Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Nederlanderschap

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 12-129

Zaaknummer: C/09/414785

Datum beschikking: 18 april 2017

Beschikking op het op 6 maart 2012 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,

procederend in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de drie hierna te noemen minderjarige kinderen,

ten tijde van indiening van het verzoekschrift wonende te [woonplaats] ,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

advocaat eerst mr. Barron Akim te ’s-Gravenhage,

vervolgens mr. B. Adonai-Ohachu te ’s-Gravenhage,

thans mr. K.J. Kerdel te ’s-Gravenhage,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. J.E.A. Pesch.

Procedure

De rechtbank heeft allereerst kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 22 maart 2012, met bijlagen, van de zijde van verzoeker;

- de brief d.d. 18 april 2012 en 31 juli 2012 van de zijde van de IND;

- de brief d.d. 28 juni 2012, met bijlagen, en 28 december 2012 van de zijde van verzoeker;

- de brief d.d 20 februari 2013, met bijlagen, van de zijde van verzoeker;

- de brief d.d. 11 juli 2013 van de zijde van verzoeker;

- de brief d.d. 1 november 2013, van de zijde van verzoeker;

- de brief d.d. 16 januari 2014, met bijlage, van de zijde van de IND;

- de brieven van 1 april 2016, 31 mei 2016 en 23 juni 2016 van de zijde van

verzoeker.

Op 12 juli 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Verschenen zijn: verzoeker met mr. A. Klomp-Kraal namens zijn advocaat en vergezeld van M.L. von den Assen-van Zonneveld, tolk in de Engelse taal, en L. Belhaj, werkzaam bij de Kessler Stichting, en namens de IND mr. J.E.A. Pesch.

De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

Op deze terechtzitting is gelijktijdig behandeld het verzoek van verzoeker inzake de ontkenning vaderschap en gerechtelijke vaststelling vaderschap. Bij beschikking van 12 juli 2016 is gegrond verklaard het verzoek strekkende tot ontkenning van het vaderschap van [naam] over na te melden minderjarigen en is het vaderschap van verzoeker over hen vastgesteld onder de voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning onherroepelijk is geworden.

De rechtbank heeft ter terechtzitting, vastgelegd in een proces-verbaal, bepaald dat verzoeker in de hier aan de orde zijnde procedure nog stukken dient over te leggen, in het bijzonder:

een door de USCIS (US Citizenship and Immigration Services) afgegeven verklaring 'certificate of non-existence of a record' dan wel de schriftelijke stukken waaruit kan volgen dat het voor verzoeker niet mogelijk is een dergelijke verklaring te verkrijgen;

stukken waaruit blijkt dat verzoeker voorafgaand aan zijn vestiging in Nederland uit de Verenigde Staten is uitgezet wegens illegaal verblijf aldaar;

een schriftelijk stuk waaruit blijkt op welke datum de moeder van verzoeker is genaturaliseerd tot Amerikaans staatsburger,

op welke stukken door de IND nog mag worden gereageerd, waarna zal worden beslist of de zaak op stukken kan worden afgedaan of dat een nadere mondelinge behandeling wordt bepaald.

Vervolgens heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende stukken:

- een brief d.d. 28 oktober 2016, met bijlagen, van de zijde van verzoeker;

- een brief d.d. 22 november 2016, met bijlage, van de zijde van de IND;

- een brief d.d. 20 december 2016 van de zijde van verzoeker;

- een brief d.d. 24 januari 2017, met bijlage, van de zijde van verzoeker;

- een faxbericht d.d. 1 maart 2017 van de zijde van verzoeker.

Verzoek, verweer en het standpunt van de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank vaststelt dat de drie hierna te noemen minderjarige kinderen van verzoeker de Nederlandse nationaliteit bezitten dan wel dat zij van rechtswege de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, zulks met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De IND voert gemotiveerd verweer, welk verweer hierna nader zal worden beschreven.

De officier van justitie heeft meegedeeld zich aan te sluiten bij het advies van de IND en geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling van de zaak ter zitting.

Feiten

- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] te [eiland] , Nederlandse Antillen.

- Verzoeker is op [huwelijksdatum] op [eiland] gehuwd met [echtgenote] (hierna: [echtgenote] .

[echtgenote] was ten tijde van dit huwelijk reeds (vanaf 6 december 1996) gehuwd met [naam] . Dit huwelijk is voltrokken te [huwelijksplaats] , Verenigde Staten en ontbonden bij beschikking van 14 juli 2014 van het 'Circuit Court' van het elfde district in [plaatsnaam] [huwelijksplaats] , Verenigde Staten.

Staande beide huwelijken zijn uit [echtgenote] te [plaatsnaam] , [huwelijksplaats] , Verenigde

Staten van Amerika, drie kinderen geboren:

- [minderjarige] op [geboortedatum] ,

- [minderjarige] op [geboortedatum] ,

- [minderjarige] , op [geboortedatum] , hierna te noemen de minderjarigen

- Bij beschikking van 18 januari 2016 van deze rechtbank is de man (onder meer) niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek de echtscheiding tussen hem en [echtgenote] uit te spreken nu dat huwelijk niet kon worden erkend. Voorts

is voor recht verklaard dat de man het gezag uitoefent over de minderjarigen en dat [echtgenote] is geschorst in het gezag over de minderjarigen.

Bij beschikking van 12 juli 2016 van deze rechtbank is de ontkenning van het vaderschap van [naam] als vader van de minderjarigen gegrond verklaard, tevens is het vaderschap van verzoeker als vader van de minderjarigen vastgesteld, waarbij tevens is bepaald dat de minderjarigen de geslachtsnaam van verzoeker houden. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

Volgens de basisregistratie personen zijn de minderjarigen Amerikaans burger.

- De minderjarigen verbleven sinds 4 april 2012 bij de man in Nederland; in de

basisregistratie personen staat thans vermeld dat de minderjarigen op 9 november

2016 zijn geëmigreerd naar een onbekend adres in het buitenland.

- Volgens de basisregistratie personen heeft de man vanaf 26 september 2016 alleen een briefadres in Nederland ( [adres] ). Er is geen woonadres van hem in de basisregistratie opgenomen.

Beoordeling

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) is Nederlander het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is.

Op grond van artikel 4 lid 1 RWN wordt Nederlander het kind van een persoon van wie het ouderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de ouder op dat moment Nederlander is. In geval van een Nederlandse uitspraak verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep.

Nu bij onherroepelijk geworden beschikking van deze rechtbank d.d. 12 juli 2016 het vaderschap van verzoeker van de minderjarigen is vastgesteld, staat in rechte vast dat verzoeker de vader van de minderjarigen is, zodat de minderjarigen het Nederlanderschap zouden kunnen ontlenen aan verzoeker. Vast staat dat zij nog minderjarig waren op de dag dat de uitspraak tot vaststelling van het vaderschap is gedaan. Om te kunnen vaststellen of de minderjarigen de Nederlandse nationaliteit aan hun vader ontleend hebben, dient onderzocht te worden of verzoeker op de dag van de uitspraak de Nederlandse nationaliteit had.

Verzoeker is volgens informatie van Burgerzaken te [eiland] geboren op [geboortedatum] te [eiland] . Het staat voldoende vast dat hij toen op grond van artikel 1 sub c van de destijds geldende Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap het Nederlanderschap door geboorte heeft ontleend aan zijn Nederlandse moeder.

Verzoeker stelt dat hij nooit de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In het bijzonder is hij, hoewel hij geruime tijd in de Verenigde Staten heeft verbleven, nooit Amerikaans burger geworden. Hij stelt dat hij illegaal in de Verenigde Staten verbleef en om die reden aldaar is uitgezet. Dat hij de Nederlandse nationaliteit tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten niet heeft verloren, zou ook kunnen worden afgeleid uit het feit dat aan hem op 23 juli 2010, na aankomst in Maastricht, nog een Nederlands paspoort is verstrekt (overgelegd is een kopie van dat paspoort, nummer [nummer] , geldig van 23 juli 2010 tot 23 juli 2015, afgegeven door de burgemeester van Maastricht). Namens hem is aangevoerd dat, nu hij sinds 2010 niet meer buiten Nederland of in de Verenigde Staten heeft gewoond, van hem niet verwacht mag worden dat hij aantoont dat hij geen Amerikaans burger is.

De IND stelt zich op het standpunt dat het verzoek niet kan worden toegewezen omdat niet vast staat dat verzoeker ten tijde van de vaststelling van het vaderschap Nederlander was. Verzoeker heeft immers geruime tijd in de Verenigde Staten gewoond en hij heeft geen verklaring van de Amerikaanse autoriteiten (de USCIS) overgelegd waaruit blijkt dat hij niet door naturalisatie Amerikaans burger is geworden (al dan niet als minderjarige door medenaturalisatie met zijn, eveneens in de Verenigde Staten wonende, moeder). De IND heeft op het volgende gewezen:

- de Verenigde Staten kennen strenge privacy-regels waardoor verzoeker zelf inspanning had moeten doen om de gevraagde stukken betrekking hebbend op zijn persoon op te vragen. Deze stukken worden doorgaans door de Amerikaanse autoriteiten niet aan derden, dus ook niet aan zijn advocaat, verstrekt. Ter onderbouwing hiervan heeft de IND een uitspraak d.d. 21 december 2011 van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2011:BU9433, overgelegd. Dat verzoeker nalaat om zelf de benodigde stukken te verkrijgen dient voor zijn rekening en risico te komen;

- in het departementaal dossier zijn geen stukken aangetroffen over de uitzetting van

verzoeker uit de Verenigde Staten van Amerika.

De rechtbank is van oordeel dat het wel degelijk op de weg van verzoeker ligt om informatie aan te leveren omtrent een mogelijke naturalisatie in de Verenigde Staten. Het argument dat verzoeker in 2010 nog een Nederlands paspoort heeft verkregen en dat voorafgaand aan de verstrekking van dat paspoort wel onderzoek zal zijn gedaan naar de nationaliteit van verzoeker is onvoldoende, aangezien niet vaststaat dat een dergelijk onderzoek op dat moment heeft plaatsgevonden. Het is weliswaar niet uitgesloten dat verzoeker ten tijde van uitspraak tot vaststelling van het vaderschap van de minderjarigen Nederlander was, maar er bestaat bepaald onzekerheid of verzoeker de Amerikaanse nationaliteit heeft verkregen, waardoor hij het Nederlanderschap zou zijn kwijtgeraakt. Vast staat immers dat verzoeker een groot deel van zijn leven in de Verenigde Staten heeft gewoond. Voorts is verzoeker de enige die over een naturalisatie in de Verenigde Staten stukken zou kunnen aanleveren. De Staat kan deze stukken niet verkrijgen. Verzoeker is dan ook door de rechtbank in de gelegenheid gesteld de door de rechtbank verlangde stukken over te leggen om aldus aan te tonen dat hij niet tot Amerikaans burger is genaturaliseerd en als gevolg daarvan niet het Nederlanderschap is kwijtgeraakt.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker deze stukken niet heeft overgelegd. Ook is onvoldoende gebleken dat een verklaring daaromtrent van de Amerikaanse autoriteit niet had kunnen worden verkregen als verzoeker zelf de aanvraag daartoe had gedaan. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker zich voor de verkrijging daarvan onvoldoende heeft ingespannen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verzoeker ten tijde van de vaststelling van het vaderschap Nederlander was. Het verzoek wordt dus afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, J.M. Vink en O.F. Bouwman, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

18 april 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature