Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Eervol ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

Uitspraak



RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2047

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2012 in de zaak tussen

[naam eiser],

wonende te Leeuwarden,

eiser,

gemachtigde: mr. J.M.A. van Dijk, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam,

en

de Minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.H.C. van Eck, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 99, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) eervol ontslag verleend met ingang van 1 april 2011.

Bij besluit op bezwaar van 18 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om partijen de gelegenheid te bieden voor nader overleg. Dit overleg heeft niet tot resultaat geleid.

Met ter zitting gegeven toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Eiser was tot 1 april 2011 werkzaam bij Rijkswaterstaat (RWS), Dienst Noord-Nederland (DNN), in de functie van senior adviseur / specialist. Verweerder heeft tot het eervolle ontslag van eiser besloten, omdat hij zich meerdere keren eenzijdig heeft onttrokken aan de overeenkomst die tussen hem en RWS op 5 mei 2010 was bereikt, in het kader van de beëindiging van het dienstverband van eiser bij de DNN. Verweerder is van mening dat door deze handelwijze de arbeidsverhouding zeer ernstig is verstoord.

2. Artikel 99, eerste lid, van het ARAR bepaalt dat aan de ambtenaar in vaste dienst ook op andere gronden dan die in artikel 98 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, ontslag kan worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend.

3. De rechtbank stelt voorop dat aan artikel 99, eerste lid, van het ARAR toepassing kan worden gegeven indien een in de loop van de tijd ontstane impasse in de weg staat aan een vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet meer van het bestuursorgaan kan worden verlangd. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 januari 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BC1705.

4. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden.

4.1 In de brief van 28 augustus 2009 van [naam directeur], directeur water en scheepvaart van de DNN, is aangegeven dat over een langere periode spanning bestaat in de relatie tussen eiser en meerdere, opeenvolgende leidinggevenden. Hierdoor is een impasse ontstaan. Over deze impasse en de mogelijkheden om deze te doorbreken heeft blijkens de brief van 28 augustus 2009 op 11 augustus 2009 een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en [naam directeur], in aanwezigheid van HRM-adviseur[naam adviseur]. Tijdens dit gesprek is eiser door [naam directeur] onder meer gevraagd om, ter doorbreking van de ontstane impasse, na te denken over zijn toekomst bij RWS en of het verkennen van mogelijkheden van een vervroegd pensioen tot de mogelijkheden behoort. Daarbij heeft[naam directeur] eiser aangeboden om te bekijken in hoeverre er afspraken gemaakt kunnen worden over een maatwerkoplossing. Een dergelijke maatwerkoplossing richt zich op het verkennen van de financiële mogelijkheden en daaruit voortvloeiende afspraken over vervroegd pensioen met behulp van een stimuleringspremie, aldus de brief.

4.2 Bij ongedateerde brief met kenmerk DNN 2010/1865 heeft[naam gemandateerde] namens de directeur-generaal van RWS eiser een maatwerkoplossing aangeboden. Dit aanbod hield in, voor zover hier van belang, dat vanwege een eenduidig en schriftelijk verzoek van eiser tot vrijwillig ontslag door RWS per 1 september 2010 eervol ontslag wordt verleend, met toekenning van een schadevergoeding van bruto € 117.300 die betaalbaar wordt gesteld op 1 september 2010 aan een door eiser gekozen verzekeraar en gebruikt kan worden voor het afsluiten van een stamrechtverzekering voor vervroegde pensioenvoorziening. In de brief is aangegeven dat dit een éénmalig aanbod is waarover niet meer te onderhandelen valt.

4.3 Bij brief van 5 mei 2010 heeft eiser [naam gemandateerde] laten weten dat hij gebruik maakt van het aanbod. Op de ongedateerde brief met kenmerk DNN 2010/1865, die eiser kennelijk retour heeft gestuurd, heeft eiser dit ook kenbaar gemaakt, door middel van handgeschreven opmerkingen. Wel heeft eiser in zijn brief van 5 mei 2010 nog een kanttekening gemaakt bij de aangeboden schadevergoeding. Hij heeft aangegeven dat, mochten bij vergissing niet alle looncomponenten een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van de schadevergoeding, hij er van uit gaat dat die vergissing wordt hersteld. Als bijlagen bij zijn brief heeft eiser de FPU-aanvraag en de Verklaring Stamrecht Banksparen meegezonden met het verzoek deze stukken na invulling per ommegaande te retourneren. Tenslotte heeft eiser nog gevraagd voor welke datum hij uiterlijk zijn ontslagaanvraag moet indienen.

4.4 Eiser is op 3 augustus 2010, in een gesprek met [naam directeur], teruggekomen op het op 5 mei 2010 bereikte akkoord en heeft aangegeven dat hem een schadevergoeding van twee jaarsalarissen is toegezegd.

In reactie hierop heeft [naam directeur] eiser bij brief van 21 september 2010 gehouden aan het op 5 mei 2010 bereikte akkoord. In deze brief heeft[naam directeur] eiser voorgesteld om een mediator in te schakelen om gezamenlijk tot een oplossing te komen. Daarbij is eiser meegedeeld dat hij zelf een mediator mag aandragen en dat de kosten voor het inschakelen van de mediator voor rekening van RWS komen. In reactie hierop heeft eiser in zijn brief van 1 oktober 2010 herhaald dat hij recht heeft op een schadevergoeding van twee jaarsalarissen en dat van een op 5 mei 2010 bereikt akkoord geen sprake is. Bij brief van 18 oktober 2010 heeft eiser ingestemd met mediation, waarna op 15 november 2010 het eerste mediationgesprek heeft plaatsgevonden. De volgende dag is het mediationtraject op verzoek van eiser echter beëindigd.

4.5 Bij brief van 18 november 2010 heeft [naam directeur] eiser een laatste aanbod voor een maatwerkoplossing gedaan. Vastgehouden wordt aan het aanbod, zoals gedaan in de ongedateerde brief met kenmerk DNN 2010/1865 en op 5 mei 2010 is geaccepteerd, met dien verstande dat de aangeboden schadevergoeding van € 121.600 gehandhaafd blijft, mits eiser zijn ontslagbrief vóór 1 december 2010 indient. Bij brief van 28 november 2010 heeft eiser dit aanbod afgewezen en herhaald dat hij recht heeft op een schadevergoeding ter hoogte van twee jaarsalarissen, een bedrag van minstens € 152.200. Daarbij heeft hij aangegeven dat dit bedrag in twee termijnen uitbetaald dient te worden,

€ 121.600 in 2010 en het restant van € 30.600 in 2011. Daarnaast heeft eiser aanvullende eisen gesteld, waaronder vrijwaring van de strafheffing op regelingen voor vervroegde uittreding.

4.6 Bij brief van 1 december 2010 heeft [naam directeur] eiser meegedeeld dat niet met de aanvullende eisen akkoord wordt gegaan en dat het voornemen bestaat hem met toepassing van artikel 99 van de ARAR ontslag te verlenen per 1 april 2011. In reactie hierop heeft eiser bij brief van 2 december 2010 alsnog ingestemd met het aanbod van 18 november 2010 en verzocht een schadevergoeding van € 121.600 vanwege een ontslag per 1 april 2011 toe te kennen.

4.7 Bij brief van 9 december 2010 is eiser teruggekomen op zijn acceptatie van het aanbod van 18 november 2010. Hij heeft in deze brief aangegeven dat hij de toekenning van een schadevergoeding van € 121.600 beschouwt als een acceptatie door RWS van zijn aanbod van 28 november 2010 en dat hij verwacht dat het restantbedrag van € 30.600 per

1 april 2011 wordt overgemaakt. Vervolgens heeft verweerder besloten tot het onderhavige ontslag over te gaan.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1 De rechtbank oordeelt dat op 5 mei 2010 tussen eiser en RWS een overeenkomst tot stand is gekomen, op basis waarvan eiser per 1 september 2010 eervol ontslag verleend zou worden en eiser aanspraak zou maken op een schadevergoeding. Dat op 3 augustus 2010, dus na het sluiten van de overeenkomst, de schadevergoeding is bijgesteld naar € 121.600, maakt dit niet anders. Hiermee heeft RWS alleen maar voldaan aan het voorbehoud dat eiser maakte op dit punt. Van nog lopende onderhandelingen over de (inhoud) van de overeenkomst was op dat moment geen sprake meer. De rechtbank oordeelt dat eiser op 5 mei 2010 ook de bedoeling had om het aanbod te accepteren en om, behoudens zijn opmerking over een mogelijke correctie van de hoogte van de schadevergoeding, per 1 september 2010 afscheid te nemen van de DNN. Anders valt ook niet te verklaren dat hij bij brief van 5 mei 2010 ook de FPU-aanvraag en de Verklaring Stamrecht Banksparen heeft meegezonden met het verzoek deze stukken per ommegaande in te vullen en te retourneren en nog heeft gevraagd wanneer hij uiterlijk zijn ontslagaanvraag moet indienen. Dit verzoek en deze vraag staan op gespannen voet met eisers nadien ingenomen stelling dat op 5 mei 2010 (nog) geen sprake was van een overeenkomst, maar dat hierover nog onderhandeld werd. De rechtbank merkt voorts op dat eiser over het aanbod te kennen is gegeven dat dit eenmalig is en niet onderhandelbaar. Als eiser zich niet had kunnen vinden in het aanbod, had hij dit kenbaar moeten maken in zijn brief van 5 mei 2010, althans spoedig hierna. Hij heeft dit niet gedaan, behoudens zijn opmerking over de berekening van de schadevergoeding.

5.2 De rechtbank oordeelt voorts dat uit voormelde feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, blijkt dat eiser bij herhaling is blijven volharden in zijn standpunt dat van een overeenkomst van 5 mei 2010 geen sprake was, althans dat hij hier steeds op terug is gekomen. Eiser heeft weliswaar aangegeven dat hem een schadevergoeding van twee jaarsalarissen is toegezegd, maar een dergelijke toezegging is de rechtbank niet gebleken. Bovendien is eiser, na de acceptatie van het laatste aanbod voor een maatwerkoplossing, een week later ook teruggekomen op dit akkoord en heeft hij teruggegrepen naar zijn voorstel van 28 november 2010, terwijl het hem duidelijk was dat RWS dit voorstel van de hand had gewezen. De rechtbank oordeelt dat RWS door deze handelwijze en opstelling van eiser zich op het standpunt mocht stellen dat geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare samenwerking en dat een voortzetting van het dienstverband met eiser niet meer verlangd mocht worden.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en door mrs. C.H. de Groot en H.D. Tolsma, rechters, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2012.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature