppervlakte, derhalve 53 m2, van de achterruimte met aanbouwen of bijgebouwen kan worden bebouwd tot een hoogte van maximaal 4 meter. Op grond van artikel 23, tweede lid, sub g, zou nog een vrijstelling kunnen worden verleend om de achterruimte te bebouwen met bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 20% van de totale bouwkaveloppervlakte, derhalve 106 m2.

In de bestaande situatie is echter reeds 122,5 m2 van de achterruimte met bijgebouwen bebouwd. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat de bestaande situatie strijdig is met de geldende (voormelde) planvoorschriften.

Niet in geschil is dat bij besluit van 12 december 1963 voor de onderhavige bijgebouwen bouwvergunning is verleend. Verweerder heeft derhalve terecht geoordeeld dat op het onderhavige geval de bij het bestemmingsplan ‘Giesen Bautsch 2e herziening’ behorende overgangsbepalingen van toepassing zijn. Artikel 43, eerste lid, van de planvoorschriften luidt – voor zover van belang -:

“Bouwen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp van het plan bestond of nadien legaal is of kan worden gebouwd en dat afwijkt van het plan mag, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet zullen worden vergroot:

(…)

3. met vrijstelling van burgemeester en wethouders worden uitgebreid met een vergroting welke niet meer bedraagt dan 10% van het grondoppervlak van het in de aanhef bedoelde bestaande bouwwerk.”

Op grond van deze overgangsbepaling zouden de aanwezige bijgebouwen nog met een vloeroppervlakte van 12,25 m2 kunnen worden uitgebreid. De door eiser voorgenomen uitbreiding van de vloeroppervlakte van de bijgebouwen met ongeveer 3,5 m2 behoort derhalve tot de mogelijkheden.

Ten aanzien van de door eiser voorgenomen verhoging van een deel van de bijgebouwen overweegt de rechtbank het navolgende. Artikel 43, eerste lid, van de planvoorschriften bevat geen expliciet voorschrift ten aanzien van het verhogen van de in dit artikel bedoelde bouwwerken. Wel bepaalt genoemd artikel dat de bestaande afwijkingen naar hun aard niet mogen worden vergroot. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de aard van de bestaande afwijking echter niet gevormd door de hoogte van het bouwwerk. De zinsnede ‘mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot’ ziet volgens de rechtbank namelijk eerder op gebruiksveranderingen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 43, eerste lid, van de planvoorschriften een verhoging van het onderhavige bijgebouw niet toestaat. Het thans bestreden besluit kan derhalve niet in rechte in stand blijven. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van het navolgende. In tegenstelling tot hetgeen verweerder in het bestreden besluit overweegt, heeft de onderhavige aanvraag tot bouwvergunning betrekking op de renovatie en verbouwing van een bestaande berging en garagebox tot één berging (fase 1) én op de renovatie en een verbouwing van twee garageboxen tot één garage (fase 2). In het nieuw te nemen besluit dient verweerder derhalve de aanvraag tot bouwvergunning ten aanzien van beide fasen te beoordelen.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,-- wordt vergoed door de Gemeente heerlen.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2003 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E.B.A. Ferwerda w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:11 september 2003

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuurs-rechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature