Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vreemdelingenrecht.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13 / 13425 en AWB 13 / 13426

Uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoekster], verzoekster,

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 5 juli 2012 heeft verzoekster verweerder verzocht haar opvang dan wel verstrekkingen te verlenen op grond van hetzij de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (hierna: Rva), hetzij de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (hierna: Rvb).

Bij besluit van 29 augustus 2012 (hierna: besluit 1) heeft verweerder in reactie op voormeld verzoek geweigerd verzoekster opvang op grond van de Rva te verlenen.

Bij besluit van 14 september 2012 (hierna: besluit 2) heeft verweerder geweigerd verzoekster (voor de maand juli 2012) verstrekkingen op grond van de Rvb toe te kennen.

Verzoekster heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep gericht tegen besluit 1 is geregistreerd onder nummer AWB 12/27903. Aan het beroep gericht tegen besluit 2 is nummer AWB 12/30179 toegekend.

Verweerder heeft de stukken die op voormelde zaken betrekking hebben ingezonden.

Op 23 mei 2013 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht ter zake van beide besluiten een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te treffen. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem.

Bij faxbericht van 28 mei 2013 heeft verweerder gereageerd op hetgeen verzoekster aan de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening ten grondslag heeft gelegd.

Op 30 mei 2013 heeft verzoekster per fax nadere stukken ingediend.

Die stukken zijn aan verweerder doorgezonden. Van de bij die gelegenheid geboden mogelijkheid om te reageren heeft verweerder geen gebruik gemaakt.

Overwegingen

1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerking-treding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.

Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen indien hij kennelijk onbevoegd is, of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. In het vierde lid is bepaald dat ook indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daadoor niet in hun belangen worden geschaad, de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak kan doen.

4.

Na kennis te hebben genomen van de stukken, acht de voorzieningenrechter in dit geval termen aanwezig om zonder zitting uitspraak te doen. Ten aanzien van het verzoek met nummer AWB 13/13426, dat zich richt tegen besluit 1, overweegt de voorzieningenrechter in dat kader het volgende.

5.

Een verzoek om een voorlopige voorziening behoort de grenzen van het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb vervatte vereiste van connexiteit niet te buiten te gaan. Vastgesteld moet worden dat het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend hangende het beroep tegen het eerder genoemde besluit (1) van 29 augustus 2012. Derhalve is in formele zin aan het connexiteitsvereiste voldaan.

6.

Ook in materiële zin dient aan het connexiteitsvereiste te worden voldaan. Anders gezegd: de gevraagde voorlopige voorziening moet betrekking hebben op het daaraan connexe – in de hoofdzaak bestreden – besluit. Het in de hoofdzaak bestreden besluit 1 betreft het (niet) verstrekken van voorzieningen op grond van de Rva. Verzoekster voert aan dat toen zij in augustus 2012 op straat werd gezet, haar gemachtigde actief heeft gezocht naar particuliere opvang omdat het gezien de medische/psychische situatie van verzoekster onverantwoord is haar op straat te laten verblijven. Verzoekster is vervolgens ondergebracht bij het Medisch Opvangproject voor Ongedocumenteerden (hierna: MOO) in Amsterdam. Zoals blijkt uit de brief van de gemeente Amsterdam van 21 mei 2013 wordt het verblijf van verzoekster in de MOO op 31 mei 2013 beëindigd. Verder voert verzoekster aan dat zowel de gemeente Amsterdam, als de gemeente Den Bosch in het kader van de aan die gemeenten gerichte aanvragen om voorzieningen, dan wel verstrekkingen op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) te kennen hebben gegeven dat de Rva, dan wel Rvb in dit kader als een voorliggende voorziening moet worden beschouwd, die aan het verlenen van verstrekkingen op grond van de WWB en de Wmo in de weg staan. Bij uitspraken van 30 mei 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, de onderscheiden verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen die verzoekster heeft gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch van 25 april 2013, respectievelijk het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam van 21 mei 2013, waarbij de verzoeken om adequate opvang en om reis- en leefgeld van verzoekster zijn afgewezen. In die uitspraken heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COa) en niet voornoemde colleges het eerstaangewezen orgaan is om zich te buigen over de vraag of verzoekster aanspraak heeft op opvang ingevolge de Wet COA of de Rva, en of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die – buiten de kaders van de Rva om – noodzaken om feitelijke opvang te verlenen en daarbij de door verzoekster gestelde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) te betrekken.

7.

Gelet op voormelde uitspraken moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden vastgesteld dat, ondanks de door verweerder aangehaalde omstandigheid dat verzoekster momenteel geen gebruik maakt van opvangvoorzieningen van het COa, de materiële connexiteit van het onderhavige verzoek voldoende is komen vast te staan.

8.

Gezien de beëindiging van de opvang bij het MOO, thans voorzien met ingang met van 3 juni 2013, acht de voorzieningenrechter het spoedeisend karakter van het verzoek eveneens genoegzaam aangetoond.

9.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor de indiener van het verzoek uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekster een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel de beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of er sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel over het geschil in de hoofdzaak.

10.

Aan het in de brief van 5 juli 2012 vervatte verzoek om opvang dan wel verstrekkingen te verlenen is ten grondslag gelegd dat verzoekster per 1 augustus 2012 haar opvangplek moet verlaten en zij gezien haar ernstige psychische problematiek niet op straat kan verblijven.

11.

Verweerder heeft het verzoek om opvang op grond van de Rva van verzoekster afgewezen omdat verweerder alleen tot opvang kan overgaan indien verzoekster behoort tot een van de categorieën asielzoekers aan wie opvang wordt geboden. Onder verwijzing naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rva heeft verweerder erop gewezen dat verzoekster, van wie niet gebleken is dat sprake is van een lopende asielprocedure, niet tot de opvang kan worden toegelaten. Verweerder is gebleken dat verzoekster geen rechtmatig verblijf heeft en daarom gelet op het zogenoemde koppelingsbeginsel geen aanspraak kan maken op verstrekkingen, uitkeringen en voorzieningen. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, waaronder het gestelde omtrent haar medische/psychische klachten, kan in de visie van verweerder niet worden aangemerkt als zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder alsnog gehouden zou zijn opvang te verlenen. Het beroep van verzoekster op verschillende internationale verdragen (artikel 8 van het EVRM , de artikelen  2, 10 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, de artikelen 13 en 31 van het Europees Sociaal Handvest en de artikelen 2 en 5 van het Vrouwenverdrag van de Verenigde Naties ) heeft verweerder niet tot een andersluidend besluit gebracht.

12.

Verzoekster voert aan dat zij voorafgaand aan haar vlucht uit de Democratische Republiek Congo (hierna: DRC) gevangen heeft gezeten en tijdens haar gevangenschap meermalen is verkracht. Haar is geen verblijfsvergunning asiel verleend. Zij voert verder aan dat zij als gevolg van de gebeurtenissen in de DRC lijdt aan ernstige psychische klachten, waaronder Post Traumatische Stress Stoornis (hierna: PTSS), depressie en zelfmoorddreiging, waarvoor zij wekelijks therapie volgt. Daarnaast geeft zij aan een medische behandeling te ondergaan in verband met littekenweefsel. Ook voert verzoekster aan dat zij rechtmatig in Nederland verblijft. In de ‘verblijfskolom’ heeft de vreemdelingenrechter haar beroep namelijk gegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, volgens verzoekster omdat het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) haar medische situatie niet goed heeft onderzocht.

13.

Verzoekster heeft er verder opgewezen dat inmiddels een nieuw BMA-advies uitgebracht en dat haar behandelaars op dat nieuwe advies hebben gereageerd. Verzoekster heeft zowel het BMA-advies van 15 januari 2013, als de schriftelijke reacties daarop van haar behandelaars in het geding gebracht. Volgens verzoekster kan verweerder haar helpen door haar in het kader van de Rva voorzieningen toe te kennen op grond van de situatie analoog aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij een zeer kwetsbare persoon is, die bijzondere bescherming behoeft op grond van artikel 8 van het EVRM . In dit verband heeft zij gewezen op hetgeen haar in de DRC is overkomen. Om te herstellen van de schade die haar toen is toegebracht heeft zij volgens haar behandelaars een veilige omgeving nodig.

14.

Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvan g asielzoekers (hierna: Wet COA), zijn, in afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 , de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van laatstgenoemde wet van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA.

15.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet COA is het COa onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

16.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet COA kan de minister het COa taken, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, opdragen met betrekking tot andere categorie ën vreemdelingen.

17.

Ingevolge artikel 12 van de Wet COA kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de ze wet. Krachtens deze bepaling is de Rva vastgesteld.

18.

In artikel 3 van de Rva is bepaald aan welke categorie ën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen door het COa opvang wordt geboden. In artikel 3, derde lid, aanhef en onder f en g, van de Rva zijn als een zodanige gelijkgestelde categorie aangewezen de vreemdeling wiens uitzetting op grond van artikel 64 van de Vw 2000 achterwege blijft en de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, of h, van de Vw 2000 , en zich naar het oordeel van de minister, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 .

19.

In artikel 4, derde lid, van de Rva is bepaald dat het enkele beroep op artikel 64 van de Vw 2000 dan wel het beroep op de daarmee gelijk te stellen feitelijke situatie, als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder g, van de Rva , geen recht op opvang genereert.

20.

Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

21.

De voorzieningenrechter stelt op grond van de stukken vast dat deze rechtbank en zittingsplaats te Roermond, bij uitspraak van 21 september 2012 (AWB 12/3880) het beroep van verzoekster gericht tegen de in bezwaar gehandhaafde weigering om ten aanzien van verzoekster toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000 , gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd. Bij uitspraak van gelijke datum (AWB 12/3881) heeft de voorzieningenrechter het aan dit beroep connexe verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat uitzetting van verzoekster achterwege dient te blijven totdat (opnieuw) op het bezwaar van verzoekster – gericht tegen de weigering om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000 – is beslist. De rechtbank heeft op grond van het BMA-advies van 11 mei 2011, dat de IND aan zijn besluitvorming over de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 ten grondslag had gelegd, onder meer geconcludeerd dat ook het BMA kennelijk niet zeker is over de gevolgen van het staken van de behandeling van verzoekster en dat het oordeel van de behandelaars van verzoekster over de noodzaak van een veilige behandelomgeving niet kenbaar in dit BMA-advies is betrokken.

22.

Volgens het hernieuwde BMA-advies van 15 januari 2013 dat verzoekster heeft overgelegd, wordt verzoekster op in het advies nader omschreven wijze behandeld in verband met psychische klachten die voortkomen uit PTSS en een depressieve stoornis, waarbij het gaat om diverse nader genoemde klachten. Verder wordt opgemerkt dat verzoekster zich soms suïcidaal uit. Er zijn volgens het advies geen concrete plannen of pogingen daartoe geweest. In antwoord op de vraag of het uitblijven van de in het advies genoemde behandeling gelet op de huidige medische inzichten zal leiden tot een medische noodsituatie geeft de BMA-arts aan dat een dergelijke situatie niet zal ontstaan. Aangegeven wordt dat “[U]itblijven van behandeling zal leiden tot een toename van klachten. De depressieve klachten en de meer angstgerelateerde klachten zullen naar verwachting toenemen. Medisch gezien zijn er onvoldoende argumenten om aan te nemen dat dit zich snel zal ontwikkelen tot een medische noodsituatie op korte termijn. Betrokkene is niet psychotisch, er zijn geen gedocumenteerde suïcidepogingen en betrokkene werd eerder nimmer gedwongen opgenomen.”

23.

Verder wordt vermeld dat de behandelaar van verzoekster wel zorgen uitspreekt over een toename van klachten in relatie tot uitzetting, maar dit aspect valt volgens de BMA-arts buiten de reikwijdte van deze vraag. Wel geeft dit volgens de BMA-arts aanleiding voor de in het advies nader omschreven reisvoorzieningen, te weten begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige en het meenemen en gebruiken van haar medicatie. Bij brief van 28 januari 2013 hebben de behandelaars van verzoekster op het BMA-advies van 15 januari 2013 gereageerd.

24.

Bij brief van 30 mei 2013 heeft de gemachtigde van verzoekster nog enkele aanvullende stukken in het geding gebracht. Dit betreft een medische verklaring van de behandelaars van verzoekster van 29 mei 2013, waarin de gestelde diagnose is weergegeven en waarin de behandelaars hun standpunt dat het beëindigen van de behandeling van verzoekster in hun visie wel kan leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn nader toelichten. Daarnaast heeft verzoekster een brief van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 24 mei 2013 overgelegd, waarin de Afdeling in een aantal bij de Afdeling aanhangige procedures, die geen betrekking hebben op de zaak van verzoekster, aan het COa een aantal vragen voorlegt over het verlenen van opvang in zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen, voor zover deze omstandigheden niet vallen onder het bereik van de categorieën van artikel 3 van de Rva .

25.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster niet behoort tot één van de categorieën vreemdelingen aan wie op grond van artikel 3 van de Rva opvan g moet worden geboden. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat tussen partijen niet in geschil is dat de eerder door verzoekster gevoerde asielprocedure in Nederland is geëindigd. Nu de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna IND) nog niet opnieuw op het bezwaar van verzoekster heeft beslist, is voorts (nog) niet vastgesteld dat verzoekster zich feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 , zodat zij niet behoort tot de categorie vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder g, van de Rva . Hieruit volgt verder dat verzoekster evenmin behoort tot de categorie vreemdelingen genoemd in artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Rva . De voorzieningenrechter neemt hierbij voorts in aanmerking dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat, zoals door de Afdeling is overwogen in haar uitspraak van 6 juni 2007 (LJN BA7789), eerst aanspraak op opvangvoorzieningen ontstaat nadat de IND heeft vastgesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 . De omstandigheid dat de IND thans nog niet opnieuw op het bezwaar van verzoekster betreffende de (analoge) toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 had beslist, leidt in de lijn van voormelde uitspraak van de Afdeling niet tot de conclusie dat verweerder dit besluit had moeten afwachten of bespoedigen, dan wel zelf in de beoordeling van de IND had moeten treden.

26.

De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 maart 2012 (LJN BW0578), de in artikel 3 van de Wet COA neergelegde wettelijke taak van verweerder ook inhoudt dat hij ondanks een meeromvattende beslissing opvang verleent in zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen, voor zover deze omstandigheden niet vallen onder het bereik van de in artikel 3 van de Rva aangewezen categorie ën. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan verweerder slechts onder zeer bijzondere omstandigheden, zoals in geval van een acute medische noodsituatie, aanleiding vinden om de verstrekkingen, hoewel daarop geen aanspraak bestaat, voort te zetten. Het is evenwel aan de vreemdeling om desgewenst aannemelijk te maken dat van zodanige bijzondere omstandigheden sprake is.

27.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in voornoemde uitspraak beoordeelt het COa ter beantwoording van de vraag of sprake is van een acute medische noodsituatie die tot opvang noopt, volgens het door hem gevoerde beleid, of zich een situatie voordoet waarin een vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van onmiddellijke behandeling in deze fase van de stoornis zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke dan wel lichamelijke schade. Dat hiervan sprake is, behoeft volgens de Afdeling niet aan beëindiging van de verstrekkingen in de weg te staan, indien de desbetreffende vreemdeling ingevolge artikel 10 van de Vw 2000 aanspraak maakt op een voorziening die het intreden van de gevolgen van het achterwege laten van medische behandeling voorkomt.

28.

Uit de door verzoekster in het geding gebrachte brief van de Afdeling van 24 mei 2013 blijkt dat de Afdeling het COa onder meer onder verwijzing naar voornoemde uitspraak enkele vragen heeft voorgelegd, waaronder de vraag of het COa een vaste gedragslijn volgt bij de beoordeling of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin en de vraag of bij die beoordeling de vraag of de betrokken vreemdeling is aan te merken als een kwetsbare persoon een rol speelt.

29.

Gezien het betoog van verzoekster dat besluit 1 vanwege de omstandigheid dat zij een kwetsbare persoon is een schending met zich brengt van artikel 8 van het EVRM is in dit verband mede van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 26 november 2010 (LJN BO6348) weliswaar heeft overwogen dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet kan worden afgeleid dat voor het COa een algemene verplichting bestaat om aan al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen (en hun kinderen) opvang te verlenen, maar dat de vorenbedoelde vragen, die de Afdeling aan het COa onderscheidenlijk de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft voorgelegd, tevens betrekking hebben op de rol die artikel 8 van het EVRM volgens het COa speelt bij de vraag of aan een vreemdeling die niet valt onder de categorieën van artikel 3 van de Rva opvan g moet worden verleend. De Afdeling heeft in dit verband gewezen naar hetgeen de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in de uitspraken van 9 november 2011 (LJN BU4375) en 22 november 2011 (LJN BU6844).

30.

De voorzieningenrechter concludeert dat er gezien vorenstaande overwegingen niet zonder meer vanuit gegaan kan worden dat er geen grond is voor twijfel over de vraag of de in het voorgaande weergegeven vaste lijn in de jurisprudentie van de Afdeling onverkort gehandhaafd zal blijven. Reeds hierom kan verzoekster enige kans van slagen van het onderhavige beroep niet op voorhand worden ontzegd. Omdat het belang van verzoekster om gedurende de behandeling van haar beroep over onderdak en de voor haar noodzakelijke behandeling te kunnen beschikken zwaarder weegt dan het belang van verweerder om onverkort aan het bestreden besluit vast te houden, zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening in de procedure nummer AWB 13/13426 toewijzen.

31.

Met de toewijzing van het verzoek met nummer AWB 13/13426 is aan het verzoek met nummer AWB 13/13425 het spoedeisend belang komen te ontvallen. Laatstgenoemd verzoek dient derhalve reeds hierom te worden afgewezen.

32.

De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 in verbinding met artikel 8:84 van de Awb te veroordelen in de door verzoekster in verband met de onderhavige procedures redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op het hierna te vermelden bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van verzoekster één punt is toegekend (voor het indienen van het verzoekschrift) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de procedure met nummer AWB 13/13426 toe en bepaalt dat verweerder verzoekster op grond van de Rva verstrekkingen dient te verlenen totdat op het beroep in de hoofdzaak is beslist;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 472,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan verzoekster;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de procedure met nummer AWB 13/13425 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2013.

w.g. L. Clermonts w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 mei 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature