Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank Haarlem veroordeelt een verdachte tot zeven jaar gevangenisstraf met aftrek. Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan meerdere cocaïnetransporten vanuit Zuid-Amerika. Verdachte heeft de achterliggende partij in contact gebracht met medewerkers van de vliegtuigmaatschappij die direct bij de vliegtuigen konden komen en zo de drugs konden lossen. Verdachte heeft de medewerkers van de vliegtuigmaatschappij op de hoogte gebracht van de aankomst van de vluchten met drugs en voorts was zijn taak om de drugs over te nemen en naar de achterliggende partij te vervoeren. Tevens heeft verdachte geld geïnvesteerd in een cocaïnetransport. Verdachte is binnen het tijdsbestek van één week betrokken geweest bij twee cocaïnetransporten via Schiphol, waarbij een grote hoeveelheid cocaïne (te weten in totaal ongeveer 100 kilo) Nederland is binnen gebracht.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/840012-07

Uitspraakdatum: 28 juni 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 mei 2007, 11 en 14 juni 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, HvB Wolvenplein te Utrecht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet , ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 05 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet , ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 04 februari 2007 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een (nagebootst) pistool (gelijkend op een pistool van het merk Colt, model 1991, A1), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 19 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en/of (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (meermalen) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van (grote) hoeveelheden cocaïne en/of het (meermalen) plegen van voorbereidingshandelingen van dit feit (strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 en 10a van de Opium-wet );

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

De hieronder opgenomen bewijsmiddelen, behoudens de tapverslagen, betreffen in wettelijk vorm opge-maakte processen verbaal welke zakelijk zijn weergegeven en voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De telefoongegevens worden als schriftelijke bescheiden tot de bewijsmiddelen gerekend. Indien daarbij wordt verwezen naar dossierpagina’s worden de pagina’s van het dossier met nummer 06-003504 bedoeld.

[uitgewerkte bewijsmiddelen]

3.2 Bewijsoverwegingen

Feit 1

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman van verdachte betoogd dat verdachte van het eerste feit dient te worden vrijgesproken omdat niet vaststaat dat er daadwerkelijk cocaïne is vervoerd, nu het transport niet is onderschept en de ingevoerde stof derhalve niet is getest. Het feit dat bij het transport van 5 juli 2006 daadwerkelijk cocaïne is aangetroffen is, ondanks de gelijke wijze van handelen van verdachte en zijn mededaders, onvoldoende om aan te nemen dat ook het transport van 1 juli 2006 wel cocaïne zal hebben bevat, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt het volgende. De transporten van 1 en 5 juli 2006 waren beide afkomstig uit de Dominicaanse republiek, waren bestemd voor dezelfde afnemer in Nederland [voornaam] en betroffen (nagenoeg) dezelfde hoeveelheid. Daarnaast gaan verdachte alsmede medeverdachte [medeverdachte 2] er in hun verklaringen van uit dat het transport van 1 juli 2006 cocaïne betrof. Verdachte heeft daarnaast voor het transport van 1 juli 2006 op zijn minst enkele tienduizenden euro’s ontvangen. Deze factoren, gecombineerd met het gegeven dat het NFI met betrekking tot het transport van 5 juli 2006 heeft vastgesteld dat het cocaïne betrof, is voldoende om bewezen te achten dat de op 1 juli 2006 ingevoerde stof eveneens cocaïne was.

Feiten 1 en 2

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte slechts een boodschappenjongen was die fungeerde als tussenpersoon tussen [voornaam] en de mannen van Martinair, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]. De rol van verdachte was beperkt tot het doorgeven het bericht dat de drugs op bepaalde transporten gezet waren en het doorgeven van het nummer van de container waarin de drugs zich bevonden. Deze rol is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van medeplegen, zodat verdachte van de feiten 1 en 2 dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dat, ook al zou de rol van verdachte zich hebben beperkt tot het doorgeven van het bericht dat een cocaïnetransport onderweg is en van het nummer van de container waar deze cocaïne zich in bevindt, dit op zich al te kwalificeren is als medeplegen. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de rol van verdachte, blijkens de hierboven bij de feiten 1 en 2 aangehaalde bewijsmiddelen, aanzienlijk meer omvatte dan de raadsman stelt. Zo heeft verdachte bij het transport van 1 juli 2006 de drugs bij medeverdachte 2 opgehaald en deze naar [voornaam] gebracht en zou hij dat, volgens zijn eigen verklaring, bij het transport van 5 juli 2006 eveneens hebben gedaan als het niet was onderschept.

Feit 4

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard omdat onvoldoende duidelijk is op welke feiten de tenlastelegging ziet indien de namen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] uit de tenlastelegging worden weggestreept, hetgeen dient te gescheiden omdat in het dossier geen enkel bewijs is aangetroffen op grond waarvan kan worden gesteld dat verdachte deze personen kent. Subsidiair heeft de raadsman onder verwijzing naar het proefschrift van M.J.H.J. de Vries-Leenmans aangevoerd dat in casu geen sprake is van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht.

Het argument van de raadsman dat het door hem gestelde tot nietigheid van de dagvaarding zou leiden, snijdt geen hout. De tenlastelegging is op zich genomen begrijpelijk en voldoende duidelijk Nietigverklaring is derhalve niet aan de orde. Voor zover de raadsman met het primair aangevoerde verweer bedoelt te betogen dat de tenlastelegging, indien de rechtbank de criminele organisatie zonder [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] bewezen zou achten, zou worden gedenatureerd (wat tot vrijspraak en niet tot nietigheid van de dagvaarding zou moeten leiden) overweegt de rechtbank dat daar geen sprake van is. In de tenlastelegging staat immers vermeld “al dan niet in wisselende samenstelling”. Dit houdt in dat als er twee namen worden weggestreept en de namen van verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] overblijven geen sprake is van denaturering.

Ten aanzien van het subsidiaire verweer van de raadsman dat niet is voldaan aan de criteria die er aan een criminele organisatie worden gesteld overweegt de rechtbank als volgt. Er is sprake van een groep personen die gedurende langere tijd bezig was met een gezamenlijk doel, namelijk het organiseren en uitvoeren van drugstransporten. Deze groep personen heeft via verdachte medewerkers van Martinair benaderd omdat zij de drugs uit de vliegtuigen konden halen. Verdachte heeft gefungeerd als contact- en tussenpersoon tussen de achterliggende groep en de Martinair medewerkers en communiceerde met deze medewerkers in versluierd taalgebruik en op een vaste wijze. Er is aldus sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een gemeenschappelijke doelstelling en gemeenschappelijke regels. Er was sprake van een duidelijke taakverdeling en hiërarchische structuur in de zin dat er sleutelfiguren waren aan wie men rekening en verantwoording diende af te leggen, hetgeen tot uitdrukking komt in het feit dat [medeverdachte 4] zich samen met verdachte, die ook hier een bemiddelende rol vervulde, diende te verantwoorden bij de achterliggende partij over de op 5 juli 2006 in beslag genomen partij cocaïne. De aard van de werkzaamheden van de verschillende verdachten waren anders, doch een ieders rol was essentieel voor het laten slagen van de smokkel. Uit de stukken van het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende bewijs te putten dat sprake was van een criminele organisatie, waaraan verdachte heeft deelgenomen.

3.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

hij op 1 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereni-ging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 5 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 4 februari 2007 te Amsterdam, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nagebootst pistool gelijkend op een pistool van het merk Colt, model 1991, A1, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

4.

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 19 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en onder andere [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden cocaïne.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie ;

Ten aanzien van feit 4:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard en gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar en 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie aangekondigd een vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel jegens verdachte in te dienen.

Tot slot heeft de officier van justitie met betrekking tot het beslag gevorderd dat de wapens en patronen worden onttrokken aan het verkeer, dat de autobus waarmee verdachte de drugs heeft vervoerd wordt verbeurd verklaard, dat de sierraden aan verdachte worden terug gegeven en dat de cateringboxen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde Martinair.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan meerdere cocaïnetransporten vanuit Zuid-Amerika. Verdachte heeft de achterliggende partij in contact gebracht met medewerkers van Martinair die direct bij de vliegtuigen konden komen en zo de drugs konden lossen. Verdachte heeft de medewerkers van Martinair op de hoogte gebracht van de aankomst van de vluchten met drugs en voorts was zijn taak om de drugs van de Martinair medewerkers over te nemen en naar de achterliggende partij te vervoeren. Tevens heeft verdachte geld geïnvesteerd in een cocaïnetransport. Verdachte is binnen het tijdsbestek van één week betrokken geweest bij twee cocaïnetransporten via Schiphol, waarbij een grote hoeveelheid cocaïne (te weten in totaal ongeveer 100 kilo) Nederland is binnen gebracht.

Cocaïne is slecht voor de volksgezondheid en werkt ontwrichtend op de samenleving. Nederland staat internationaal bekend als land van waar uit organisaties die zich bezighouden met wereldwijde handel in cocaïne werkzaam zijn. Door te investeren in een cocaïnetransport en door mensen te regelen die de drugs in Nederland uit het vliegtuig konden halen heeft verdachte het internationale netwerk van verdovende middelen handel in stand gehouden en daarvan deel uitgemaakt.

Voorts heeft verdachte een op een pistool gelijkend wapen voorhanden gehad welke voor afdreiging geschikt is, wat een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt.

De raadsman heeft betoogd dat lagere straf passend en geboden is nu verdachte de kleinste rol in het geheel had en de detentie door hem als gevolg van gezondheidsproblemen zwaarder wordt ervaren. De rechtbank overweegt daartoe dat zij hierboven reeds uitgebreid heeft gemotiveerd op grond van welke feiten en omstandigheden zij tot het oordeel is gekomen dat verdachte een onmisbare schakel vormde binnen de organisatie. De ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigt derhalve een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding af te wijken van een straf zoals deze gebruikelijk is bij bewezenverklaring van dezelfde of vergelijkbare strafbare feiten.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven autobus van het merk Hyundai dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die aan verdachte toebehorende auto is begaan.

6.4 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen opgenomen op de aangehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 20, 48, 56, 60, 61 dienen te worden onttrokken aan het ver-keer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het ongecontroleerde bezit van deze onder de WWM vallende goederen in strijd is met de wet.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht, artikelen: 47, 57, 140;

Opiumwet, artikelen: 2, 10, 11a;

Wet wapens en munitie, artikelen: 13, 5 5.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aan-genomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN (7) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechte-nis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het goed opgenomen op de aangehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder nummer 124.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 20, 48, 56, 60, 61.

Gelast de teruggave aan verdachte van de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 34, 43, 45, 46, 55, 59, 63-68, 70, 72, 74-76, 78, 80, 83, 84, 86, 88, 105, 107-123, 125-128.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, zijnde Martinair, van het goed opgenomen op de lijst van inbeslag-genomen voorwerpen onder nummer 131.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C. Monster, voorzitter,

mrs. H.J.M. Burg en W.A.F. Jansen rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs C.C.J. Antonos en L.A. Banning

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2007.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature