Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verkeersongeval.

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797150-16

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 7 februari 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. van Schoonderwoerd den Bezemer-Wolters en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.H. Pelle, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de Bovenberg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, immers was de breedte van de weg niet voldoende voor voertuigen om elkaar op een veilige manier te passeren en/of (vervolgens)

- was bezig met het bedienen van zijn mobiele telefoon, althans heeft die mobiele telefoon vastgehouden en/of (vervolgens)

- terwijl hij had waargenomen dat een fietser vanuit tegengestelde richting naderde, niet zijn motorrijtuig op de langs die weg aanwezige passeerstrook heeft stil gezet/geparkeerd en/of (vervolgens)

- heeft gereden met een gelet op de verkeersveiligheid ter plaatse te hoge snelheid en/of (vervolgens)

- bij het passeren van die fietser geen, althans onvoldoende snelheid heeft geminderd en/of (vervolgens)

- niet voldoende rechts heeft gehouden waardoor die fietser tegen zijn bestelbus is gebotst en (vervolgens) in aanraking is gekomen met de aanhanger tengevolge waarvan die fietser ten val is gekomen,

waardoor een ander te weten die fietser (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto (bestel-) met middenasaanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, de Bovenberg, als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, immers was de breedte van de weg niet voldoende voor voertuigen om elkaar op een veilige manier te passeren en/of (vervolgens)

- was bezig met het bedienen van zijn mobiele telefoon, althans heeft die mobiele telefoon vastgehouden en/of (vervolgens)

- terwijl hij had waargenomen dat een fietser vanuit tegengestelde richting naderde, niet zijn motorrijtuig op de langs die weg aanwezige passeerstrook heeft stil gezet/geparkeerd en/of (vervolgens)

- heeft gereden met een gelet op de verkeersveiligheid ter plaatse te hoge snelheid en/of (vervolgens)

- bij het passeren van die fietser geen, althans onvoldoende snelheid heeft geminderd en/of (vervolgens)

- niet voldoende rechts heeft gehouden waardoor die fietser tegen zijn bestelbus is gebotst en (vervolgens) in aanraking is gekomen met de aanhanger tengevolge waarvan die fietser ten val is gekomen,

waardoor een ander te weten die fietser (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

3 Inleiding, samenvatting van de zaak

In deze zaak gaat het om de tragische gebeurtenis die heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2015 op de Bovenberg te Bergambacht. Op die weg, die bestaat uit één rijstrook, vond op die datum omstreeks 17.00 uur een verkeersongeval plaats waarbij een bedrijfsauto met een aangekoppelde aanhangwagen die werd bestuurd door verdachte en een fietsster, de 82-jarige [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) betrokken waren. Bij het elkaar passeren is de fiets van het slachtoffer in aanraking gekomen met de bedrijfsauto en/of de aanhangwagen en is het slachtoffer onder de aanhangwagen terecht gekomen. Het slachtoffer is ter plaatse aan de door haar opgelopen verwondingen overleden.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte hierbij roekeloos of als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld.

Subsidiair is aan de orde de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 .

4 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Volgens de officier van justitie heeft verdachte aanmerkelijke schuld aan het ongeval. Hij had moeten stoppen en het slachtoffer de ruimte moeten geven om hem te passeren. Het gaat immers om een kwetsbare verkeersdeelnemer. Daarnaast reed verdachte te hard voor de verkeerssituatie ter plaatse terwijl hij, gelet op de breedte van de aanhangwagen, extra voorzichtig had moeten zijn.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet roekeloos, aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gehandeld. Verdachte heeft, zoals hij heeft verklaard, gezien dat het slachtoffer snelheid minderde en een aan haar zijde gelegen inrit instuurde. . Aangezien ter hoogte van de inrit voldoende uitwijkmogelijkheid was voor het slachtoffer, is verdachte voorbij de aan zijn kant gelegen ‘passeerplaats’ gereden en is hij doorgereden. Daarbij heeft hij zijn snelheid verminderd tot ongeveer 20 a 25 km/u. Omdat niet kan worden vastgesteld waar precies de fiets in aanraking is gekomen met de bedrijfsauto en/of de aanhangwagen, kan er naar de toedracht van het ongeval enkel worden gegist.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank acht op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in strafrechtelijke zin enig verwijt kan worden gemaakt, zodat verdachte van al hetgeen hem is tenlastegelegd dient te worden vrijgesproken. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Voorop wordt gesteld dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden gekeken naar het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en naar overige omstandigheden van het geval. De ernst van de gevolgen – hoe zwaar ook – weegt hierbij niet mee.

Zoals de officier van justitie terecht stelt, mocht van verdachte verwacht worden dat hij in de gegeven situatie extra oplettend en voorzichtig was. Verdachte reed immers als bestuurder van een bedrijfsauto met daarachter een bredere aangekoppelde aanhanger over een smalle weg en hij had te maken met een tegemoet komende fietser. Op basis van het dossier kan echter niet geoordeeld worden dat verdachte te kort is geschoten.

De rechtbank zal, evenals de officier van justitie, het in de tenlastelegging opgenomen gebruik van de mobiele telefoon bij de beoordeling buiten beschouwing laten. Vastgesteld is immers dat verdachte gebruik maakte van een (handsfree) bluetooth-verbinding.

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen wat er is gebeurd in de luttele seconden voordat de fiets van het slachtoffer in aanraking kwam met de auto/aanhanger van verdachte. Bij het technische onderzoek ter plaatse is niet vastgesteld wat de snelheid van het voertuig waarin verdachte reed was op het moment van de aanrijding. Er zijn ook geen andere aanwijzingen dat verdachte voorafgaand aan het passeren geen dan wel onvoldoende snelheid heeft geminderd of dat zijn snelheid toen hoger lag dan de door verdachte verklaarde 20 à 25 km/u. Wel kan worden vastgesteld dat verdachte rekening heeft gehouden met de breedte van de aangekoppelde aanhangwagen, want hij heeft bij het passeren zo veel mogelijk rechts gehouden. Verder staat vast dat het slachtoffer en de aanhangwagen elkaar gelet op de beschikbare rijbaanbreedte niet op een veilige wijze vanuit tegengestelde richting konden passeren. Ter hoogte van de plaats van de aanrijding bevond zich echter een in-/uitrit en daarmee een plaatselijke rijbaanverbreding. Op die plaats was voor het slachtoffer wel voldoende ruimte beschikbaar om de bedrijfsauto met aangekoppelde aanhanger te laten passeren. Of het slachtoffer ter hoogte van die in/uitrit daadwerkelijk is uitgeweken, heeft de rechtbank op basis van het beschikbare dossier niet kunnen vaststellen of uitsluiten.

Verdachte heeft verklaard dat hij is doorgereden omdat hij zag dat het slachtoffer snelheid minderde en de in/uitrit instuurde. Daarom ging hij er van uit dat het slachtoffer voor hem zou uitwijken en dat hij haar veilig kon passeren. Daarmee heeft hij de situatie mogelijk verkeerd ingeschat. Dit is echter onvoldoende om, gelet ook op hetgeen hiervoor is overwogen, te kunnen oordelen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend is geweest. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig onvoorzichtig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd of kon worden veroorzaakt. Daarom dient vrijspraak te volgen van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde.

5 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. E.A.G.M. van Rens, rechter,

mr. M.J.J. Visser, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature