Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte, supervisor bij een vliegtuigmaatschappij, tot 8 jaar gevangenisstraf met aftrek vanwege betrokkenheid bij vier transporten cocaïne, het voorbereiden van een drugslijn vanuit Zuid Amerika via Denemarken naar Nederland en deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/634083-06

Uitspraakdatum: 28 juni 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 maart 2007, en 11, 12 en 14 juni 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in P.I. Flevoland, HvB Almere Binnen te Almere.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging d.d.14 maart 2007, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet , ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet beho-rende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 05 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet , ongeveer 10 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 05 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet , ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 15 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet , ongeveer 40 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet beho-rende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 19 december 2006 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten

- een (nagebootste) pistoolmitrailleur (gelijkend op een pistoolmitrailleur van het merk Uzi) en/of

- een (nagebootst) pistool (gelijkend op een pistool van het merk Colt, model 1991, type A1), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

6.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 19 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of ande-ren, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet , te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende co-caïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (telkens) voor te bereiden en/of te bevorderen een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen te doen plegen mede te plegen uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens)

- met elkaar telefonisch contact gehad en/of

- afspraken gemaakt en/of

- ontmoetingen en/of besprekingen gehad en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of (vervolgens) gehouden om verdovende middelen van (een) vliegtuig(en) te halen en/of

- contacten gelegd en/of (vervolgens) onderhouden met (potentiële) afnemers van de verdovende middelen;

7.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 19 december 2006 te Schiphol, gemeente Haar-lemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en/of (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (meermalen) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van (grote) hoeveelheden cocaïne en/of het (meermalen) plegen van voorbereidingshandelingen van dit feit (strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 en 10a van de Opium-wet ).

2. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het de officier van justitie niet ontvankelijk is, aangezien het openbaar mi-nisterie stukken aan de rechtbank zou hebben onthouden. Eén stuk betreft een verhoor van verdachte d.d. 21 december 2006, afgenomen in het kader van het onderzoek “Leeuw”, waarin verdachte verklaart omtrent zijn ontvoering in september 2006. De andere stukken zijn afkomstig uit een ander onderzoek (“de zaak Lely-stad”), waaronder een aangifte door verdachte van wederrechtelijke vrijheidsberoving gedateerd 27 december 2006, waarin verdachte onder andere verklaart dat hij ook al in maart 2006 zou zijn bedreigd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Met betrekking tot het stuk uit het onderzoek “Leeuw” heeft de officier van justitie verklaard dat hij dit alleen aan de verdediging heeft verstrekt en niet aan het dossier heeft toegevoegd ter bescherming van de verdachte. Nu de raadsman wel over het stuk beschikte en het hem vrijstond om het stuk aan de rechtbank te overleggen indien hij dit verantwoord en nodig achtte – wat hij inderdaad heeft gedaan – komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdediging op geen enkele wijze in haar belangen is geschaad. Met betrekking tot de stukken uit het onderzoek van de zaak Lelystad overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het openbaar ministerie, door deze stukken niet in te brengen in de zaak te-gen verdachte, doelbewust en met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort heeft gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.

3. Bewijs

3.1 Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

[Uitgewerkte bewijsmiddelen]

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat:

1.

hij op 1 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 5 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 10 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 5 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op 15 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 40 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij op 19 december 2006 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer wapens van categorie I onder 7°, te we-ten

- een (nagebootste) pistoolmitrailleur (gelijkend op een pistoolmitrailleur van het merk Uzi) en

- een (nagebootst) pistool (gelijkend op een pistool van het merk Colt, model 1991, type A1),

zijnde voorwerp(en) die voor wat betreft hun vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens, voorhanden heeft gehad;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2006 tot en met 19 december 2006 te Schiphol, gemeente Haar-lemmermeer, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, telkens, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet , te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, een ander heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen, hebbende verdachte en zijn medeverdachten telkens

- met elkaar telefonisch contact gehad en

- afspraken gemaakt en

- ontmoetingen en besprekingen gehad;

De rechtbank merkt op dat in de tenlastelegging wordt vermeld het derde/vierde lid maar dat kennelijk wordt bedoeld het vijfde lid van artikel 10 Opiumwet , nu artikel 2 A sinds de wetswijziging, in werking getreden op 1 juli 2006, niet langer valt onder lid 4 maar lid 5 van artikel 10 van de Opiumwet ;

7.

hij in de periode van 01 juni 2006 tot en met 19 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en te Amsterdam en te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden cocaïne (strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 van de Opiumwet).

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

4.1 Verweer met betrekking tot feit 6 (voorbereidingshandelingen)

De raadsman heeft ten aanzien van feit 6 (de voorbereidingshandelingen met het oog op drugstransporten via Denemarken), betoogd dat verdachte verkeerde in een noodtoestand terwijl hij hieraan uitvoering gaf en dat deswege een vrijspraak dient te volgen. De raadsman heeft hiertoe gesteld dat verdachte, om zijn toekomstige betrokkenheid bij drugstransporten via Schiphol te voorkomen, heeft meegewerkt aan het plan om een smokkelroute via Denemarken op te zetten. Door de smokkel van drugs te verleggen van transport via vliegtuigen op Schiphol naar transport over de weg vanuit Denemarken, zou verdachte in de toekomst gevrijwaard wor-den van betrokkenheid bij de invoer van cocaïne via Schiphol.

De rechtbank begrijpt dit verweer van de raadsman aldus dat hij een beroep doet op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid, nu verdachte dit zou hebben gepleegd om te voorkomen dat hij in de toekomst nog meer strafbare feiten (invoer van cocaïne via Schiphol) zou moeten plegen. De rechtbank verwerpt dit verweer reeds vanwege het feit dat geenszins aannemelijk is geworden dat verdachte geen enkele andere manier had om – zo hij dit al wilde – zich uit de criminele organisatie los te maken.

4.2 Kwalificatie van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 5:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie , meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 6:

Een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10, voorbereiden door een ander trachten te bewegen dat feit mede te plegen;

Ten aanzien van feit 7:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft voor wat betreft feit 1 tot en 4 (de drugstransporten) en feit 7 (deelname aan een criminele organisatie) aangevoerd dat verdachte deze feiten weliswaar heeft gepleegd, maar dat sprake was van psychische overmacht als gevolg waarvan verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank stelt vast dat uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de ontvoering en afpersing waar verdachte over heeft verklaard, in augustus danwel september 2006 hebben plaatsgevonden. Deze gebeurtenissen kunnen derhalve niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat verdachte in juli 2006 onder dwang zou hebben gehandeld.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij echter ook al eerder, te weten in maart 2006, bedreigd zou zijn. Ter staving hiervan heeft de raadsman ter zitting een proces-verbaal overgelegd van een verhoor van ver-dachte, gedateerd 27 december 2006, opgemaakt door [verbalisant], dat afkomstig is uit het dossier van ‘de zaak Lelystad’. De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit dit proces-verbaal noch uit datgene wat ver-dachte ter zitting heeft verklaard, aannemelijk is geworden dat voorafgaand aan de feiten van juli 2006 sprake was van een zodanige druk dat verdachte niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat, ook al zou op enig moment druk op verdachte zijn uitgeoefend, er in ieder geval sprake is van ‘culpa in causa’ nu verdachte zich willens en wetens heeft ingelaten met personen waarvan duidelijk was dat zij geen genoegen zouden nemen met een weigering langer medewerking te verlenen aan criminele activiteiten. Verdachte heeft immers verklaard dat hij in ieder geval in februari 2006 al een keer heeft meegewerkt aan de invoer van cocaïne via Schiphol, zonder dat er sprake was van enige druk. De rechtbank wijst in dit verband tevens op de verklaring van verdachte d.d. 29 januari 2007 (ordner 2, processen-verbaal verhoren verdachten, pagina 553) waar verdachte verklaart dat, in de tijd dat medeverdachte Wisselaar nog niet in de gevangenis zat, “alles goed geregeld was en hij het gevoel had dat hij beschermd werd”.

Op grond van de voorgaande overwegingen verwerpt de rechtbank het beroep op psychische overmacht.

Er is ook overigens overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorar-rest heeft doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie aangekondigd een vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voor-deel jegens verdachte in te dienen.

Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4, 10-16, 17 (pistool), 19, 26, 27, 38 worden onttrokken aan het verkeer, dat de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 28, 29, 33, 39, 50, 56-60, 62-65, 68, 72 en 75 worden teruggegeven aan verdachte en dat de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 3, 34, 41, 42 worden geretourneerd aan de respectievelijke rechthebbenden en het goed opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 17 (plakplaat) verbeurd wordt ver-klaard.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de per-soon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in de maand juli 2006 betrokken geweest bij vier transporten cocaïne die via vliegtuigen van Martinair Nederland werden ingevoerd. Verdachte heeft, samen met anderen, binnen het tijdsbestek van twee weken een aanzienlijke hoeveelheid (te weten in totaal ongeveer 150 kilo) cocaïne Nederland heeft binnengebracht. Verdachte had in zijn positie van supervisor bij Martinair vrij toegang tot het beveiligde gebied van Schiphol en met name tot de lading van Martinair vliegtuigen. Hij heeft, veelal in samenwerking met een andere medewerker van Martiniair (medeverdachte 4), geregeld dat de cocaïne van boord werd gehaald en van het beveiligde Schiphol terrein naar buiten werd vervoerd. Dit alles heeft verdachte gedaan enkel en alleen vanwege het geld dat hij hiermee kon verdienen. De rechtbank tilt zwaar aan het misbruik dat verdachte heeft gemaakt van zijn positie op Schiphol, zeker gezien de voorbeeldfunctie die verdachte als supervisor bij Martinair had.

Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij het voorbereiden van een drugslijn vanuit Zuid Amerika via Denemarken naar Nederland. Ook hier heeft verdachte een essentiële rol gespeeld. Hij was bij verschillende besprekingen over deze zaak betrokken en heeft, samen met medeverdachte 3 getracht de chauffeur die vanuit Denemarken naar Nederland reed, voor het plan te winnen.

Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie die gericht was op het binnenbrengen van cocaïne in Nederland. Cocaïne is slecht voor de volksgezondheid en werkt ontwrichtend op de samenleving. Nederland staat internationaal bekend als land van waaruit organisaties die zich bezighouden met wereldwijde handel in cocaïne werkzaam zijn. Door zijn handelswijze heeft verdachte het internationale netwerk van verdovende middelen handel in stand gehouden en daarvan deel uitgemaakt. De rechtbank rekent hem dat zwaar aan.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.3 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen opgenomen op de aange-hechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4, 10-16, 17 (pistool), 17 (plakplaat),19, 26, 27, 38, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het ongecontroleerde bezit van deze goederen in strijd is met de wet.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht, artikelen: 47, 57, 140;

Opiumwet, artikelen: 2, 10, 10a, 11a;

Wet wapens en munitie, artikelen: 13, 5 5.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aan-genomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechte-nis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4, 10-16, 17 (pistool), 17 (plakplaat) 19, 26, 27, 38.

Gelast de teruggave aan verdachte van goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 28, 29, 33, 39, 50, 56-60, 62-65, 68, 72 en 75.

Gelast de teruggave aan de respectievelijke rechthebbenden van de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers:

- 3: Politie

- 34: Martinair

- 41: Martinair

- 42: Schiphol.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J.M. Burg, voorzitter,

mrs. A.C. Monster en W.A.F. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. L.A. Banning en C.C.J. Antonos,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2007.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature