Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Vonnis na bewijslevering. Eiseres geslaagd in bewijs dat bestuurders vennootschap de mogelijkheid van verhaal voor openstaande facturen hebben gefrustreerd. Onrechtmatige daad en paulianeuze rechtshandeling. Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2015:5260.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/270911 / HA ZA 14-524

Vonnis van 2 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SNEL-NED COURIER LOGISTIC SERVICES B.V.,

gevestigd te Schijndel,

eiseres,

advocaat mr. W.A. Entzinger te Groningen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M.H. ten Have te Amstelveen.

Partijen zullen hierna Snel-Ned en [gedaagde] c.s. genoemd worden. Afzonderlijk worden [gedaagde] c.s. aangeduid met [gedaagde] Partners, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 3 juni 2015

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 oktober 2015

het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 24 maart 2016

het proces-verbaal van tegenverhoor van 30 juni 2016

de conclusie na getuigenverhoor

de antwoordconclusie na getuigenverhoor.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar voormeld tussenvonnis, waarbij de rechtbank volhardt. Bij dat vonnis is aan Snel-Ned opgedragen om aanvullend bewijs te leveren voor haar stelling dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de mogelijkheden van verhaal voor de openstaande facturen van Snel-Ned hebben gefrustreerd en aldus onrechtmatig jegens Snel-Ned hebben gehandeld.

2.2.

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft Snel-Ned zes getuigen doen horen. Het betreft de heren [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [gedaagde sub 2] . [gedaagde] c.s. hebben in tegenverhoor één getuige doen horen. Het betreft [getuige 7] . Tevens zijn nadere producties in het geding gebracht.

2.3.

De getuige [getuige 1] verklaart, dat hij van mei 2013 tot begin 2016 interim bestuurder is geweest bij Snel-Ned en zich medio 2014 heeft bemoeid met betalingsproblemen aan de zijde van een grote debiteur, [gedaagde] Partners. De schuld van [gedaagde] Partners was opgelopen tot ongeveer 80.000 euro. [getuige 1] is toen op 18 juni 2014 naar het bedrijf van [gedaagde] Partners toegegaan en heeft daar toen gesproken met de directeur, [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] had weinig tijd op dat moment en zij hebben een vervolgafspraak gemaakt. [gedaagde sub 2] zou 24 juni bij Snel-Ned langskomen, maar die afspraak is niet doorgegaan. Wel is er nog door [getuige 1] uitgebreid telefonisch gesproken met [gedaagde sub 2] op verschillende dagen. Er is ook mailwisseling geweest en er zijn concepten uitgewisseld inzake een oplossing voor de schuld. Van beide zijden is een jurist ingeschakeld geweest, [getuige 1] meent dat dat voor [gedaagde] Partners mr. Klein was. Tijdens deze gesprekken en schriftelijke correspondentie ging het over een voorstel om de schuld van [gedaagde] Partners om te zetten in een lening voor langere duur met zekerheidsstelling in de vorm van verpanding van debiteuren. Die onderhandelingen waren al in een vergevorderd stadium. Er was, zo verklaart [getuige 1] , al een conceptovereenkomst en er lag zelfs een mailbericht van mr. Klein dat alles akkoord was op enkele details na. Maar het duurde nogal lang, dit wil zeggen tot in augustus 2014 en toen raakte het geduld van [getuige 1] op en vroeg hij [gedaagde] Partners en degenen die voor haar optraden of er nu getekend zou worden of niet. Toen kreeg hij te horen dat er niet getekend zou worden. Dit was om en nabij 7 augustus 2014.

Daarna heeft Snel-Ned contact gehad met een flink aantal debiteuren van [gedaagde] Partners. Het betrof de debiteuren waarvan Snel-Ned dacht dat het de grootste debiteuren van [gedaagde] Partners zouden zijn. Snel-Ned heeft geprobeerd beslag te leggen onder die debiteuren, maar die debiteuren hebben Snel-Ned toen medegedeeld dat [gedaagde] Partners geen vordering op hen had en dat zij inmiddels zaken deden met een andere besloten vennootschap van [gedaagde sub 2] , genaamd [nieuwe BV] . Die naam [nieuwe BV] kende [getuige 1] wel. Dat was volgens hem de handelsnaam van [gedaagde] Partners. [getuige 1] wist echter niet dat [nieuwe BV] ook een afzonderlijke besloten vennootschap was. Dat had [gedaagde sub 2] hem nooit verteld en daar kwam hij pas achter toen Snel-Ned in het handelsregister keek en haar bleek dat [gedaagde sub 2] heel kort tevoren een nieuwe B.V. had opgericht en die de naam van [nieuwe BV] had gegeven.

Nu kon [getuige 1] plaatsen wat [gedaagde sub 2] tegen hem had gezegd in dat telefoongesprek om en nabij 7 augustus 2014. Hij had toen namelijk tegen [gedaagde sub 2] gezegd dat, als er niet getekend zou worden, beide partijen als verliezer uit de bus zouden komen omdat Snel-Ned dan het

faillissement van [gedaagde] Partners zou gaan aanvragen en [gedaagde sub 2] had daarover toen tegen

[getuige 1] gezegd dat hem dat niet zou deren.

[getuige 1] vond de gang van zaken schokkend.

2.4.

De getuige [getuige 2] was voordien algemeen directeur geweest van Snel-Ned, vanaf de oprichting tot januari 2014. [getuige 2] verklaart dat [nieuwe BV] c.q. de heer [gedaagde sub 2] al langere tijd een zakenrelatie van Snel-Ned was. Er waren in het verleden regelmatig betalingsproblemen geweest in die zin dat [gedaagde sub 2] , die toen handelde met de B.V. [gedaagde] Partners en onder de naam [nieuwe BV] , niet op tijd de rekeningen kon betalen. [getuige 2] had altijd een goede relatie met [gedaagde sub 2] en zij zijn daar toen in het verleden altijd wel uitgekomen. Met eruit komen bedoelt [getuige 2] dat er een redelijk stabiele situatie was, maar niet dat op de schuld werd ingelopen. Nadat [getuige 2] zijn aandelen had overgedragen gingen de nieuwe eigenaren een iets strakker beleid voeren op het gebied van de debiteuren. Dit betrof met name ook [gedaagde sub 2] . In augustus 2014 sprak [getuige 2] met [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] zei toen tegen hem dat hij met een nieuwe B.V. was begonnen en dat er te veel was gebeurd, met name beslaglegging, om nog tot een minnelijke oplossing te kunnen komen. [gedaagde sub 2] zei dat hij een nieuwe B.V. had opgericht en dat hij volgens zijn juristen sterk stond.

2.5.

De getuige [getuige 3] is bestuurder van de Ulamo Groep, waarvan Sentimo B.V. onderdeel uitmaakt. [getuige 3] verklaart dat Sentimo onder meer via de website verkoopt en in het verleden transporten liet uitvoeren door [nieuwe BV] . Medio 2014 was dat al zeker een jaar het geval. In die periode voerde [gedaagde] Partners handelend onder de naam [nieuwe BV] voor Sentimo transporten uit. Daaruit vloeide voort dat Sentimo betalingsverplichtingen had jegens [gedaagde] Partners. [gedaagde] Partners factureerde haar diensten op facturen op naam van [nieuwe BV] . Tijdens de vakantie van [getuige 3] in 2014 kwam bij Sentimo een factuur van [nieuwe BV] binnen de dato 25 juli 2014. Op die factuur stond: ‘Let op, ons bankrekeningnummer is gewijzigd’ met daarbij een pijl richting het nieuwe IBAN nummer. De getuige viel verder op dat in die factuur een oude dienstverlening in rekening werd gebracht, te weten een transportdienst van 6 juni en een van 11 juni 2014. De getuige viel op dat deze nieuwe factuur van 25 juli 2014 dezelfde

lay-out had als de oude facturen en zelfs dat sprake leek te zijn van oplopende factuurnummers met handhaving van Sentimo’s bestaande klantnummer, maar dat op deze nieuwe factuur een ander KvK nummer stond en een ander BTW nummer. Verder zag de getuige dat opeens de naam [nieuwe BV] Holding B.V. werd genoemd in plaats van [nieuwe BV] . Voor [getuige 3] kon het niet zo zijn dat Sentimo van [nieuwe BV] Holding B.V. een factuur kreeg voor diensten in de periode van begin juni 2014 tot medio juli 2014, omdat Sentimo in zijn optiek geen handelsrelatie had met [nieuwe BV] Holding B.V. Met deze B.V. had Sentimo geen prijsafspraken en Sentimo had geen opdrachten gegeven aan deze B.V. Verder heeft [getuige 3] toen ook een factuur van [nieuwe BV] van 1 augustus 2014 bekeken. Bij deze factuur van 1 augustus werden diensten in rekening gebracht van 27 juni tot en met 29 juli 2014.

[getuige 3] heeft de desbetreffende facturen getoond en die zijn aan het proces-verbaal gehecht. Bij die twee facturen is in totaal door [nieuwe BV] Holding het bedrag van € 2.843,50 aan Sentimo in rekening gebracht. Op de facturen zijn door de administratie van Sentimo stempels geplaatst waarin data zijn ingevuld en geparafeerd. [getuige 3] heeft ook een door hem geschreven memo overgelegd. Hierin staat dat een van de facturen op 11 september 2014 is voldaan.

2.6.

De getuige [getuige 4] is accountmanager bij Sentimo B.V. [getuige 4] verklaart dat [nieuwe BV] sinds ongeveer drie jaar geleden vervoersdiensten heeft uitgevoerd voor Sentimo. In de zomer van 2014 veranderde er iets. Op de facturen van [nieuwe BV] stond dat het bankrekeningnummer was gewijzigd, en ook het KvK nummer en het BTW nummer. In het bijzonder werd geaccentueerd dat het bankrekeningnummer was veranderd.

2.7.

De getuige [getuige 5] is directeur van Topline. Dit is een producent van aanrechtbladen. Dit bedrijf is gevestigd in ’s-Heerenberg. Het laat volgens [getuige 5] al enige jaren transporten uitvoeren door [nieuwe BV] . Dat was in ieder geval al het geval in juli 2014. Het ging om transporten die bijna dagelijks werden uitgevoerd. Rond die tijd was er sprake van een beslaglegging. De getuige moest een verklaring indienen. Zijn verklaring was dat hij op dat moment niets verschuldigd was aan [nieuwe BV] . De transporten gingen gewoon door, met dien verstande dat de getuige opviel dat hij vanaf zeker moment opeens rekeningen kreeg van [nieuwe BV] Holding B.V. Dit wil zeggen, dit viel hem op toen hij die verklaring moest afleggen. Die facturen heeft hij opgezocht in zijn administratie. Die facturen zagen er hetzelfde uit. Het kleurenbeeld was hetzelfde maar de getuige heeft wel kunnen constateren dat een andere vennootschap werd genoemd. De samenwerking met [nieuwe BV] is gewoon doorgegaan. De getuige heeft geen verschillen gezien. Dezelfde mensen kwamen de post ophalen. Het ging om dezelfde soort pakketjes naar dezelfde soort klanten. Er is geen verandering opgetreden. Waar het op neerkomt is dat zijn firma opdrachten gaf aan [nieuwe BV] en dat zijn firma opdrachten bleef geven aan [nieuwe BV] die op dezelfde manier werden uitgevoerd, alleen vanaf een zeker moment door een andere vennootschap werden gefactureerd. Het ging om opdrachten met, naar inschatting van [getuige 5] , een waarde van honderden euro’s per week.

2.8.

De getuige [gedaagde sub 2] , gedaagde sub 2, spreekt tegen dat een nieuwe vennootschap is opgericht en dat daarin dezelfde activiteiten werden geëxploiteerd als in de vennootschap die een schuld had aan Snel-Ned. [gedaagde sub 2] verklaart dat inderdaad op zeker moment een nieuwe vennootschap is opgericht maar de bedoeling was dat die nieuwe vennootschap andere activiteiten zou gaan ontplooien. Dit wil zeggen, het was de bedoeling dat de bestaande activiteiten van [gedaagde] Partners gesplitst zouden worden in nationaal en internationaal/logistiek. De nieuw opgerichte vennootschap zou de internationale verzendingen en de logistieke activiteiten op zich nemen. De nationale verzendingen zouden in [gedaagde] Partners blijven. Dat is ook zo gebeurd volgens [gedaagde sub 2] . Topline had een mix van nationale en internationale zendingen voor hen. Topline werd klant van [nieuwe BV] Holding en werd ook gefactureerd door [nieuwe BV] Holding, maar intern werden de nationale transporten doorbelast door [gedaagde] Partners aan [nieuwe BV] Holding, aldus [gedaagde sub 2] . Bij Sentimo ging het op dezelfde wijze.

Volgens [gedaagde sub 2] was de reden om dit uit elkaar te halen dat op de internationale transporten betere marges waren te halen en dat wilde [gedaagde sub 2] onderbrengen in [nieuwe BV] .

Ongeveer veertig procent van de omzet was het nationale transport dat behouden werd door [gedaagde] Partners en ongeveer zestig procent was het internationale transport en de logistiek die werden uitgevoerd door [nieuwe BV] .

De meeste bedrijfsmiddelen, dit wil zeggen busjes, waren geleased. Eén of twee auto’s waren eigendom. Die zijn volgens [gedaagde sub 2] verkocht aan [nieuwe BV] . Ook is een deel van de inventaris verkocht aan [nieuwe BV] .

Door [nieuwe BV] Holding is geen vergoeding betaald aan [gedaagde] Partners voor de overdracht van een deel van de activiteiten, er is geen goodwill betaald. [gedaagde sub 2] verklaart dat de vraagsteller zich bij de koopprijzen voor de auto’s en de inventaris niet te veel moet voorstellen, maar die zijn wel betaald aan [gedaagde] Partners. Een gedeelte van de huur van het huurpand is doorbelast aan [nieuwe BV] .

[gedaagde sub 2] ontkent dat door [nieuwe BV] Holding werkzaamheden aan opdrachtgevers zijn gefactureerd die waren uitgevoerd door [gedaagde] Partners.

2.9.

Ten slotte verklaart in de contra-enquête de getuige [getuige 7] , eigenaar van Greenline Logistics BV, een koeriers/pakketdienst, dat zijn onderneming wel eens opdrachten uitbesteedt aan [gedaagde sub 2] . Dat doen zij sinds een jaar of zes. Het betreft internationale en nationale verzendingen. Sinds medio 2014 worden de internationale verzendingen door [gedaagde sub 2] uitgevoerd binnen zijn bedrijf [gedaagde] Partners, terwijl de nationale verzendingen worden uitgevoerd binnen [nieuwe BV] . De getuige verklaart dat hij ook wordt gefactureerd vanuit deze verschillende bedrijven. Voor zover de getuige zich kan herinneren bedient [gedaagde] Partners zich niet van de handelsnaam [nieuwe BV] . Wat dat betreft is er een verandering ingetreden in 2014. Daarvan werd hij op de hoogte gebracht door [gedaagde sub 2] . Dat was medio 2014. Voordien dreef [gedaagde sub 2] uitsluitend zijn onderneming onder de naam [nieuwe BV] . Op de vraag of er verandering is gekomen in deze naam, is het antwoord van de getuige: “niet dat ik weet”.

Op de vraag van de advocaat van [gedaagde] c.s. of wat hij hierboven heeft verklaard niet juist omgekeerd moet zijn, dit wil zeggen dat [getuige 7] de nationale facturen krijgt van [gedaagde] Partners en de internationale facturen van [nieuwe BV] , antwoordt deze getuige dat dat volgens hem niet het geval is en dat hij hierboven correct heeft verklaard.

Op de vraag naar zijn omzet bij [gedaagde sub 2] in 2014, verklaart de getuige dat hij dat schat op euro 400 of 500 per maand, waarvan 90% binnenland en 10% buitenland.

2.10.

In het kader van de bewijswaardering overweegt de rechtbank dat de getuigenverklaring van [getuige 7] niet erg consistent is, waar hij kort na elkaar verklaart eerst dat, voor zover hij zich kan herinneren, [gedaagde] Partners zich niet bedient van de handelsnaam [nieuwe BV] en meteen daarop dat [gedaagde sub 2] vóór medio 2014, toen [nieuwe BV] Holding nog niet bestond en [gedaagde sub 2] alleen handelde met [gedaagde] Partners, uitsluitend onder de naam [nieuwe BV] handelde. Voorts moet de rechtbank constateren dat de getuigenverklaring van [getuige 7] , die getuigt aan de zijde van [gedaagde] c.s., niet spoort met die van [gedaagde sub 2] , waar [getuige 7] verklaart dat [gedaagde sub 2] sinds medio 2014 de internationale verzendingen uitvoert met [gedaagde] Partners en de nationale met [nieuwe BV] (Holding), terwijl dit volgens [gedaagde sub 2] juist andersom is. Maar op één onderdeel, en daar gaat het om, zijn hun verklaringen wel met elkaar in overeenstemming en dat is dat het grootste deel van de omzet van [gedaagde] Partners werd verlegd naar de nieuw opgerichte vennootschap. Volgens [gedaagde sub 2] ging het om 60%, bij [getuige 7] was dat zelfs 90%. Volgens [gedaagde sub 2] betrof het bovendien het deel van de omzet waarop de betere marges, dus de meeste winsten, waren te behalen. Hiervoor is volgens [gedaagde sub 2] geen goodwill vergoed, terwijl ook bedrijfsmiddelen, in het bijzonder auto’s en inventaris, zijn overgeheveld voor koopprijzen ‘waarvan men zich niet te veel moet voorstellen’. Welke bedragen dat zijn geweest, heeft [gedaagde sub 2] niet gezegd en hebben [gedaagde] c.s. niet opgegeven in hun conclusie na enquête, maar uit de verklaring van [gedaagde sub 2] leidt de rechtbank af dat het geen reële prijzen waren en dat deze koopprijzen aanmerkelijk onder de waarde van die activa lagen.

2.11.

Het komt erop neer dat met deze getuigenverklaringen van [getuige 7] en [gedaagde sub 2] , en ook met die van [getuige 5] , als bewezen kan worden aangemerkt dat [gedaagde] Partners een belangrijk deel van haar klantenbestand en het grootste en best renderende deel van haar onderneming onverplicht en om niet heeft overgedragen aan een nieuw opgerichte besloten vennootschap, waarvan volgens het door Snel-Ned overgelegde uittreksel uit het Handelsregister - in tegenstelling tot hetgeen [gedaagde] c.s. stellen - haar bestuurder [gedaagde sub 2] de enig aandeelhouder en bestuurder is. Tevens kan op grond van de eigen getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] als bewezen worden beschouwd dat [gedaagde] Partners een deel van haar activa, te weten auto’s en inventaris, voor prijzen onder de marktwaarde zijn verkocht en overgedragen aan die nieuwe vennootschap.

Daarmee zijn die verdiencapaciteit en die materiële activa onttrokken aan verhaal door crediteuren van [gedaagde] Partners, in het bijzonder Snel-Ned.

2.12.

Dit geldt ook voor debiteuren en onderhanden werk van [gedaagde] Partners, hetgeen de rechtbank bewezen acht met de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] . Uit de getuigenverklaring van [getuige 3] volgt immers dat een aantal aan [gedaagde] Partners opgedragen en door haar reeds uitgevoerde, en dus declarabele, diensten niet door [gedaagde] Partners, maar door [nieuwe BV] Holding aan de opdrachtgever zijn gefactureerd. Het betreft in elk geval transportdiensten in de periode van 6 juni 2014 tot aan de in het Handelsregister ingeschreven startdatum van de onderneming van [nieuwe BV] Holding, zijnde 17 juli 2014, die niet aan [nieuwe BV] Holding kunnen zijn opgedragen en niet door haar kunnen zijn uitgevoerd, omdat zij toen nog niet bestond. Maar het betreft ook latere transporten tot en met 29 juli 2014, die niet aan [nieuwe BV] Holding maar aan [gedaagde] Partners waren opgedragen. Hierbij was [nieuwe BV] Holding geen contractspartij en had zij geen aanspraak op betaling. Het ging om bij Sentimo om een bedrag van € 2.843,50 in totaal.

2.13.

Voorts acht de rechtbank met de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , en in mindere mate die van [getuige 5] , bewezen dat [gedaagde] Partners die activa heeft overgeheveld naar [nieuwe BV] Holding teneinde ze aan beslaglegging en verhaal door Snel-Ned te onttrekken en dat [gedaagde sub 2] in de tussentijd Snel-Ned, die aandrong op betaling, aan het lijntje heeft gehouden en heeft gedaan alsof [gedaagde] Partners een betalingsregeling wilde treffen.

2.14.

Het een en ander, in samenhang met wat reeds in het tussenvonnis is vastgesteld, leidt tot de slotsom dat Snel-Ned is geslaagd in de van haar verlangde bewijslevering en dat zich hier voordoet een geval, als door de Hoge Raad beoordeeld en onrechtmatig bevonden in onder meer het arrest van 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen), terwijl overigens ook sprake was van een paulianeuze rechtshandeling als bedoeld in artikel 3:45 e.v. BW. Het bestuur van [gedaagde] -Partners heeft onrechtmatig gehandeld jegens Snel-Ned en is aansprakelijk voor de schade van Snel-Ned. Dit geldt echter alleen voor [gedaagde sub 2] , omdat onvoldoende is gesteld en bij de getuigenverhoren ook helemaal niet uit de verf is gekomen, dat [gedaagde sub 3] ter zake evenzeer persoonlijk een ernstig verwijt treft.

2.15.

[gedaagde sub 2] is daarmee aansprakelijk voor de schade van Snel-Ned. De vraag is om welk deel van haar schade het gaat. Te dien aanzien geldt dat [gedaagde] c.s. niet hebben weersproken de stellingen van Snel-Ned dat (het winstgevende en overgehevelde deel van) de onderneming van [gedaagde] Partners goed was voor een omzet van € 500.000,- à € 600.000,- per jaar en dat, nog afgezien van de busjes en de inventaris, de debiteurenportefeuille van [gedaagde] Partners ruim voldoende was om de vordering van Snel-Ned volledig te betalen. Ter comparitie hebben [gedaagde] c.s. opgegeven dat [gedaagde] Partners thans nog wel omzet draait, maar dat er bij haar voor Snel-Ned geen verhaalsmogelijkheden zijn. De schade waarvoor [gedaagde sub 2] aansprakelijk is kan daarmee gesteld worden op het bedrag dat [gedaagde] Partners aan Snel-Ned verschuldigd is gebleven.

2.16.

Naar aanleiding van het desbetreffende verweer van [gedaagde] c.s. heeft Snel-Ned in haar conclusie na enquête zich niet langer verzet tegen de door [gedaagde] c.s. gewenste verrekening met een tegenvordering ten bedrage van € 1.620,00. Dit bedrag zal worden afgetrokken van het gevorderde bedrag, zodat daarvan als toewijsbaar resteert het bedrag van € 89.626,13 - € 1.620,00 = € 88.006,13. [gedaagde] Partners dient dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde en niet bestreden handelsrente vanaf de dagvaarding, te betalen op grond van haar contractuele verbintenis. [gedaagde sub 2] zal op grond van zijn onrechtmatige daad hoofdelijk naast [gedaagde] Partners worden veroordeeld tot betaling van het een en ander.

2.17.

Snel-Ned vordert [gedaagde] c.s. te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 2.771,65 voor verschotten en € 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 894,00).

2.18.

[gedaagde] Partners en [gedaagde sub 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de hoofdzaak en van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Snel-Ned worden begroot op:

- dagvaarding € 81,44

- griffierecht 1.284,00

- getuigenkosten 135,00

- salaris advocaat 4.917,00 (5,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 6.417,44

2.19.

Ten opzichte van [gedaagde sub 3] geldt Snel-Ned als de in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank zal Snel-Ned in haar proceskosten veroordelen. Omdat [gedaagde sub 3] gezamenlijk met [gedaagde] Partners en [gedaagde sub 2] procedeert, zal de rechtbank haar kosten stellen op een derde van het totaal aan hun zijde en daarmee op € 630,66 voor griffierecht en € 1,341,00 voor salaris advocaat, dus € 1.971,66 in totaal. Het vrijwaringsincident laat de rechtbank bij deze proceskosten buiten aanmerking, omdat dit incident wel mede door [gedaagde sub 3] aanhangig is gemaakt, maar hieraan geen vervolg is gegeven. De kosten van dit incident waren derhalve onnodig.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde] Partners en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Snel-Ned te betalen een bedrag van € 88.006,13 (achtentachtigduizend en zes euro en dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 4 september 2014 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] Partners en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.665,65, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] Partners en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Snel-Ned tot op heden begroot op € 6.417,44, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

veroordeelt Snel-Ned in de proceskosten van [gedaagde sub 3] , tot op heden begroot op € 1.971,66,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature