Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Vrijspraak samenspanning, voorbereiding en bevorderen van terroristische misdrijven. Veroordeling voor poging tot deelname aan een terroristische organisatie. Geen toepassing jeugdrecht.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats: Rotterdam (conform besluit houdende een aanwijzing ex artikel 21b, derde lid, van de wet op de rechtelijke organisatie )

Parketnummer : 05/881607-15

Datum uitspraak : 15 juni 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 1] , wonende te [adres 1] [woonplaats]

thans gedetineerd te [rekeningnummer]

Raadsman: mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 december 2015, 24 februari 2016 en 18 mei 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is - na een toegewezen vordering nadere omschrijving - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 september 2015 tot en met 17 september 2015 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, en/of in Turkije,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, deel te nemen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft, (telkens) (te) begaan met terroristisch oogmerk, en/of

- moord en/of doodslag, (telkens) (te) begaan met terroristisch oogmerk

immers heeft/hebben/is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al-Nusra (JaN) en/of Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) dan wel Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, bestudeerd en/of zich eigen gemaakt en/of verheerlijkt en/of uitgedragen, en/of

B. (daartoe) Arabische lessen gevolgd, en/of

C. een of meerdere (documenten en/of afbeeldingen) gegevens/informatiedragers voorhanden gehad en/of op internet informatie verkregen betreffende het (gewelddadig extremistisch) Jihadistisch gedachtegoed en/of het bij die strijd bereiken van het martelaarschap, en/of aanwijzingen om zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd, en/of

D. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar Syrië teneinde zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd, en/of

E. (daartoe) (via chatberichten/sociale media/internet) contact gelegd/gehad en/of onderhouden met een of meer voormalig actieve en/of in het strijdgebied (in Syrië) actieve strijder(s) van IS/ISIS/ISIL en/of JaN, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, en/of

F. (via chatberichten/sociale media/internet) inlichtingen ingewonnen en/of informatie verkregen en/of afspraken gemaakt over een te volgen reisroute naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of het leggen van contact en/of het verkrijgen van toegang tot strijdgebied en/of hoe aan te sluiten bij IS/ISIS/ISIL en/of JaN, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, en/of

G. (daartoe) geld gespaard/ingezameld/verkregen en/of voorhanden gehad, en/of

H. een (nieuw) telefoonnummer aangenomen en/of een laptop aangeschaft, en/of

I. een (of meer) ticket(s) en/of reisbescheiden aangeschaft en/of voorhanden gehad, en/of

J. een andere identiteit aangenomen en/of de identiteitskaart/het legitimatiebewijs van een ander als het zijne gebruikt, en/of

K. naar Turkije gereisd en/of (vervolgens) doorgereisd naar/richting het Turks/Syrische grensgebied,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

A.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 17 september 2015 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, en/of in Turkije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft samengespannen tot:

het plegen van moord en/of doodslag, (telkens) te begaan met terroristisch oogmerk, en/of

het opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al-Nusra (JaN) en/of Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) dan wel Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, bestudeerd en/of zich eigen gemaakt en/of verheerlijkt en/of uitgedragen, en/of

B. (daartoe) Arabische lessen gevolgd, en/of

C. een of meerdere (documenten en/of afbeeldingen) gegevens/informatiedragers voorhanden gehad en/of op internet informatie verkregen betreffende het (gewelddadig extremistisch) Jihadistisch gedachtegoed en/of het bij die strijd bereiken van het martelaarschap, en/of aanwijzingen om zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd, en/of

D. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar Syrië teneinde zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd, en/of

E. (daartoe) (via chatberichten/sociale media/internet) contact gelegd/gehad en/of onderhouden met een of meer voormalig actieve en/of in het strijdgebied (in Syrië) actieve strijder(s) van IS/ISIS/ISIL en/of JaN, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, en/of

F. (via chatberichten/sociale media/internet) inlichtingen ingewonnen en/of informatie verkregen en/of afspraken gemaakt over een te volgen reisroute naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of het leggen van contact en/of het verkrijgen van toegang tot strijdgebied en/of hoe aan te sluiten bij IS/ISIS/ISIL en/of JaN, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, en/of

G. (daartoe) geld gespaard/ingezameld/verkregen en/of voorhanden gehad, en/of

H. een (nieuw) telefoonnummer aangenomen en/of een laptop aangeschaft, en/of

I. een (of meer) ticket(s) en/of reisbescheiden aangeschaft en/of voorhanden gehad, en/of

J. een andere identiteit aangenomen en/of de identiteitskaart/het legitimatiebewijs van een ander als het zijne gebruikt, en/of

K. naar Turkije gereisd en/of (vervolgens) doorgereisd naar/richting het Turks/Syrische grensgebied.

EN/OF

B.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 17

september 2015 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, en/of in Turkije, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om

moord en/of doodslag, te begaan met terroristisch oogmerk, en/of

opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

> een ander heeft getracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of

> gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen, en/of

> voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, en/of

> plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al-Nusra (JaN) en/of Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) dan wel Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, bestudeerd en/of zich eigen gemaakt en/of verheerlijkt en/of uitgedragen, en/of

B. (daartoe) Arabische lessen gevolgd, en/of

C. een of meerdere (documenten en/of afbeeldingen) gegevens/informatiedragers voorhanden gehad en/of op internet informatie verkregen betreffende het (gewelddadig extremistisch) Jihadistisch gedachtegoed en/of het bij die strijd bereiken van het martelaarschap, en/of aanwijzingen om zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd, en/of

D. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar Syrië teneinde zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd, en/of

E. (daartoe) (via chatberichten/sociale media/internet) contact gelegd/gehad en/of onderhouden met een of meer voormalig actieve en/of in het strijdgebied (in Syrië) actieve strijder(s) van IS/ISIS/ISIL en/of JaN, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, en/of

F. (via chatberichten/sociale media/internet) inlichtingen ingewonnen en/of informatie verkregen en/of afspraken gemaakt over een te volgen reisroute naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of het leggen van contact en/of het verkrijgen van toegang tot strijdgebied en/of hoe aan te sluiten bij IS/ISIS/ISIL en/of JaN, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, en/of

G. (daartoe) geld gespaard/ingezameld/verkregen en/of voorhanden gehad, en/of

H. een (nieuw) telefoonnummer aangenomen en/of een laptop aangeschaft, en/of

I. een (of meer) ticket(s) en/of reisbescheiden aangeschaft en/of voorhanden gehad, en/of

J. een andere identiteit aangenomen en/of de identiteitskaart/het legitimatiebewijs van een ander als het zijne gebruikt, en/of

K. naar Turkije gereisd en/of (vervolgens) doorgereisd naar/richting het Turks/Syrische grensgebied.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de voortgezette handeling van:

poging tot deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

samenspanning tot en medeplegen van bevordering/voorbereiding van brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing en/of doodslag en/of moord, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van dit feit. Op onderdelen van het verweer wordt, voor zover nodig, hieronder ingegaan.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.

Bruikbaarheid van bewijsmateriaal

De verdediging heeft aangevoerd dat het bericht van de Nederlandse liaison officier in Turkije niet voor het bewijs kan worden gebruikt nu in het proces-verbaal van bevindingen waarin het ambtsbericht is opgenomen, is aangegeven dat dit proces-verbaal niet is bedoeld om te dienen als bewijsmateriaal. De verdediging heeft daarnaast op grond van artikel 344 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (de rechtbank begrijpt: art. 344a lid 3 Sv) een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de bronnen die ten grondslag liggen aan de zich in het dossier bevindende informatie van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) en eventueel andere inlichtingdiensten, voor zover deze informatie berust op gegevens van personen wier identiteit niet blijkt. Datzelfde geldt ten aanzien van bescheiden van Nederlandse opsporingsambtenaren inhoudende informatie van buitenlandse autoriteiten, indien de rechtbank deze informatie als bewijs gebruikt.

Informatie van Turkse autoriteiten

Het verzoek van de raadsman betreft allereerst het proces-verbaal van een inspecteur van de Dienst Landelijke Informatie Organisatie i.o van de Landelijke Eenheid, waarin wordt vermeld dat bij het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC) door tussenkomst van de Nederlandse liaisonofficier informatie van de Turkse autoriteiten is ingekomen. Deze informatie houdt – kort gezegd – in dat op donderdag 17 september 2015 twee Nederlanders [verdachte en zijn medeverdachte, rb] zijn aangehouden in een poging illegaal de grens tussen Turkije en Syrië over te steken (AH064, blz. 664 dossier).

Deze informatie is opgenomen in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal en betreft daarmee een bewijsmiddel als bedoeld in art. 344 lid 1, sub 2 Sv. Op grond van art. 339 lid 1, sub 5 Sv wordt dit als wettig bewijsmiddel erkend. Dat in het proces-verbaal staat vermeld dat deze niet bedoeld is om te dienen als bewijsmateriaal doet daar niet aan af; het is immers de strafrechter die beslist of een schriftelijk stuk kan dienen als bewijsmiddel.

Uit art. 344a Sv blijkt dat de rechter niet uitsluitend of in beslissende mate de bewezenverklaring kan gronden op schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt. Dit schriftelijk bescheid kan daarnaast enkel meewerken tot het bewijs als niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om deze personen te ondervragen, hetgeen door de raadsman in voorwaardelijke vorm is gedaan.

De rechtbank merkt op dat art. 344a Sv specifiek ziet op de verklaringen van een anonieme getuige, een bedreigde getuige en afgeschermde getuige. Een liaison officier is een Nederlands ambtenaar die fungeert als tussenpersoon tussen de Turkse autoriteiten en het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC). Via de liaison officier is informatie van de Turkse opsporingsautoriteiten verstrekt aan de Nederlandse opsporingsautoriteiten. Dit betreft daarmee geen getuigenverklaring maar ambtelijke inlichtingen waarop art. 344a Sv niet van toepassing is, nu die bepaling enkel ziet op de verklaring van een getuige. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een liaison officier geen persoon betreft van wie de identiteit niet is te achterhalen. De liaison officier is werkzaam voor het LIRC en daarmee te identificeren.

Daarmee is – indien de rechtbank gebruik maakt van het proces-verbaal AH064, waarin genoemde informatie van de Turkse autoriteiten is opgenomen – art. 344a Sv niet van toepassing en komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van de raadsman. Bovendien vindt deze informatie, zoals hierna zal blijken, voldoende steun in andere bewijsmiddelen.

AIVD-informatie

In beginsel kan informatie die is verzameld door de AIVD gebruikt worden als bewijsmateriaal in een strafzaak. De rechter dient echter wel met de nodige behoedzaamheid te beoordelen of het bewijsmateriaal, gelet op de soms beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken. In verband met deze beperkte mogelijkheden om de betrouwbaarheid te toetsen, is het denkbaar dat het gebruik van het bewijs niet verenigbaar is met het in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) verankerde recht op een fair trial (Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122).

Voor zover zich in het dossier AIVD-informatie bevindt, die voldoende kan worden getoetst en voldoende wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen, is het gebruik daarvan als bewijs naar het oordeel van de rechtbank niet onverenigbaar met art. 6 EVRM. Voor zover een dergelijk bericht onvoldoende steun vindt in het dossier, kan het naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot het bewijs worden gebezigd gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

Daar waar een AIVD bericht wel voldoende steun vindt in het dossier en aldus tot het bewijs zou kunnen worden gebezigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die informatie. De rechtbank wijst daarom het zeer algemeen verwoorde, voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot het horen van de bronnen die ten grondslag liggen aan de AIVD-informatie af, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken.

2.2.

Algemeen

2.2.1.

De situatie in Syrië

Het conflict

In het voorjaar van 2011 kwam een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet tegen het dictatoriale regime van president Bashar al-Assad. Het regime probeerde de roep om hervormingen met geweld de kop in te drukken. In reactie hierop begon de oppositie zich aan het eind van het jaar 2011 meer en meer gewapenderhand te verzetten. Wat begon als een vreedzaam protest, ontwikkelde zich tot een gewapende strijd en een burgeroorlog.

Naarmate de strijd vorderde, werd deze steeds meer ‘gejihadiseerd’. Jihadistische groepen mengden zich steeds meer en nadrukkelijker als oppositie in de strijd. Hun doel was niet alleen het ten val brengen van het regime van Assad maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat in het Midden-Oosten, een kalifaat.

Het is een feit van algemene bekendheid dat deze jihadistische strijdgroepen, zoals Islamitische staat in Irak en Syrië (ISIS, dan wel in een latere fase: IS) en Jabhat al-Nusra (JaN) en andere, zich op grote schaal en systematisch schuldig maken aan gruwelijke daden. De in hun ogen ongelovigen (kuffar) zijn het slachtoffer van extreem geweld geworden. In 2013 breidde IS zijn activiteiten uit van Irak naar Syrië, wat in juni 2014 leidde tot de oprichting van een kalifaat in delen van beide landen. De oprichting van het kalifaat ging gepaard met de oproep aan moslims in de hele wereld om naar deze islamitische staat te komen en deze te versterken. De jihadistische beweging vormt de motor achter de huidige wereldwijde terroristische golf die wordt uitgevoerd onder het mom van een religieuze gewapende strijd, de (offensieve) jihad waarbij zowel in Syrië als in andere landen excessief geweld wordt toegepast. In september 2014 riep de groepering alle aanhangers die niet kunnen uitreizen, op om aanslagen te plegen in landen die deel uitmaken van de anti-IS-coalitie. In onder meer Frankrijk en Denemarken zijn aanslagen gepleegd die ogenschijnlijk door IS zijn geïnspireerd. Op 13 november 2015 is voor het eerst sprake van een grootschalige IS-aanslag in Parijs waarbij een groot aantal mensen om het leven is gekomen.

Route

Aanvankelijk kwamen veel van de jihadistische opstandelingen uit Syrië zelf maar al gauw kwam een stroom van buitenlandse strijders naar Syrië om zich te mengen in de strijd. Uit het rapport ‘De weg naar het strijdgebied in Syrië’ volgt dat het merendeel van de buitenlandse strijders via Turkije reist. Door reizigers wordt afgezien van directe routes naar conflictgebieden en wordt gebruik gemaakt van ‘broken travel’ om zo hun intenties te verhullen. Vanaf Turkije reizen de strijders via het grensgebied met Syrië naar het strijdgebied. Dit Turks/Syrische grensgebied is in de periode van 2013 tot en met 2015 een belangrijke route voor de strijders omdat IS twee plaatsen die grenzen aan de Turkse provincies Gaziantep en Kilis in handen heeft. Deze provincies, met gelijknamige hoofdsteden, zijn benoemd als doorvoerhavens van personen die zich bij IS willen aansluiten. In deze plaatsen zouden zich ook IS-safehouses bevinden. Tevens zou IS beschikken over een grensovergang in de nabijheid van een vluchtelingenkamp in Kilis. Het aantal strijders dat gebruik maakt van de Kilis- en Gazianteproute is toegenomen sinds IS in juni 2015 de plaats Tal Abyad verloor aan de Koerdische strijders.

In de provincie Kilis zijn [medeverdachte] en [verdachte] aangehouden, zo kan worden afgeleid uit de door Turkse autoriteiten via de liaisonofficier verstrekte informatie, luidende: "Op donderdag 17 september 2015 zijn twee Nederlanders [medeverdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1997 te Nederland en [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 1] (Afghanistan) aangehouden door de Turkse autoriteiten in een poging illegaal de grens tussen Turkije en Syrie in de Turkse provincie Kilis over te steken.. [medeverdachte] heeft verklaard samen met [verdachte] naar Antalya te zijn gevlogen. Van daar uit zijn zij samen met een taxi naar Gaziantep gegaan, waarna ze zijn aangehouden door de Turkse politie.

Toelatingseisen

Voordat de buitenlandse strijders zich kunnen aansluiten bij jihadistische organisaties als Jabhat al-Nusra en Islamitische Staat, moet door iemand binnen de organisatie een garantie van betrouwbaarheid worden gegeven voor hen die zich willen aansluiten. Deze garantie wordt tazkiya genoemd en houdt een bevestiging van iemands integriteit en geloofwaardigheid in.

Motieven voor uitreizen naar het strijdgebied

Er zijn diverse motieven om naar Syrië te reizen. Het is mogelijk dat Nederlanders naar Syrië vertrekken met een andere drijfveer dan het strijden. Mensen kunnen bijvoorbeeld ontevreden zijn over het leven in Nederland omdat zij het gevoel hebben hier niet vrij te zijn in het belijden van hun geloof. Gebieden in handen van Islamitische bewegingen in Syrië kunnen daarbij als aantrekkelijk alternatief worden gezien. De overgrote meerderheid reist echter naar Syrië om als strijder een bijdrage te leveren. Deze personen zien dit als belangrijke religieuze plicht en als mogelijkheid om op te komen tegen allerlei vormen van onrecht. Zij zien een rol als mujahid (strijder die deelneemt aan de jihad) voor zichzelf weggelegd.

De rechtbank overweegt voorts dat anno 2015 de persoonlijke motieven anders dan het willen strijden niet meer doorslaggevend kunnen zijn, aangezien toen algemeen bekend was dat Syrië een strijdgebied is. Door die bloedige strijd was het feitelijk niet meer mogelijk enkel naar Syrië af te reizen om enkel het geloof te belijden zonder bij deze strijd betrokken te raken.

Uit het aan het dossier toegevoegde rapport ‘Bestemming Syrië’ blijkt dat uitreizigers zich voornamelijk hebben gevoegd bij jihadistische organisaties als IS en Jabhat al-Nusra, of kleinere groeperingen die strijden tegen het regime van Assad en voor de oprichting van een islamitische staat. Het is volgens het rapport niet aannemelijk dat Nederlanders zich hebben aangesloten bij het Vrije Syrische leger. Over het reizen naar Syrië en het al dan niet aansluiten bij groeperingen heeft [medeverdachte] verklaard dat volgens [verdachte] – die reeds in 2013 in Syrië is geweest – je daar niet kon leven, zonder je ergens bij aan te sluiten. De rechtbank begrijpt dan ook uit het voorstaande dat het anno 2015 bijna niet mogelijk is om naar het strijdgebied te reizen, zonder zich aan te sluiten bij een strijdgroep. Aanwijzingen dat deze conclusie in onderhavige zaak niet getrokken kan worden , bevat het dossier niet en ook verdachte heeft hiervoor geen concrete aanknopingspunten verschaft.

De vraag die de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of uitreizigers die terechtkomen bij een strijdgroep, per definitie betrokken zijn bij de gewapende strijd.

Uit het rapport ‘Bestemming Syrië’ blijkt dat de meesten als strijder zullen worden ingezet maar personen ook andere functies kunnen vervullen. Organisaties als IS en JaN hebben naast een leger tevens een functionerend bestuur nodig om zaken als veiligheid, gezondheidszorg, onderwijs, religie, media en economie te kunnen reguleren. Bij dergelijke andere functies blijft men echter wel reservist en kan men te allen tijde worden opgeroepen om mee te komen strijden. Dit kan niet geweigerd worden. Het is daarmee niet mogelijk dat personen met een rol achter de frontlinies zich volledig aan de geweldige strijd kunnen onttrekken en zij zullen dus altijd indirect een bijdrage leveren aan een organisatie.

Bovendien, ook al zouden uitreizigers zich op het grondgebied van IS of JaN bezig kunnen houden met niet-militaire activiteiten als onderwijs, gezondheidszorg, voedselvoorziening etc, dan zullen zij dat alleen kunnen doen met inachtneming van de door IS of JaN gestelde kaders en gegeven regels. Op deze wijze kunnen zij net zo goed een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de idealen van deze groeperingen: het omver werpen van het Assad-regime (wat daar overigens van zij; Rb) c.q. het vestigen, versterken en uitbouwen van de islamitische staat.

Conclusie

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat als naar het strijdgebied in Syrië wordt gereisd, dit veelal door middel van ‘broken travel’ via de Turkse plaatsen Gaziantep en Kilis is. Het is nagenoeg niet mogelijk is om naar Syrië te reizen en daar te verblijven zonder zich aan te sluiten bij een strijdgroep. Het is niet aannemelijk dat uitreizende Nederlanders zich aansluiten bij het Vrije Syrische Leger. Alvorens zich bij een jihadistische strijdgroep als IS en JaN aan te kunnen sluiten, is een garantie van betrouwbaarheid (tazkiya) nodig.

Islamitische Staat, ook wel Islamitische Staat in Irak en al-Sham (IS(IS)) en Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) en Jahbat al-Nursa (JaN) zijn opgenomen in Bijlage I van de EG verordening 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 en worden internationaal aangemerkt als (verboden) terroristische organisaties.

Indien wordt aangesloten bij een strijdgroep, zal altijd (direct of indirect) een bijdrage worden geleverd aan de strijdgroep en is daarmee sprake van het leveren van een feitelijke bijdrage en dus deelname aan de organisatie. De deelname aan het gewapend conflict in Syrië als lid van de hiervoor opgesomde organisaties is terroristisch van aard en daarmee strafbaar, of deze nu is gericht tegen het regime van Assad dan wel op de inrichting van een Islamitische staat, nu beide zijn gericht op het aanjagen van vrees aan de bevolking dan wel een overheid te dwingen dan wel fundamentele structuren te ontwrichten of vernietigen.

2.2.2.

Ideologie

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [medeverdachte] en [verdachte] naar Syrië wilden reizen om zich aan te sluiten bij de gewapende strijd en indien dit het geval is, of daarmee sprake is van een poging tot (het al dan niet medeplegen van) deelneming aan een terroristische organisatie (feit 1) en het (al dan niet in vereniging) samenspanning en/of voorbereiding/bevorderen van moord, doodslag of brandstichting met een terroristisch oogmerk (feit 2).

Gedachten zijn niet strafbaar

Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve omstandigheden en gedragingen. Het enkel hebben van bepaalde gedachten, ideologie en geloof is niet strafbaar, hoe extreem of radicaal die ook mogen zijn. Er is een recht op vrijheid van gedachte, geweten en geloof.

Gedachten kunnen echter wel bepaalde gedragingen inkleuren. Voor een bewezenverklaring van terroristische misdrijven zoals tenlastegelegd, dient – los van de al dan niet bewezenverklaarde handelingen – sprake te zijn van een bepaald opzet of oogmerk. Omdat ten laste is gelegd het medeplegen van diverse delicten, zal de rechtbank de achtergrond van beide verdachten bespreken.

2.2.2.1. [verdachte]

De AIVD heeft in een ambtsbericht te kennen gegeven te beschikken over de volgende informatie:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 1] (Afghanistan), heeft eind 2012 in besloten kring kenbaar gemaakt dat de jihad verplicht is en dat de vijanden van Allah bestreden moeten worden. Hij heeft in oktober en november 2013 in Syrië verbleven. In die periode heeft hij in ieder geval enkele weken verbleven in Kafr Hamra, een buitenwijk in Noordwest-Aleppo waar strijders van verschillende groeperingen destijds verbleven en doorgaans training ondergingen. [verdachte] was daarbij in aanwezigheid van [A] en [B] . Zij waren aldaar aangesloten bij Jabhat Al Nusrah.

Deze informatie kan naar het oordeel van de AIVD worden aangemerkt als betrouwbare informatie.

Deze informatie wordt in belangrijke mate en op essentiële punten ondersteund door een inreisstempel van 3 september 2013 en een uitreisstempel van 17 november 2013 voor Turkije in [verdachte] ’s paspoort en vindt ook steun in de hieronder genoemde verklaringen:

[verdachte] heeft zelf verklaard dat hij in de zomer van 2013 naar Syrië is gereisd samen met [B] en [A] . [verdachte] is daar twee maanden gebleven. De broer van [verdachte] ( [broer] [verdachte] ) en zijn vader ( [vader] [verdachte] ) hebben over deze reis in 2013 verklaard dat [verdachte] hen belde en zei dat hij in Istanbul was en onderweg was naar Syrië met een groep vrienden om daar te vechten tegen de regering. Tijdens het afleggen van deze verklaring kreeg de broer van [verdachte] een bericht van [B] dat zij onderweg waren om zich aan te sluiten bij een groep om te vechten tegen Assad. De vader en broer van [verdachte] hebben tevens verklaard dat [verdachte] twee jaar geleden zich op het geloof heeft gestort en zich wilde inzetten tegen tirannen die onschuldige mensen ombrachten. De familie van [verdachte] heeft voorts verklaard dat zijn moeder toen naar Turkije is gegaan en heeft hem gevraagd naar Turkije te komen om nog afscheid van elkaar te nemen. Toen [verdachte] uiteindelijk de grens over was gegaan, heeft zijn moeder op hem ingepraat en uiteindelijk is hij toen enige tijd naar familie in Afghanistan gegaan.

In hetzelfde ambtsbericht van de AIVD is vermeld dat [verdachte] in november 2013 op Facebook gebruik heeft gemaakt van de naam [naam 1] . Onder deze naam heeft hij in Syrië een foto van zichzelf geplaatst met een vuurwapen in handen en andere vuurwapens op de achtergrond.

De naam die [verdachte] op Facebook gebruikte is [naam 2] . Dit was de ‘strijder met de rode tulband’, een tijdgenoot van de profeet Mohamed. Als hij de rode tulband droeg, wist iedereen dat hij bereid was om te vechten tot de dood. [naam 2] stond bekend om zijn strijdvaardigheid en dapperheid in de Jihad, aldus de overlevering. Op 17 november 2015 heeft [verdachte] vanuit detentie een brief verstuurd naar [naam 7] (die veroordeeld is tot levenslange gevangenisstraf vanwege de moord op [naam 8] ), waarin hij hem steun betuigt en zichzelf daarbij ‘de rode band drager’ noemt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor genoemde informatie, afkomstig van de AIVD, in voldoende mate wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen.

Gelet op het feit dat [verdachte] zich een aantal jaar geleden op het geloof heeft gestort, in 2013 naar Syrië is gereisd om tegen Assad te vechten, zich daarbij heeft aangesloten bij Jabhat al Nusrah, kort daarna een foto van zichzelf op Facebook heeft geplaatst met wapens en zichzelf daarbij vernoemt naar een historische jihadistische strijder, neemt de rechtbank aan dat [verdachte] reeds in 2013 het jihadistische gedachtengoed aanhing. De rechtbank gaat er van uit dat [verdachte] dit gedachtengoed tijdens de tenlastegelegde periode ook nog aanhing, nu hij tijdens zijn detentie in november 2015 een brief met steunbetuigingen heeft verstuurd naar [naam 7] waarin hij zichzelf weer de rode band drager noemt. De rechtbank ziet zich hierin gesteund door het feit dat in september en oktober 2014 tijdens een chatgesprek tussen [naam 4] [C] (die verblijft in Syrië en wordt verdacht van strijden met IS) en [B] (reisgenoot van [verdachte] in 2013) wordt gesproken over een broeder die zich wil aansluiten bij IS en [C] veronderstelt dat dit [medeverdachte] is en hij daar blij over is. [B] geeft aan dat het niet [medeverdachte] is omdat [medeverdachte] vast zit. [verdachte] zat op dat moment in Nederland gedetineerd. De rechtbank begrijpt hieruit dat anderen het idee hadden dat [verdachte] weer terug naar Syrië wilde om zich aan te sluiten bij IS en daarmee anderen dus het idee hadden dat [verdachte] ook toen het jihadistische gedachtengoed aanhing en bereid was weer naar Syrië te reizen.

2.2.2.2. [medeverdachte]

Verklaringen familie

De broer van [medeverdachte] ( [broer] [medeverdachte] ) heeft verklaard dat [medeverdachte] sinds een aantal maanden voorafgaande aan zijn vertrek een vreemde manier van denken over het geloof had en aangaf wel aanhanger te zijn van het Jihadisme. Hij heeft tevens verklaard dat [medeverdachte] heeft aangegeven voorstander van IS te zijn. [medeverdachte] zou sinds zijn detentie in de Hunnerberg serieuzer met het geloof omgaan en daarin steeds extremer zijn geworden. [medeverdachte] gaat regelmatig naar de moskee en heeft momenteel een baard. Dit was eerst een Turkse moskee maar die had volgens hem niet het juiste geloof. Daarnaast heeft [medeverdachte] een paar maanden na zijn detentie een tijd lang een ‘Djellaba’ en een ‘Qamis’ gedragen. Een ‘djellaba’ is een lang wijd gewaad met wijde mouwen en een capuchon, gedragen door Arabische mannen. Een ‘Qamis’ is traditioneel kledingstuk; het is een lange, ruime blouse van katoen, gedragen over een broek.

De moeder van [medeverdachte] ( [moeder 1] ) heeft verklaard dat [medeverdachte] contact had met een jongen uit Afghanistan die al een keer in Syrië was geweest en dat deze jongen veel invloed op hem had. Sindsdien droeg hij een ‘djellaba’ en werd hij praktiserend. Onder invloed van die jongen kreeg [medeverdachte] volgens [moeder 1] een verkeerde kijk op het geloof. Tevens heeft [medeverdachte] gezegd dat de ongelovigen niet gerespecteerd hoeven te worden. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij sinds zijn detentie meer omging met [verdachte] en dat het algemeen bekend is dat [verdachte] eerder naar Syrië is geweest. Gelet op deze verklaring en het feit dat [verdachte] uit Afghanistan komt, gaat de rechtbank er van uit dat de moeder van [medeverdachte] doelt op [verdachte] .

Zowel [broer] [medeverdachte] als [moeder 1] zijn later (deels) teruggekomen op de door hen afgelegde verklaringen. De rechtbank ziet echter geen aannemelijke reden waarom beiden zouden verklaren over het veranderende gedrag van [medeverdachte] en diens uitlatingen omtrent het geloof en jihadisme als hetgeen waarover zij hebben verklaard niet heeft plaatsgevonden, terwijl zij wisten dat zij hun broer respectievelijk zoon daarmee in een kwaad daglicht zouden stellen. Waarom zouden zij dat doen? Beiden hebben hiervoor geen verklaring gegeven, anders dan dat zij later hebben gezegd dat de politie er niets van begrepen heeft en alles verkeerd heeft opgeschreven. Daarnaast hebben verbalisanten [varbalisanten] (de agenten die als eerste de familieleden hebben gehoord naar aanleiding van de melding van [broer] dat [medeverdachte] werd vermist) in hun verklaringen bij de rechter-commissaris bevestigd dat het geverbaliseerde over het gesprek met [broer] [medeverdachte] en het verhoor van [moeder 2] [moeder 1] , juist is. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door hen in eerste instantie afgelegde verklaringen over [medeverdachte] .

Bestanden op de laptop

Op de computer van [broer] [medeverdachte] is een groot aantal documenten aangetroffen over de gewelddadige jihadstrijd, het martelaarschap, het verheerlijken en legitimeren van geweld en theologische en politieke vraagstukken rond de gewelddadige jihadstrijd. Deze bestanden zijn op 7 en 9 januari 2015, 14 februari 2015, 25 april 2015 en 6 juni 2015 op de laptop opgeslagen. [broer] [medeverdachte] heeft verklaard dat deze documenten niet van hem afkomstig zijn en dat zijn laptop tevens door [medeverdachte] en vrienden van [broer] gebruikt wordt.

Nu [broer] [medeverdachte] heeft aangegeven dat meerdere personen – waaronder [medeverdachte] – gebruik konden maken van de laptop, is het van belang vast te stellen van wie de documenten afkomstig zijn.

- Op 7 en 9 januari 2015 zijn bestanden weggeschreven naar de locatie:

[locatie 3]

- Op 14 februari 2015 zijn bestanden weggeschreven naar de locaties:

[locatie 3] telefoon samsung galaxy \

[locatie 2]

- Op 25 april 2015 zijn bestanden weggeschreven naar de locatie:

[locatie 2]

- Op 6 juni 2015 zijn bestanden weggeschreven naar de locaties:

[locatie 3] \

[locatie 3] [locatie 2] \

De bestanden van 7 en 9 januari 2015 en 6 juni 2015 zijn opgeslagen in een map met de naam ‘ [medeverdachte] ’. De bestanden van 14 februari 2015 zijn tevens opgeslagen in een map met de naam ‘ [medeverdachte] ’ en in een bestandslocatie met een verwijzing naar een back up van een Samsung GT-I9195. Deze telefoon heeft als gebruikersnaam ‘ [medeverdachte] ’. Een Samsung GT-I95195 betreft een Samsung Galaxy S4 mini. De [broer] [medeverdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] gebruik maakt van een Samsung Galaxy S4 mini.

Gelet op het feit dat een groot deel van de bestanden is opgeslagen in de map met de naam ‘ [medeverdachte] ’ en een deel van de documenten zijn overgezet met een telefoon van hetzelfde type als [medeverdachte] in bezit had en met de naam ‘ [medeverdachte] ’, houdt de rechtbank het ervoor dat al deze bestanden door [medeverdachte] op de laptop zijn opgeslagen. Gelet op het feit dat deze specifieke documenten zijn opgeslagen op de laptop in de mappen genaamd ‘ [locatie 3] ’ en ‘ [locatie 2] ’ kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat [medeverdachte] deze documenten tevens heeft bestudeerd, althans dat hij de inhoud van de documenten kende.

Conclusie

Gelet op de verklaringen van de broer en de moeder van [medeverdachte] waaruit blijkt dat [medeverdachte] – al dan niet onder invloed van [verdachte] – na zijn detentie extremer is geworden in zijn geloof, een “verkeerde kijk op het geloof” had, heeft aangegeven voorstander van IS en het jihadisme te zijn en over een groot aantal documenten over het jihadisme en de gewelddadige strijd beschikte, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte] het jihadistisch gedachtengoed aanhing.

2.3.

De feiten

2.3.1.

De reis en omstandigheden

De reis

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 11 september 2015 zijn [verdachte] en [medeverdachte] samen vanuit de flat aan [adres 2] te [woonplaats] vertrokken. Ze gingen naar Düsseldorf (Duitsland); daar kochten ze een vliegticket vanaf Weeze (Duitsland) naar Antalya (Turkije). Dezelfde dag nog vertrokken ze vanaf Weeze. De inreisvisa voor Turkije van [verdachte] en [medeverdachte] zijn afgestempeld op 12 september 2015.

Op 29 september 2015 ontving het LIRC, door tussenkomst van de in Turkije gestationeerde Nederlandse liaison officier, schriftelijk informatie van de Turkse opsporingsautoriteiten, inhoudende: Op donderdag 17 september 2015 zijn twee Nederlanders [medeverdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1997 te Nederland en [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 1] (Afghanistan) aangehouden door de Turkse autoriteiten in een poging illegaal de grens tussen Turkije en Syrië in de Turkse provincie Kilis over te steken.

De rechtbank concludeert hieruit dat [verdachte] en [medeverdachte] op 17 september 2015 in de buurt van de Turks-Syrische grens zijn aangehouden. Daaraan doet niet af dat op pagina 1023 in een proces-verbaal ‘rapportage historische verkeersgegevens telefonie’ staat vermeld dat ze op 13 september 2015 zouden zijn aangehouden. Dit is waarschijnlijk een verschrijving. Nu daarbij geen bron van die informatie is vermeld, hecht de rechtbank daar geen waarde aan, temeer daar dit proces-verbaal niet het vertrek naar en verblijf in Turkije als onderwerp heeft, maar ziet op een analyse van de gegevens van de telefoons van verdachten en de gewraakte passage kennelijk alleen als inleiding is geschreven.

De zus van [medeverdachte] , [zus] [medeverdachte] , heeft verklaard dat zij telefonisch van Buitenlandse Zaken te horen kreeg dat [medeverdachte] was aangehouden in Turkije samen met een jongen genaamd [medeverdachte] . Volgens de moeder van [medeverdachte] zou Buitenlandse Zaken bovendien hebben gezegd dat [medeverdachte] en de andere jongen op het moment van de aanhouding in een bus of een busje zaten. De rechtbank concludeert hieruit dat [medeverdachte] en [verdachte] op het moment van aanhouding samen in een bus of een busje zaten.

Verder overweegt de rechtbank het navolgende.

De liaison officier deed op 29 september 2015 melding dat [verdachte] en [medeverdachte] op dinsdag 29 september 2015 vanaf Istanbul naar Schiphol zouden vertrekken. In de doorgezonden tekst waren de persoonsgegevens van [medeverdachte] en [verdachte] als volgt opgenomen: [medeverdachte] ( [geboortedatum 2] /1997) en [broer] [verdachte] ( [geboortedatum 2] 1997).

In de fouillering van [verdachte] zat een visum voor Turkije, een boardingpass op naam van [broer] [verdachte] en een ID-kaart met naam [broer] [verdachte] , geboortedatum [geboortedatum 2] 1997.

Op 29 september 2015 gaf [verdachte] aan de verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee op dat hij was: [broer] [verdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 1997 te [geboorteplaats 2] , daarbij toonde hij een Nederlandse identiteitskaart op naam van [broer] [verdachte] . Later gaf hij toe dat hij [verdachte] was en dat de door hem opgegeven persoonsgegevens van zijn broertje zijn.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] zich op 29 september 2015 heeft uitgegeven als zijn jongere broer [broer] [verdachte] en dat hij tijdens zijn reis naar Turkije ook diens identiteitskaart als de zijne had gebruikt. Nu overigens in de fouillering van [verdachte] geen andere reis- en identiteitsdocumenten zijn aangetroffen, acht de rechtbank ook bewezen dat hij zich tijdens zijn reis naar Turkije heeft uitgegeven als [broer] [verdachte] en diens identiteitskaart als de zijne had gebruikt.

[medeverdachte] en [verdachte] zijn – zoals reeds overwogen onder 2.2.1 bij ‘route’ - via Antalya naar Gaziantep en vervolgens naar Kilis gereisd. De reis van de luchthaven in Antalya naar Gaziantep is (volgens Google Maps) 815 km en naar Kilis is (volgens Google Maps) 879 km. In Gaziantep bevindt zich (volgens Google Maps) een luchthaven. De rechtbank merkt hierbij op dat de door [medeverdachte] en [verdachte] genomen route overeenkomt met de in het rapport ‘De weg naar het strijdgebied in Syrië’ beschreven route waarbij gebruik wordt gemaakt van ‘broken travel’ en wordt gereisd via Gaziantep en Kilis om in het strijdgebied in Syrië te komen. De genomen route via de stad Gaziantep komt eveneens overeen met de route die [C] in een chat met [B] heeft aangegeven om bij IS te komen. In deze chat noemt [C] met betrekking tot de route ‘Kasienteb’ (de rechtbank begrijpt: Gaziantep).

Omstandigheden

Arabische les

Tijdens het huisbezoek heeft de broer van [medeverdachte] verklaard dat [medeverdachte] via livestreams op internet Arabisch aan het leren was, volgens zijn vader omdat hij de Koran wilde lezen. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij inderdaad Arabische les heeft gevolgd om te kunnen lezen.

Geld

Tijdens het huisbezoek heeft [broer] [medeverdachte] verklaard dat [medeverdachte] geld spaarde (terwijl hij dit eerder niet deed), van zijn zus 70 euro had gekregen voor zijn verjaardag, zijn fiets had verkocht, van zijn vader de kinderbijslag had gekregen vlak voor zijn vader op vakantie ging en dat zijn vader 300 euro achter had gelaten voor boodschappen toen hij op vakantie ging. [medeverdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zijn fiets had verkocht voor 50 euro, dat hij geld had gekregen voor zijn verjaardag en dat zijn vader geld had achtergelaten omdat hij op vakantie ging (dat was 250 euro voor het doen van boodschappen).

De familie van [verdachte] heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat [verdachte] geen inkomen heeft, ook niet van een uitkering of een toeslag.

De transacties van bankrekeningnummer [rekeningnummer] van [verdachte] zijn door de politie onderzocht. Daarbij zag de verbalisant dat gedurende het hele jaar 2014 en 2015 zeer weinig transacties hebben plaatsgevonden. In augustus en september was er op 3 data in totaal een bedrag van € 1.414,75 bijgeschreven, met als omschrijving: ‘Gemeente [woonplaats] inz. Werk en inkomen [verdachte] ’. Vervolgens is in de periode van 13 augustus 2015 tot en met 10 september 2015 een totaalbedrag van € 1.400,- gepind.

Documenten en gegevensdragers

[broer] [medeverdachte] verklaarde verder dat [medeverdachte] 2 of 3 weken voor zijn vermissing een tweedehands laptop heeft gekocht. [medeverdachte] heeft daarvoor veel gebruik heeft gemaakt van de computer van zijn broer.

De broer verklaarde dat [medeverdachte] de laatste tijd meerdere telefoonnummers had gehad, waarvan de nieuwste nu ongeveer 2 tot 3 weken in gebruik is. Zijn huidige telefoonnummer is: [telefoonnummer 1] en andere telefoonnummers die hij dit jaar heeft gebruikt zijn [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] .

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft vastgesteld, is op de laptop van [broer] [medeverdachte] een groot aantal documenten aangetroffen over de gewelddadige jihadstrijd, het verheerlijken en legitimeren van geweld en theologische en politieke vraagstukken rond de gewelddadige jihadstrijd die door [medeverdachte] op de laptop zijn opgeslagen en bestudeerd althans bekeken.

Contacten

[C]

[broer] [medeverdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] via skype contact had met ene ‘ [naam 3] ’ in Syrië die uit [woonplaats] komt. Dat is een vriend van ene [naam 5] die ook in Syrië is geweest maar inmiddels weer terug is. [medeverdachte] had volgens zijn broer meer dan 5 of 6 keer contact met [naam 3] . In een latere verklaring heeft zijn broer aangegeven dat dit skypegesprekken met ene [naam 4] betrof. De moeder van [naam 4] [C] (wonend in [woonplaats] ) heeft verklaard haar zoon in 2013 met [naam 5] naar Syrië is vertrokken en [naam 5] weer teruggekeerd is.

De rechtbank maakt uit het voorgaande op dat [medeverdachte] meerdere (vijf à zes keer) skypecontacten heeft gehad met ene [naam 3] / [naam 4] . In eerste instantie spreekt [broer] [medeverdachte] over [naam 3] en later over [naam 4] . Gelet op de verklaring van de broer van [medeverdachte] en de verklaring van de moeder van [naam 4] dat haar zoon samen met [naam 5] naar Syrië is gegaan, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de gesprekken waar [broer] over heeft verklaard, skypegesprekken tussen [medeverdachte] en [naam 4] betreffen. Zoals reeds benoemd, wordt [C] ervan verdacht te strijden met IS. [C] heeft in een interview in de [tijdschrift] aangegeven dat hij bij ISIS verblijft.

[X]

Uit onderzoek aan de telefoon van de (toenmalige) vriendin van [medeverdachte] , [vriendin 1] , blijkt dat na de aanhouding van [medeverdachte] en [verdachte] op 17 september 2015 [medeverdachte] contact heeft met haar. [vriendin 1] en haar vriendin [vriendin 2] lijken als tussenschakel te fungeren tussen [medeverdachte] en [X] (de neef van [vriendin 2] ). Op 20 september 2015 heeft [medeverdachte] (via [vriendin 1] en [vriendin 2] ) contact met [X] . [vriendin 2] chat dat de neef niet kan helpen waarop [vriendin 2] chat dat ‘supermtaisi’ (waarmee wordt bedoeld [huisgenoot] , de huisgenoot van [X] ) misschien kan helpen. [X] is in september 2014 naar Syrië vertrokken en heeft tegen zijn familie gezegd dat hij naar een trainingskamp gaat en zichzelf gaat opblazen of naar Nederland terugkomt met wapens. Hij heeft tevens een skypeprofielfoto van zichzelf met een AK-47 en onder zijn naam staat ‘Islamic State’.

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte] meerdere skypegesprekken heeft gehad met [naam 4] [C] en na zijn aanhouding contact heeft gehad met [X] . Beiden bevinden zich in het strijdgebied Syrië en er zijn sterke aanwijzingen dat zij zich hebben aangesloten bij IS.

2.3.2.

Doel van de reis

Verklaring [medeverdachte] over doel van de reis

[medeverdachte] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij en [verdachte] elkaar rond augustus 2015 vaker zagen. [verdachte] vertelde hem dat hij door iemand was benaderd voor hulp bij terugkeer naar Nederland vanuit Syrië. [verdachte] vertelde dat hij de jongen had gezegd dat hij in Syrië niets voor hem kon doen maar wel dat hij hem in Turkije bij de grens kon ophalen. [medeverdachte] gaf bij [verdachte] aan wel mee te willen reizen. Ze spraken af dat ze moesten wachten tot [medeverdachte] 18 jaar was, dus tot [geboortedatum 1] 2015. Ze hebben gewacht tot vrijdag 11 september 2015. Die dag vertrokken ze vanuit [woonplaats] , van huis, naar Düsseldorf. Daar hebben ze tickets gekocht. Ze hoorden dat er die dag geen vliegtuig meer naar Antalya gingen en dat de enige mogelijkheid voor die dag was om te vliegen via Weeze. Ze hadden van tevoren niet nagedacht over welke vlucht ze moesten nemen. Een last-minute leek [medeverdachte] wel handig. Ze hadden een retourticket geboekt van 11 tot 15 september 2015. Ze zijn op 11 september 2015 vanuit Weeze naar Antalya vertrokken, waar ze op 12 september 2015 aan kwamen. Vanaf het vliegveld in Antalya zijn ze met een taxi naar Gaziantep gereisd. Toen ze aankwamen zijn ze aangehouden en meegenomen. Later zijn ze teruggestuurd. Volgens het plan zouden ze op 13 september 2015 de jongen in Kilis ophalen. Dat zou net tegen de avond zijn omdat dat makkelijker was om de grens over te komen. De jongen zou zelf de grens oversteken naar Kilis. Ze waren in één dag door gereisd, zonder ergens te verblijven, aldus de verklaring van [medeverdachte] . [verdachte] heeft in het geheel geen verklaring afgelegd over de bedoelingen en achtergronden van zijn reis.

Geloofwaardigheid verklaring [medeverdachte] over doel van de reis

De rechtbank overweegt dat [verdachte] en [medeverdachte] op 17 september 2015 bij de grens tussen Syrië en Turkije zijn aangehouden. Dit wringt met de verklaring van [medeverdachte] . Bij de aanhouding was de datum van de retourvlucht (15 september 2015) immers reeds twee dagen verstreken.

Daar komt nog bij dat de rechtbank het ongeloofwaardig en onaannemelijk acht dat twee mensen die iemand zullen helpen bij zijn terugkeer uit een strijdgebied, geen concrete afspraken maken met die persoon over waar en wanneer ze elkaar zullen ontmoeten, en dat ze op een willekeurige dag naar een kennelijk willekeurig vliegveld reizen om aldaar te kijken of er toevallig nog een lastminute vlucht richting Turkije beschikbaar is.

Tot slot overweegt de rechtbank dat [medeverdachte] voor het eerst op de pro forma-zitting van 24 februari 2016 over dit scenario heeft verklaard. Een maand daarvoor, namelijk op 21 januari 2016 heeft het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP) van de PI [rekeningnummer] een kopie ontvangen van een brief. De enveloppe waar de brief in zat, was geadresseerd aan [gedetineerde] (gedetineerd in de Terroristen Afdeling (TA) van de PI [rekeningnummer] ) en had als afzender [broer gedetineerde] , [nummer 2] ( [broer gedetineerde] , een broer van [gedetineerde] en gedetineerd in de TA van de Pl Rotterdam) .Deze brief zelf was gericht aan “ [medeverdachte] ” en ondertekend met “ [medeverdachte] ”. In de brief staat onder meer: “praat met je advocaat je weet wel over wat! als je instemt dan weet je wat te wachten staat, maar als je denkt van beter ni doen dan doe ik het ook niet. kijk maar wat advocaat adviseert. Stuur me brief terug InShaállah en geen gekke dingen erin zette en over plan advocaat stuur je ja of nee”.

Gelet op de inhoud van de brief en de namen die in de brief staan vermeld, concludeert de rechtbank dat deze brief door [medeverdachte] is geschreven aan [verdachte] , waarbij [medeverdachte] op de enveloppe gebruik heeft gemaakt van valse namen.

Uit deze brief volgt dat er wordt gecommuniceerd over “een plan”, vlak voordat [medeverdachte] voor het eerst met deze alternatieve verklaring komt. . Dit maakt het alternatieve scenario nog minder geloofwaardig.

Dit alles bij elkaar genomen maakt dat de rechtbank het alternatieve scenario dat [verdachte] en [medeverdachte] iemand zouden helpen bij zijn terugkeer uit Syrië ongeloofwaardig acht.

Doel van de reis

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

[verdachte] en [medeverdachte] zijn op 11 september 2015 via Weeze naar Antalya gereisd. Vanuit Antalya zijn ze samen in een taxi (al dan niet via Gaziantep) naar Kilis gereisd. In Kilis zijn ze bij de Turks-Syrische grens aangehouden. Zoals reeds benoemd, wordt, als naar het strijdgebied in Syrië wordt gereisd, dit veelal via deze plaatsen gedaan. Tevens komt deze route overeen met een eerdere beschrijving van [C] aan [B] over hoe bij IS te komen. Voorafgaand aan de reis heeft [medeverdachte] meerdere keren geskypet met [C] . Nadat [medeverdachte] en [verdachte] zijn aangehouden, heeft [medeverdachte] contact gehad [X] – die zich in het strijdgebied bij IS bevindt – maar die kon volgens [vriendin 2] niet ‘helpen’.

Zoals eerder vastgesteld hangen zowel [medeverdachte] als [verdachte] het jihadistische gedachtengoed aan. [medeverdachte] heeft aangegeven voorstander te zijn van IS en [verdachte] noemt zichzelf de rode band drager waarmee hij refereert naar een legendarische jihadistische strijder.

De door [medeverdachte] gegeven verklaring voor hun reisbeweging van Antalya naar Gaziantep en naar Kilis wordt door de rechtbank ongeloofwaardig geacht.

Het is niet mogelijk om naar Syrië te reizen en daar te verblijven zonder zich aan te sluiten bij een strijdgroep.

[verdachte] en [medeverdachte] hebben, wetende dat het niet mogelijk is om naar Syrië te reizen en daar te verblijven zonder zich aan te sluiten bij een strijdgroep, toch een route genomen in de richting van het strijdgebied, die gebruikelijk is en waarover ook onderling wordt gesproken in contacten met andere uitreizigers. Dit alles deden zij terwijl zij ook het jihadistische gedachtengoed aanhangen, zodat dit volgens de rechtbank niet anders kan worden uitgelegd dan dat zij naar Syrië reisden met het doel zich aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep.

De raadsman van [verdachte] heeft nog opgemerkt dat de in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedragingen geenszins noodzakelijkerwijs zien op een beoogde “deelneming” aan genoemde organisaties. Ze laten de met een bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid open dat die gedragingen zijn verricht met een niet strafbaar doel of het doel om andere strafbare feiten te plegen dan in de tenlastelegging genoemd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat – zoals reeds onder ‘de situatie in Syrië’ onder ‘strijdgebied’ overwogen – het niet mogelijk is om naar het strijdgebied te reizen, zonder zich aan te sluiten bij een strijdgroep of anderszins betrokken te raken bij gewelddadigheden die van de terroristische organisaties ter plaatse uitgaan

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of daarmee sprake is van een poging tot deelneming aan een terroristische organisatie (feit 1), samenspanning en/of en voorbereiding/bevorderen van moord, doodslag of brandstichting met een terroristisch oogmerk (feit 2).

2.4.

Deelneming (feit 1)

Deelneming aan een criminele terroristische organisatie is strafbaar gesteld in 140a Sr. Van een criminele terroristische organisatie is sprake indien deze organisatie beoogt misdrijven te plegen met een terroristisch oogmerk (gericht op het aanjagen van vrees van de bevolking dan wel een overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen). Om van deelneming te spreken moet de betrokkene een aandeel hebben, dan wel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat de betrokkene zelf heeft meegedaan aan de misdrijven die door andere leden zijn gepleegd. Daarnaast is niet vereist dat de deelnemer zelf een oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven heeft. De deelnemer moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie dit terroristische oogmerk heeft.

Het is een feit van algemene bekendheid dat IS en JaN beogen misdrijven te plegen met een terroristisch oogmerk. Daar komt bij dat [medeverdachte] over een groot aantal documenten over de gewelddadige jihadstrijd beschikte en heeft bestudeerd althans bekeken. [verdachte] is reeds in 2013 uitgereisd naar Syrië en heeft zich toen aangesloten bij JaN. Naar het oordeel van de rechtbank kan het aldus niet anders zijn dan dat zij wisten dat IS en JaN het plegen van terroristische misdrijven beogen.

Zoals reeds benoemd zijn zowel IS als JaN internationaal aangemerkt als terroristische organisaties. Deelneming hieraan is dus verboden.

2.4.1.

Poging

De raadsman van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat poging tot deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (feitelijk) uitgesloten is. Een dergelijke constructie, in het licht van de delictsomschrijving van artikel 140a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is dermate ver verwijderd van enig daadwerkelijk te plegen misdrijf dat poging tot deelneming aan een criminele dan wel terroristische organisatie moeilijk voorstelbaar is.

Hoewel dit standpunt van de raadsman geen ondubbelzinnige conclusie bevat, overweegt de rechtbank het navolgende. Art. 45, eerste lid, Sr bepaalt dat poging tot misdrijf strafbaar is, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Nu deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven een misdrijf is en de strafbaarheid van een poging daartoe niet bij wet is uitgesloten (anders dan bijvoorbeeld bij mishandeling of bij alle overtredingen het geval is), gaat het verweer van de raadsman niet op.

Door de verdediging is aangevoerd dat de tenlastegelegde feitelijke gedragingen geen concrete, voor poging vereiste, uitvoeringshandelingen behelzen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van een begin van uitvoering. Dat is het geval als de vastgestelde handeling de strekking heeft tot voltooiing van het delict te leiden. Gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf als zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Twee mannen die het jihadistische gedachtengoed aanhangen hebben vliegtickets naar Turkije gekocht en zijn ook naar Turkije gevlogen. Daar aangekomen zijn zij direct per taxi doorgereisd naar het grensgebied met Syrië. Voorafgaande aan hun reis en tijdens hun verblijf in Turkije is er contact geweest met iemand die zich in het strijdgebied in Syrië bevindt en die daadwerkelijk deelneemt aan de gewelddadige strijd aldaar, aan de zijde van IS. De twee mannen zijn zonder hun familie of vrienden hierover in te lichten richting de Turks-Syrische grens gereisd. Zij hebben geen directe route naar Kilis genomen, maar gebruik gemaakt van de methode van een ‘broken travel’. Eén van de mannen, die al eens naar Syrië is uitgereisd en die zich toen profileerde (en nu nog steeds profileert) als ‘ [naam 2] ’ – de strijder met de rode tulband die bereid is tot de dood te vechten – heeft zich tijdens deze reis van de identiteit van zijn broer bediend. De rechtbank houdt het ervoor dat het gebruik van deze valse identiteit is ingegeven uit angst op eigen naam tegengehouden te worden, vanwege de eerdere uitreis. In de buurt van de grens met Syrië zijn de mannen aangehouden. Het doel van hun reis was, zoals eerder is geconcludeerd, bij gebreke van enige andere geloofwaardige verklaring daarvoor, uit te reizen naar Syrië. Met het slagen van het uitreizen naar Syrië zou gegeven zijn dat zij zich zouden (hebben moeten) aansluiten bij een jihadistische strijdgroep en die direct of indirect hebben ondersteund, zoals uit de eerder besproken rapporten blijkt. Daarmee zouden zij hoe dan ook deelnemen aan een criminele terroristische organisatie. Op het moment dat zij werden aangehouden, waren zij hun reisdoel (Syrië) al dicht genaderd. De hiervoor beschreven gedragingen, in onderling verband bezien, in het bijzonder ook het aanschaffen en in het bezit zijn van reisbescheiden naar Turkije, het daadwerkelijk reizen naar Turkije en het doorreizen naar de grens met Syrië, zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, te weten deelneming aan een terroristische organisatie. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van een poging tot deelneming aan een terroristische organisatie.

2.4.2.

Medeplegen

Uit eerder aangehaalde bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. [verdachte] en [medeverdachte] zijn op 11 september 2015 samen vertrokken vanuit een flat in [woonplaats] . Ze zijn samen naar Düsseldorf gegaan, hebben daar een ticket gekocht en zijn via Weeze naar Antalya gereisd. Vanuit Antalya zijn ze samen in een taxi naar Gaziantep en daarna naar Kilis gereisd. Op het moment van aanhouding zaten [medeverdachte] en [verdachte] samen in een bus of een busje.

[verdachte] heeft ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee verder verklaard dat hij [medeverdachte] niet kende. Die verklaring is ongeloofwaardig, gelet op het voorgaande en op de verklaring van [medeverdachte] dat ze elkaar wel kenden en samen deze reis hebben gemaakt.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] en [verdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging deel te nemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

2.4.3

Periode

Tenlastegelegd is onder 1: medeplegen van poging tot deelnemen aan een terroristische organisatie, en onder 2A samenspanning tot het plegen van terroristische misdrijven en onder 2B medeplegen van het voorbereiden van terroristische misdrijven. Alle verwijten worden op dezelfde wijze feitelijk ingekleed door exacte dezelfde concrete gedragingen die aan verdachten worden verweten. De officier van justitie heeft bij de feiten 2A en 2B de pleegperiode van 1 januari 2015 tot en met 17 september 2015 gehanteerd, terwijl bij feit 1 de pleegperiode merkwaardigerwijs is beperkt tot 11 september 2015 tot en met 17 september 2015.

Een groot aantal van de concrete gedragingen die de rechtbank hiervoor heeft besproken en feitelijk ‘bewezen’ acht, heeft buiten deze laatstgenoemde (beperkte) periode van feit 1 plaatsgevonden. Dat betekent dat de rechtbank niet bewezen kan achten dat deze handelingen binnen de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden.

Het voorgaande neemt niet weg dat de rechtbank deze niet formeel bewezenverklaarde, maar feitelijk wel vaststaande gedragingen wel heeft meegewogen bij de duiding van de formeel bewezenverklaarde gedragingen in het kader van de vraag of [medeverdachte] en [verdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan een poging tot deelnemen aan een terroristische organisatie.

2.5.

Samenspanning, voorbereiding, bevorderen (feit 2)

De vraag die de rechtbank tot slot dient te beantwoorden is, of – nu [medeverdachte] en [verdachte] hebben geprobeerd naar Syrië te reizen om zich aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep – tevens sprake is van samenspanning en/of en voorbereiding/bevorderen van moord, doodslag of brandstichting met een terroristisch oogmerk, strafbaar gesteld in art. 96 Sr.

Artikel 96 Sr heeft een ruimere reikwijdte dan art. 46 Sr (voorbereiding) en art. 80 Sr (samenspanning). De wetgever heeft met de strafbaarstelling van art. 96 Sr beoogd in uitzonderlijke situaties, namelijk bij de dreiging van een concrete aanslag, zeer vroeg in te kunnen grijpen. Hierdoor vallen feitelijke gedragingen sneller onder het bereik van dit artikel dan onder het bereik van art. 46 en art. 80 Sr.

Samenspanning

Samenspanning bestaat zodra twee of meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen. Er dient een overeenkomst tot stand te komen en in die zin definitief moet zijn (onderhandelingen over een overeenkomst impliceren nog geen overeenkomst), dat zij ernstig gemeend moet zijn (niet gemeende voornemens volstaan niet) en, in samenhang daarmee, dat het voorgenomen misdrijf voldoende vorm moet hebben gekregen en in die zin concreet dient te zijn. Enkel de overeenkomst is voldoende, niet is vereist dat sprake is van een begin van uitvoering van het misdrijf waartoe is samengespannen.

Voorbereiding en/of bevordering

Van voorbereiding en/of bevordering in de zin van art. 96 lid 2 Sr is onder meer sprake indien iemand zichzelf of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een misdrijf tracht te verschaffen.

Concreetheid misdrijf

Het misdrijf waartoe wordt samengespannen, voorbereid of bevorderd moet in zoverre vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de samenspanning, voorbereiding en bevordering in art. 96 Sr strafbaar is. Niet is vereist dat de tijd, plaats en de wijze van uitvoering enigszins concreet vaststaat. Voldoende is dat vaststaat dat het – kort gezegd – een terroristisch misdrijf betreft.

Terroristisch oogmerk

De rechter dient tevens vast te stellen dat bij deze verdachte een terroristisch oogmerk aanwezig was. Een terroristisch oogmerk is niet hetzelfde als een ideologisch of religieus motief of ‘einddoel’. Het gaat om de vraag welk effect men met een concrete gedraging wil bereiken (bijvoorbeeld angst aanjagen of een overheid dwingen) en niet waarom men dat wil doen (bijvoorbeeld een onafhankelijke staat stichten). Een ideologisch motief speelt echter wel een zekere rol in het bewijzen van een terroristische oogmerk.

Beoordeling

Kort gezegd dient bewezen te worden dat sprake is van een overeenkomst tot het plegen van, voorbereiding en/of bevordering van een misdrijf als bedoeld in art. 96 Sr waarbij bij [medeverdachte] en [verdachte] zelf een terroristisch oogmerk hadden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat tussen [medeverdachte] en [verdachte] een overeenkomst bestond tot het plegen van terroristische misdrijven. Weliswaar zijn [medeverdachte] en [verdachte] samen richting Syrië gereisd om zich aldaar aan te sluiten bij een jihadistische organisatie, maar hieruit blijkt niet dat sprake is van een dergelijke overeenkomst.

Evenmin acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij terroristische misdrijven hebben voorbereid en/of bevorderd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] en [verdachte] zelf, met elkaar of met anderen in de organisatie de misdrijven moord, doodslag en/of brandstichting met een terroristisch oogmerk wilden plegen. De enkele wil (en poging) naar Syrië te reizen om zich daar aan te sluiten bij een jihadistische organisatie die dergelijke misdrijven pleegt is daarvoor onvoldoende.

Op dit punt komt tot uitdrukking het verschil tussen het samenspannen tot en het voorbereiden van een terroristisch misdrijf enerzijds en het deelnemen aan een terroristische organisatie anderzijds, hetgeen verklaart waarom de rechtbank komt een bewezenverklaring van feit 1 en een vrijspraak van de feiten 2A en 2B. Voor (een poging tot) deelnemen aan een terroristische organisatie is vereist, maar dan ook voldoende dat men zich aansluit of poogt zich aan te sluiten bij een organisatie die het plegen van terroristische misdrijven als oogmerk heeft, met welk oogmerk de dader bekend moet zijn. Dat oogmerk hoeft de dader zelf niet te hebben; hij kan ook anderszins handelingen verrichten die deze organisatie tot voordeel strekken en die bijdragen aan realisering van dat oogmerk. Bij het samenspannen tot en voorbereiden van dergelijke misdrijven, moet het opzet op het plegen van een dergelijk (tot op zekere hoogte geconcretiseerd tot vallend binnen de werkingssfeer van art. 96 Sr) misdrijf wel aanwezig zijn.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 september 2015 tot en met 17 september 2015 te Arnhem , in elk geval in Nederland, en/of in Turkije,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, deel te nemen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft, (telkens) (te) begaan met terroristisch oogmerk, en/of

- moord en/of doodslag, (telkens) (te) begaan met terroristisch oogmerk

immers heeft/hebben/is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al-Nusra (JaN) en/of Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) dan wel Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, bestudeerd en/of zich eigen gemaakt en/of verheerlijkt en/of uitgedragen, en/of

B. (daartoe) Arabische lessen gevolgd, en/of

C. een of meerdere (documenten en/of afbeeldingen) gegevens-/informatiedragers voorhanden gehad en/of op internet informatie verkregen betreffende het (gewelddadig extremistisch) Jihadistisch gedachtegoed en/of het bij die strijd bereiken van het martelaarschap, en/of aanwijzingen om zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd, en/of

D. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar Syrië teneinde zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd, en/of

E. (daartoe) (via chatberichten/sociale media/internet) contact gelegd/gehad en/of onderhouden met een of meer voormalig actieve en/of in het strijdgebied (in Syrië) actieve strijder(s) van IS/ISIS/ISIL en/of JaN, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, en/of

F. (via chatberichten/sociale media/internet) inlichtingen ingewonnen en/of informatie verkregen en/of afspraken gemaakt over een te volgen reisroute naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of het leggen van contact en/of het verkrijgen van toegang tot strijdgebied en/of hoe aan te sluiten bij IS/ISIS/ISIL en/of JaN, althans (een) aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, en/of

G. (daartoe) geld gespaard/ingezameld/verkregen en/of voorhanden gehad, en/of

H. een (nieuw) telefoonnummer aangenomen en/of een laptop aangeschaft, en/of

I. een (of meer) ticket(s) en/of reisbescheiden aangeschaft en/of voorhanden gehad, en/of

J. een andere identiteit aangenomen en/of de identiteitskaart/het legitimatiebewijs van een ander als het zijne gebruikt, en/of

K. naar Turkije gereisd en/of (vervolgens) doorgereisd naar/richting het Turks/Syrische grensgebied,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Het medeplegen van poging tot deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de straf zoals geëist door de officier van justitie, te hoog is. Verdachte heeft geen wapens of materialen voorhanden gehad waarmee hij geweld zou kunnen uitoefenen. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte een grotere rol heeft gehad dan de medeverdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 12 mei 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 28 april 2016;

- een triple onderzoek Pro Justitia van drs. [psycholoog] , psycholoog, dr. [psychiater] , psychiater en [forensisch milieuonderzoeker] , forensisch milieuonderzoeker, gedateerd 8 maart 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder nog het volgende.

Verdachte en zijn medeverdachte zijn richting Syrië gereisd met het doel zich aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep. Zover is het echter niet gekomen want ze zijn bij de Turks-Syrische grens aangehouden. Aldus heeft verdachte nog niet daadwerkelijk heeft deelgenomen aan gewapende strijd in Syrië en dus nog geen geweld met verlies van mensenlevens tot gevolg heeft gepleegd. Desalniettemin is ook (een poging tot) deelnemen aan een terroristische organisatie bepaald een ernstig strafbaar feit te noemen

Jihadistische strijdgroepen hebben tot doel het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van de andersdenkenden op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen wordt, om hun doel te bereiken, dagelijks dood en verderf gezaaid. Het geweld dat deze groepen gebruiken, heeft mede de uitdrukkelijke bedoeling grote delen van de lokale en de wereldbevolking ernstige vrees aan te jagen. Meer en meer doen de gevolgen hiervan zich gelden buiten het oorspronkelijke strijdgebied. Regelmatig wordt door deze terroristische organisatie opgeroepen ook in andere landen geweld te gebruiken tegen onschuldige burgers. Terrorisme wordt internationaal gezien als één van de ernstigste misdrijven.

Als verdachte en zijn medeverdachte niet door de Turkse autoriteiten waren tegen gehouden, dan hadden zij zich bij een jihadistische strijdgroep aangesloten en zich op den duur ook schuldig gemaakt aan terrorisme, of op zijn minst de ondersteuning daarvan. In 2013 heeft verdachte ook al aangegeven tegen de regering te willen vechten en is toen daadwerkelijk naar Syrië gereisd, waar hij een aantal maanden is gebleven.

Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit is geen andere straf passend dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie en meer dan officier van justitie rekening houdt met het feit dat door verdachte zelf (nog) geen gebruik is gemaakt van geweld, zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan is geëist. Een nóg lagere straf, zoals door de verdediging bepleit, doet echter geen recht aan de ernst van het feit.

De rechtbank zal aan verdachte een hogere gevangenisstraf opleggen dan aan [medeverdachte] , omdat verdachte - anders dan de medeverdachte - reeds eerder naar Syrië is gereisd en zich toen bij Jahbat al Nusra had aangesloten. Verdachte wist dus als geen ander wat hem daar te wachten stond en waar hij mee bezig was. Hij is bovendien de oudere van de twee en de rechtbank merkt hem dan ook aan als de initiator van deze actie.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45, 47, 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht .

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren

beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. C.M.E. Lagarde, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch en mr. M.G.A. Luijckx, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2016.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district [woonplaats] -Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer 1] (onderzoek TABERNAS), gesloten op 28 januari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Een rapport van [E] , [G en H] , ‘Bestemming Syrië’, p. 3313-3426.

Een rapport van de AIVD ‘Leven bij ISIS, de mythe ontrafeld’, januari 2016, vierde en vijfde pagina.

Kennisdocument van [naam 6] ‘De weg naar het strijdgebied in Syrië’, p. 3960-3963.

Proces-verbaal van bevindingen (AH064), p. 665.

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris van 3 mei 2016, zevende pagina.

Kennisdocument van [naam 6] ‘De weg naar het strijdgebied in Syrië’, p. 3963-3964.

Een rapport van [E] , [G en H] , ‘Bestemming Syrië’, p. 3313-3426.

Een rapport van [E] , [G en H] , ‘Bestemming Syrië’, p. 3313-3426.

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris van 3 mei 2016, zevende pagina.

Een rapport van [E] , [G en H] , ‘Bestemming Syrië’, p. 3313-3426.

Een rapport van [E] , [G en H] , ‘Bestemming Syrië’, p. 3313-3426.

Ambtsbericht van de AIVD d.d. 14 oktober 2015, p. 888.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 1029 en fotokopie van het paspoort als bijlage, p. 1033.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 366.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 632.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 576 en 577.

Ambtsbericht van de AIVD d.d. 14 oktober 2015, p. 888, en fotokopie van een screenshot van Facebook, als bijlage gevoegd bij dat ambtsbericht, p. 890.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 1135-1137.

Proces-verbaal van verdenking inzake onderzoek [onderzoek] , p. 1155-1158.

Bevindingen onderzoek beslag [naam 9] , p. 851-853; proces-verbaal van bevindingen, p. 1153.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 609.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 578-580.

Proces-verbaal van verhoor getuige [moeder 1] , p. 3251-3251.

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 3 mei 2016, vijfde en zesde pagina.

Processen-verbaal van verhoor van [varbalisanten] bij de rechter-commissaris d.d. 30 maart 2016, tweede en derde pagina.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 879-881 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1120-1132.

Proces-verbaal onderzoek aan gegevensdrager(s), p. 1037-1039.

Proces-verbaal van verhoor getuige [broer] , p. 3264.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 895-896; proces-verbaal onderzoek aan gegevensdrager(s), p. 1037-1038.

Proces-verbaal van bevindingen, p.580.

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris op 3 mei 2016, zevende pagina; proces-verbaal van bevindingen, p. 614; proces-verbaal van bevindingen, p. 618 en proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] , p. 3247.

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris op 3 mei 2016, zevende pagina.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 676 en 677, en bijlagen p. 680 en 687.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 664 en 665.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 630.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 607.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 672 (en e-mailbericht als bijlage, p. 673).

Proces-verbaal van bevindingen, p. 676 en 677, en bijlagen p. 685, 686, 687 en 690.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 373 en 374.

Proces-verbaal van bevindingen onderzoek beslag [naam 9] , p. 856.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 334.

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris op 3 mei 2016, vijfde pagina.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 333.

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris op 3 mei 2016, zevende pagina.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 576 en 577.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 640 en 641 en proces-verbaal van bevindingen, p. 814 en 815.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 333.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 334.

Proces-verbaal van bevindingen. 580.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 603.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [broer] bij de rechter-commissaris van 30 maart 2016, zesde pagina.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] (inzake onderzoek [onderzoek] ) , p. 1160.

Proces-verbaal van verdenking inzake onderzoek [onderzoek] , p. 1157.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 1049.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 836, 840.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 804-805.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 3243.

Kopie van een brief, p. 3245.

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris op 3 mei 2016, vijfde, zesde en zevende pagina.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature