Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Weigering omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, 2°, van de Wabo voor vergroting van de opslagcapaciteit afvalverwerker. Procesbelang curator in faillissement. Toepassing artikel 2.21 Wabo vindt slechts op verzoek van de aanvrager plaats. Naleefbaarheid van de te vergunnen situatie dient in het kader van de beoordeling van de gevolgen voor het milieu te worden betrokken. Feitelijk ontstane situatie en niet de overtredingen van de geldende vergunningvoorschriften aan de weigering ten grondslag gelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heft hoeven zien om te onderzoeken of de aangevraagde activiteiten door het stellen van een voorschrift over de hoogte van keermuren vergunbaar zijn. Weigering berust niet op het Landelijk Afvalbeheerplan; verweerder mocht doelmatig afvalbeheer en strijd met de uitgangspunten van het LAP betrekken bij de conclusie dat de aangevraagde opslagcapaciteit leidt tot negatieve gevolgen voor het milieu.

Uitspraak



RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/2663

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 november 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V.] te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Pasveer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van [B.V.] om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afgewezen.

Eiseres, curator in het op 8 juni 2015 uitgesproken faillissement van [B.V.], heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2], de toezichthouders [naam 3] en [naam 4], en bijgestaan door de deskundigen [naam 5] en [naam 6] (van Royal HaskoningDHV).

Overwegingen

1. [B.V.] exploiteerde tot 8 juni 2015, de datum van het faillissement, een inrichting voor het ontvangen, bewerken, opslaan en overslaan van afvalstromen. De oprichtingsvergunning voor de inrichting, die thans geldt als omgevingsvergunning op grond van de Wabo, is verleend op 24 januari 2006 en is verleend voor een maximale doorzet van circa 100.000 ton per jaar en een totale opslagcapaciteit van circa 10.000 ton onderscheiden naar diverse gemengde afvalstromen en monostromen. Na oprichting zijn er diverse zogenoemde veranderingsvergunningen verleend, waarvan van belang zijn de (niet in werking getreden) veranderingsvergunning van 1 november 2007 (inmiddels na de datum hier in geding gedeeltelijk ingetrokken en daardoor alsnog in werking getreden voor zover het betreft het wel uitgevoerde gedeelte) en de omgevingsvergunning milieuneutrale verandering van 12 augustus 2013 (verhoging van de opslaghoogte).

2. Op 14 oktober 2013 heeft [B.V.] een aanvraag ingediend bij het op dat moment bevoegde gezag, het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. [B.V.] heeft verzocht om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, 2°, van de Wabo (revisievergunning) ten behoeve van actualisatie van de vergunningensituatie alsmede wijzigingen ten opzichte van de vergunde situatie die met name zijn gelegen in een vergrote opslag van afval tot een totale hoeveelheid van ruim 17.000 ton (waarvan deel uitmaakt 1.000 ton monostroom kunststof). Tevens heeft [B.V.] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voor het opbulken van maximaal 10.000 ton ingezameld kunststofafval, alsmede aan aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van een kunststofsorteerinstallatie.

De aanvraag van 14 oktober 2013 is in verband met het vervallen van artikel 3.3a van het Besluit omgevingsrecht (Bor) per 1 januari 2014 en de daarmee samenhangende wijziging van het bevoegd gezag doorgestuurd naar verweerder. Met ingang van 18 februari 2015 heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegen en [B.V.] heeft daarover een zienswijze ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo de aanvraag van [B.V.] afgewezen. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de omvang van de in 2014 en 2015 geconstateerde, en nog voortdurende, overtredingen en omdat toename van de opslagcapaciteit in verhouding tot de gelijkblijvende doorzet niet leidt tot een doelmatige verwerking, een uitbreiding van de toegestane maximale opslaghoeveelheden van afvalstoffen niet verantwoord te achten is. Tevens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de geurbelasting door aan- en afvoer, op- en overslag van groenafval, huishoudelijk afval, bedrijfsafval en stedelijk afval onaanvaardbaar is. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat zich in de directe omgeving van MSZ drie bedrijven bevinden die beschouwd worden als geurgevoelige objecten en dat een geurimmissieconcentratie van meer van 1,5 ouE/m³ als 98-percentiel niet acceptabel is.

3. Met betrekking tot de vraag of eiseres, als curator in het faillissement, een procesbelang heeft bij het op vernietiging van het bestreden besluit gerichte beroep, overweegt de rechtbank als volgt. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting verklaard dat het procesbelang is gelegen in een schadeclaim. Daarbij is gewezen op de verwevenheid van de onderhavige geweigerde omgevingsvergunning met de handhavingskwestie: als de onrechtmatigheid van de onderhavige weigering komt vast te staan ziet de gemachtigde gevolgen voor de omvang en de rechtmatigheid van de last onder bestuursdwang, die samen met de negatieve aandacht wordt gezien als oorzaak van het faillissement. Door eiseres is verder naar voren gebracht dat de uitkomst van deze procedure van belang is bij eventuele verkoop van het bedrijf.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een rechtsvordering met gevolgen voor de failliete boedel en acht de beweerdelijke schade, deels toe te rekenen aan het thans bestreden besluit, tot op zekere hoogte aannemelijk. De rechtbank gaat dan ook uit van procesbelang aan de zijde van eiseres bij het op vernietiging van het bestreden besluit gerichte beroep.

4. Ingevolge het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, onder e, 2º van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting.

In artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo wordt ten aanzien van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, beschreven (a) welke aspecten in ieder geval bij de beslissing op de aanvraag moeten worden betrokken, (b) met welke aspecten bij die beslissing in ieder geval rekening moet worden gehouden en (c) welke aspecten hierbij in ieder geval in acht moeten worden genomen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan.

Ingevolge artikel 2.21 van de Wabo kan het bevoegd gezag op verzoek van de aanvrager, indien een aanvraag betrekking heeft op een project dat uit verschillende activiteiten bestaat en de omgevingsvergunning voor dat project moet worden geweigerd, de omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten waarvoor zij niet hoeft te worden geweigerd.

Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Wet milieubeheer (Wm) worden onder gevolgen voor het milieu (a) in ieder geval verstaan de gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen. Onder gevolgen voor het milieu worden (b) mede verstaan gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen (…).

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wm wordt onder doelmatig beheer van afvalstoffen verstaan: zodanig beheer van afvalstoffen dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende afvalbeheerplan, dan wel de voor de vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan wel de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10. 5.

5. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerders besluitvorming over de aanvraag veel te lang, en onnodig lang, heeft geduurd, onder meer door het opvragen van informatie waarvan eiseres van mening is dat die voor de aangevochten weigering van de gevraagde omgevingsvergunning niet nodig is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de (te) lange duur en de gang van zaken bij de voorbereiding bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de aanvraag geen rol speelt en niet tot gegrondheid van het beroep kan leiden. Indien en voor zover is beoogd daarmee een beroep te doen op schending van artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is de rechtbank niet gebleken van vooringenomenheid dan wel vooropgezette vertraging door verweerder. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven op verschillende momenten uit zorgvuldigheidsoverwegingen om nadere informatie te hebben verzocht en waarvoor de nader opgevraagde informatie nodig is geweest. Om de onoverzichtelijke informatie inzake de soorten afval, de maximale opslaghoeveelheden, de doorzet per afvalstof en de opslaglocaties te structureren, is bijvoorbeeld verzocht een overzichtelijke tabel met tekening over te leggen. Daarmee werd het voor verweerder overzichtelijker welke afvalstoffen, hoeveel en waar zouden worden opgeslagen en kan niet gezegd worden dat verweerder van het opvragen van deze noodzakelijke informatie een verwijt kan worden gemaakt. Deze grond slaagt dan ook niet.

6. Eiseres heeft betoogd dat verweerder heeft verzuimd op de aanvraag om een OBM te beslissen en dat verweerder geen onderscheid heeft gemaakt tussen vergunningplichtige opslag en niet-vergunningplichtige opslag die onder het Activiteitenbesluit valt, welke opslag (van inerte goederen) in zoverre niet kan leiden tot weigering. Verweerder is van mening impliciet te hebben beslist op de aanvraag om een OBM.

De rechtbank stelt vast dat eiseres bij de aanvraag van 14 oktober 2013 de vraag met betrekking tot ‘blokkerende onderdelen weglaten’ ontkennend heeft beantwoord. Dat betekent dat de samenhangende omgevingsvergunningen voor het samenstel van activiteiten als geheel worden beoordeeld en dat, als er een grond is voor weigering, de onderscheiden omgevingsvergunningen met betrekking tot het project in die uitkomst delen. Toepassing van artikel 2.21 van de Wabo vindt niet ambtshalve en slechts op verzoek van de indiener plaats. Nu bij de aanvraag de optie ‘blokkerende onderdelen weglaten’ met ‘nee’ is beantwoord, heeft verweerder, overeenkomstig de wens van [B.V.], ervan mogen afzien om apart op de aanvraag om een OBM, al dan niet samen met een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, te beslissen. Voor zover de bij de aanvraag vermelde gegevens over opslag tevens moeten worden beschouwd als melding in het kader van het Activiteitenbesluit staat dat niet in de weg aan de voorliggende weigering. Deze grond slaagt dan ook niet.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een uitbreiding van de toegestane maximale opslaghoeveelheden van afvalstoffen niet doelmatig en niet verantwoord is. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat er in 2014 en 2015 overtredingen zijn geconstateerd en dat die overtredingen, hoewel eiseres daarop is aangesproken, hebben voortgeduurd en zelfs zijn toegenomen. De betreffende overtredingen worden direct of indirect veroorzaakt door de bij controle aangetroffen hoeveelheid afval, en de wijze van opslag, en hebben tot een niet of slecht beheersbare situatie geleid. Daaruit heeft verweerder de conclusie getrokken dat in de praktijk is gebleken dat het opslaan van met de aanvraag vergelijkbare hoeveelheden afval, althans meer dan reeds vergund in 2006, op het terrein van de inrichting afdoet aan het belang van bescherming van het milieu en tot gevolg heeft dat er geen sprake is van doelmatig beheer dan wel doelmatige verwijdering van afvalstoffen. De aangevraagde opslagcapaciteit, terwijl de doorzet gelijk blijft, draagt volgens verweerder niet bij aan doelmatige verwerking van de afvalstromen. Daarnaast is verweerder van mening dat de aangevraagde opslagcapaciteit leidt tot onaanvaardbare geurbelasting.

8. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de gevraagde omgevingsvergunning niet mag worden geweigerd wegens vrees voor toekomstige overtredingen en dat het naleven van vergunningvoorschriften los staat van (de beslissing over) vergunningverlening. Eiseres is van mening dat verweerder aan de afwijzing van de gevraagde omgevingsvergunning ten grondslag heeft gelegd de feitelijke situatie op het terrein van de inrichting in de jaren 2014 en 2015 en de door verweerder gestelde overtredingen, die onderwerp zijn van een andere procedure met zaaknummer 15/2797. Eiseres heeft betoogd dat de vergunningverlening geheel los hiervan dient te worden beoordeeld.

9. De rechtbank stelt voorop dat de vrees voor niet-naleving en overtreding van vergunningvoorschriften door de drijver van de inrichting op zichzelf geen grondslag kan zijn voor weigering van de gevraagde omgevingsvergunning. De naleefbaarheid daarentegen van de te vergunnen situatie dient echter in het kader van de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van hetgeen is aangevraagd en de toetsing aan artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo bij de beslissing op de aanvraag te worden betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, anders dan eiseres heeft gesteld, aan de afwijzing van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu in zoverre niet de naleving en de overtredingen van vergunningvoorschriften, maar wel de naleefbaarheid van hetgeen met de aanvraag van 14 oktober 2013 is beoogd aan opslagcapaciteit te verkrijgen, ten grondslag heeft gelegd en daarmee (mede) een criterium aan de beslissing ten grondslag gelegd dat in overeenstemming is met artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo .

10. Aan [B.V.] was vergund om ongeveer 10.000 ton afval op te slaan op het buitenterrein van de inrichting en bij de aanvraag van 14 oktober 2013 is een opslagcapaciteit gevraagd van ruim 17.000 ton.

In het rapport van Royal HaskoningDHV van 5 januari 2015 is een inschatting gemaakt van de op dat moment aanwezige hoeveelheid afval van 13.160 m³ (naar onderscheiden soortelijke gewichten) en geïndiceerd dat ongeveer 11.600 tot 12.000 ton afval diende te worden verwijderd om de vergunde situatie te bereiken. Feitelijk is in maart 2015 en augustus/september 2015 (8.147 + 1.656 =) 9.803 ton afval en 31 m³ afvalwater afgevoerd. Daarbij dient in acht te worden genomen dat inname van afval nog enige tijd na het rapport van Royal HaskoningDHV heeft plaatsgevonden. In samenhang met de geconstateerde opslag van afvalstoffen in deze omvang op dit terrein heeft verweerder gewezen op negatieve gevolgen voor het milieu:

- belemmering van de bereikbaarheid door hulpdiensten;

- ongewenste vermenging van afvalstoffen;

- niet (tijdig) afvoeren van afvalstoffen;

- het niet in goede staat verkeren van de inrichting;

- niet schoon houden van de inrichting;

- niet doelmatige bestrijding van ongedierte;

- niet doelmatig verwijderen dan wel verwerken van afvalstoffen;

- geuroverlast in verband met niet doelmatig verwijderen van afvalstoffen;

- verplaatsing van bedrijfsactiviteiten naar buiten de inrichting (laden, lossen).

11. Uit artikel 2.14, derde lid van de Wabo volgt dat verweerder een zekere beoordelingsruimte heeft bij de bepaling of een vergunning al dan niet in het belang van de bescherming van het milieu moet worden geweigerd en dat andere belangen dan bescherming van het milieu geen grond kunnen vormen voor weigering van de gevraagde omgevingsvergunning. Wel dient de besluitvorming te voldoen aan de wettelijke eisen en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder een voldoende onderbouwing heeft gegeven voor het standpunt dat de door [B.V.] gevraagde opslagcapaciteit leidt tot negatieve gevolgen voor het milieu. Verweerder heeft op die grond in redelijkheid kunnen komen tot weigering van de door [B.V.] gevraagde omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu.

Verweerder heeft de in aanmerking genomen negatieve gevolgen voor het milieu mede afgeleid van de geconstateerde overtredingen, maar daarmee de feitelijk ontstane situatie en niet de overtredingen van de geldende vergunningvoorschriften aan de weigering ten grondslag gelegd. Dat overtredingen van die vergunningvoorschriften het milieu belasten en daarmee gelden als negatieve gevolgen voor het milieu, vloeit voort uit het feit dat die voorschriften zijn gesteld ter bescherming van het milieu. Het voortduren van deze situatie door de met de aanvraag beoogde toename van de opslagcapaciteit heeft in de visie van verweerder tot gevolg dat geen sprake is van een doelmatig beheer dan wel doelmatige verwijdering van afvalstoffen.

12. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd omtrent de beoogde opslagcapaciteit geeft de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder hiermee een onvoldoende onderbouwd standpunt aan de weigering van de gevraagde omgevingsvergunning ten grondslag heeft gelegd. Eiseres heeft in beroep vorenstaande negatieve gevolgen van de feitelijk in 2015 geconstateerde opslag van afvalstoffen op onderdelen betwist, althans betoogd dat een door verweerder gesteld negatief gevolg, de vermenging van afvalstoffen, met een voorschrift over de hoogte van de keermuren kan worden voorkomen.

De rechtbank overweegt hierover allereerst dat verweerders weigering niet is gebaseerd op de mogelijke afzonderlijke negatieve gevolgen voor het milieu van de aangevraagde opslagcapaciteit, maar op de naleefbaarheid van het geheel van opslagactiviteiten op het terrein van de inrichting. Voor de conclusie dat de naleefbaarheid onvoldoende is geborgd heeft verweerder gewezen op de algehele situatie op het terrein van de inrichting die is ontstaan door een grotere, en met de aangevraagde hoeveelheid overeenkomende, feitelijk ontstane opslag van afval en dus op de hiervoor weergegeven negatieve gevolgen in hun onderlinge samenhang.

Wat betreft de mogelijkheid om de negatieve gevolgen voor het milieu met een voorschrift over de hoogte van de keermuren te voorkomen, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de aanvraag niet gericht is op verhoging van de vergunde keerwanden. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat de bestaande keermuren die de afvalstromen dienen te scheiden, worden bedolven onder het afval en dat bij respectering van de maximaal vergunde opslaghoogte nog meer terreinoppervlakte zou moeten worden benut om de aangevraagde opslaghoeveelheden kwijt te kunnen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven te zien om te onderzoeken of de aangevraagde activiteiten door het stellen van een voorschrift over de hoogte van keermuren vergunbaar zijn.

13. Eiseres heeft betoogd dat verweerder de vergunning niet heeft kunnen weigeren op het criterium doelmatig beheer zonder daarbij het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) te betrekken. Eiseres heeft er in dat kader op gewezen dat [B.V.] voldeed aan het LAP.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij [B.V.] in strijd met de geldende vergunningvoorschriften en met de uitgangspunten en doelstellingen van het LAP, afvalstoffen te lang in de opslag aanwezig waren en er in zoverre geen sprake was van doelmatig afvalbeheer. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde vergunning niet is geweigerd op grond van het LAP, maar dat het door verweerder overwogene omtrent niet doelmatig afvalbeheer en strijd met de uitgangspunten en doelstellingen van het LAP een element is dat is en mocht worden betrokken bij de conclusie dat de aangevraagde opslagcapaciteit leidt tot negatieve gevolgen voor het milieu.

14. Voor zover eiseres heeft betoogd dat het niet vergroten van de doorzet geen overtreding is en geen milieuprobleem is of veroorzaakt, overweegt de rechtbank dat dit ook geen dragende overweging van het bestreden besluit is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat toename van de maximale opslagcapaciteit met gelijkblijvende doorzet kan leiden tot langdurigere opslag, waardoor, in strijd met (de uitgangspunten van) het LAP, sprake is van niet doelmatige verwerking van afval, het bestreden besluit kan dragen. Niet wordt ingezien waarom de in 2006 vergunde opslaghoeveelheden bij gelijkblijvende doorzet, vanuit milieubelangen, ontoereikend zijn.

15. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot weigering van de door [B.V.] gevraagde omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu en dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. De rechtbank ziet daarin tevens aanleiding om bespreking van de beroepsgronden gericht tegen verweerders standpunt dat de geurbelasting door aan- en afvoer, op- en overslag van groenafval, huishoudelijk afval, bedrijfsafval en stedelijk afval onaanvaardbaar is, achterwege te laten nu dat in vorenstaand oordeel geen wijziging meer kan brengen.

16. Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout (voorzitter), en mr. R.M.M. Kleijkers en mr. R.J.G.H. Seerden, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 november 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature