Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vrijspraak heling.

Uitspraak



RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/661202-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 april 2015

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman is mr. D. Dronkers, advocaat te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 11 november 2014 en 31 maart 2015. Op de terechtzitting van 31 maart 2015 hebben de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldheling van een hoeveelheid geld en/of goederen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat medeverdachte [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode ten onrechte een bijstandsuitkering ontving, laat staan dat verdachte de ten onrechte verstrekte uitkeringsgelden voorhanden heeft gehad of daarvan heeft geprofiteerd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 13 maart 2001 tot en met 12 maart 2013

een hoeveelheid geld en/of goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overdragen, terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld en/of die goederen van misdrijf afkomstig was/waren.

Voor een bewezenverklaring van de hiervoor genoemde helingsvarianten, welke strafbaar zijn gesteld in het eerste lid van artikel 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, is onder meer vereist dat het goed dat de heler heeft verworven, voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen de rechtstreekse buit van het misdrijf betreft.

Uit het dossier volgt dat de partner van de verdachte, mevrouw [medeverdachte], zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - uitkeringsfraude. Met andere woorden, zij heeft uitkeringsgelden ten onrechte ontvangen. In het dossier is echter geen bewijs voorhanden, waaruit blijkt dat verdachte op enig moment de rechtstreekse buit van dit misdrijf

- te weten: het geld dat [medeverdachte] door het plegen van uitkeringsfraude heeft ontvangen van de uitkeringsinstantie - heeft verworven, voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen.

Het moge wellicht zo zijn dat de verdachte, zoals de officier van justitie ter terechtzitting heeft gesteld, heeft meegeprofiteerd van de uitkering die [medeverdachte] ten onrechte heeft gekregen in de vorm van onderkomen, eten, kleding etcetera, maar dat valt niet onder de delictsomschrijving

van het ten laste gelegde eerste lid van artikel 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, aangezien deze bepalingen, zoals gezegd, zien op de rechtstreekse buit. Waar de officier van justitie wellicht op doelde is het verder verwijderde “profiteren van een door misdrijf verkregen goed”, zoals het aannemen van goederen die zijn gekocht van door misdrijf verkregen geld. Dat

is door de wetgever expliciet strafbaar gesteld in het tweede lid van de artikelen 416 en 417bis van het Wetboek van strafrecht. Deze helingsvariant is echter - nog daargelaten of verdachte

zich daaraan schuldig heeft gemaakt - niet aan de verdachte ten laste gelegd en de rechtbank

komt dan ook niet aan de beantwoording van die vraag toe.

De rechtbank komt, gelet op het vorenstaande, tot de slotsom dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 april 2015.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks het tijdvak van 13 maart 2001 tot en met 12 maart 2013 te Roermond, in elk geval in Nederland, een hoeveelheid geld en/of goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van geld en/of goederen wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 13 maart 2001 tot en met 12 maart 2013 te Roermond, althans in elk geval in het arrondissement Roermond en/of Limburg, in elk geval in Nederland, een hoeveelheid geld en/of goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van geld en/of goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature