Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Doodslag

Uitspraak



Rechtbank den haag

team jeugd/Bopz

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/758005-12

Datum uitspraak: 25 april 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

en wonende te [adres], in het kader van de preventieve hechtenis.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 2 augustus 2012,

25 oktober 2012, 17 januari 2013 en 11 april 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. A.B. Baumgarten, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 april 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (krachtig) (van de trap) geduwd en/of gegooid en/of (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, geschoeide voet tegen het hoofd en/of het lichaam geschopt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 april 2012 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (een schedelbreuk en/of een bloeduitstorting onder de hersenvliezen en/of een zwelling van de hersenen en/of inklemming van de hersenen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg (krachtig) (van de trap) te duwen en/of te gooien en/of (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, geschoeide voet tegen het hoofd en/of lichaam te schoppen, terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 april 2012 te 's-Gravenhage, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (krachtig) (van de trap) heeft geduwd en/of heeft gegooid en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, geschoeide voet tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 18 februari 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw, gelegen op of aan [adres B] heeft weggenomen een geldbedrag en/of een videocamera en/of een laptop en/of een printer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [de school], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door een ruit in een deur van dat schoolgebouwin te slaan/gooien, althans te verbreken en/of (vervolgens) een arm door die ingeslagen ruit te stoppen en/of via de aan de binnenzijde van de deur zittende draaiknop die deur te openen en/of in dat schoolgebouw een of meer ruit(en) in te slaan/gooien, althans te verbreken,

welke diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer beveiligingsmedewerker(s), genaamd [Aangever 1] en/of [Aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, immers is hij verdachte en/of zijn mededader(s) met een arm achter de rug en/of een zadel in de hand dreigend naar die [Aangever 1] en/of [Aangever 2] gelopen en/of (vervolgens) heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s) een of meer stoel(en) en/of een zadel en/of een of meer ander(e) goed(eren) naar die [Aangever 1] en/of [Aangever 2] gegooid;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Ten aanzien van feit 1:

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

In de vroege ochtend van 15 april 2012 stapt de verdachte in Den Haag uit de Randstadrail. In zijn hand heeft hij een fles Goldstrike, een alcoholhoudende drank. Terwijl hij over straat loopt wordt de verdachte door de politie aangesproken. De verdachte is duidelijk onder invloed van alcohol. De politie gebiedt de verdachte de fles Goldstrike te legen en de fles weg te gooien. Tegelijk met de verdachte wordt het slachtoffer staande gehouden. Ook hij is onder invloed van alcohol. Nadat de verdachte en het slachtoffer kort door de politie zijn ondervraagd, lopen zij samen verder. Zij besluiten een joint te gaan roken en komen uit in een portiek, gelegen op de Zuidwal te Den Haag. De verdachte en het slachtoffer bevinden zich een tijdlang al pratend en rokend in het portiek. De sfeer tussen de verdachte en het slachtoffer is goed en van ruzie is geen sprake. Na een tijdje zijn de verdachte en het slachtoffer enkele minuten stil. Er wordt niet gesproken. In die minuten gebeurt er iets. De verdachte geeft het slachtoffer na enige tijd een duw en het slachtoffer valt achterover van de smalle betonnen trap en blijft onderaan de trap liggen op een betonnen plateau. Nadat de politie een melding heeft ontvangen van een bezorgde omwonende, wordt het slachtoffer door de politie aangetroffen op het plateau. Hij heeft verwondingen aan het hoofd en onder zijn hoofd is een plas bloed zichtbaar. Het slachtoffer wordt naar het ziekenhuis vervoerd, alwaar hij in de avond van 17 april 2012 aan zijn verwondingen overlijdt.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is welke handelingen de verdachte ten aanzien van het slachtoffer heeft verricht en of de verdachte zich door zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde moord dan wel de doodslag op het slachtoffer. Subsidiair is de zware mishandeling met voorbedachte raad, de dood ten gevolge hebbend aan de orde. Meer subsidiair is de eenvoudige mishandeling met voorbedachte raad, de dood ten gevolge hebbend ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 2:

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

In de avond van 18 februari 2012 wordt ingebroken in [de school] te Den Haag. Twee beveiligingsmedewerkers krijgen een melding en begeven zich naar de school. Aldaar treffen zij in een kamer twee mannen aan, die bezig zijn met de inbraak. Als de inbrekers zich betrapt weten, keren zij zich met grof geweld tegen de beveiligingsmedewerkers. Eén van de beveiligingsmedewerkers raakt hierdoor gewond aan zijn duim. Vervolgens zien de beveiligingsmedewerkers hoe de twee inbrekers door een raam van het op drie hoog gelegen lokaal naar buiten springen en wegrennen. De politie verricht vervolgens onderzoek in het schoolgebouw. Op verschillende plekken in het schoolgebouw wordt bloed aangetroffen. Uit onderzoek bij het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat het bloed afkomstig is van de verdachte, wiens DNA-profiel is opgeslagen in de DNA-databank.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte één van de twee personen is, die zich hebben schuldig gemaakt aan de diefstal met braak en geweld in [de school].

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van doodslag, waarvan [slachtoffer] het slachtoffer is geworden.

Voorts verdenkt de officier van justitie de verdachte ervan dat hij met een ander heeft ingebroken in [de school] te Den Haag, waarbij de verdachte en zijn medeverdachte geld en goederen hebben weggenomen en waarbij zij geweld hebben gepleegd tegen twee beveiligingsmedewerkers.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 primair en feit 2 heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1:

Het standpunt van de verdediging komt er (voor zover hier van belang) op neer dat er geen bewijs is dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. Volgens de verdediging is de kans dat iemand komt te overlijden wanneer hij wordt geduwd, achteruit wankelt, zijn evenwicht verliest en van de trap valt niet als aanmerkelijk te beschouwen. Volgens de verdediging heeft de verdachte niet de wil, in welke vorm dan ook, gehad dat het slachtoffer zou overlijden.

Van de zijde van de verdediging is betwist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, nu hiervoor in het dossier geen steun kan worden gevonden.

Voorts is van de zijde van de verdediging betoogd dat er geen bewijs is dat de verdachte het slachtoffer tegen het hoofd heeft geschopt.

De verdachte heeft ten slotte betoogd dat hij het slachtoffer uit zelfverdediging een duw heeft gegeven. De verdachte heeft voorts betoogd dat hij niet meer weet hoe hij van de portiek naar beneden is gelopen en dat hij vanaf dat moment tot het moment dat hij over een bruggetje naar huis rende, geen herinneringen heeft aan wat er is gebeurd.

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van dit aan de verdachte ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde het volgende af.

Op zondagochtend, 15 april 2012, omstreeks 04:21 uur krijgen politiemedewerkers een melding over een mogelijke beroving te ’s-Gravenhage. Zij gaan ter plaatse en treffen een man aan in een portiek. De man blijkt de 34-jarige [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) te zijn. De politie wordt aangesproken door getuige [getuige A], die het slachtoffer aanwijst en vertelt dat er iemand is weggerend over een bruggetje. Het slachtoffer is niet aanspreekbaar, blijkt hevig te bloeden aan de linkerzijde van de bovenkant van zijn hoofd en heeft een grote bult op zijn linkerwenkbrauw. Het slachtoffer snurkt hevig. Kort daarna is de GGD ter plaatse en het slachtoffer, bij wie ook een wond op het achterhoofd zichtbaar is, wordt afgevoerd. De politie ziet dat er een plas bloed ligt in de portiek, precies op de plek waar het slachtoffer met zijn hoofd heeft gelegen. De plaats delict wordt afgezet. In de portiek worden onder andere verse speekselsporen aangetroffen, die worden veiliggesteld. Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut, blijkt dat er een match is tussen het DNA-profiel gevonden in het aangetroffen speeksel en het DNA-profiel van de verdachte, zoals dit geregistreerd is in de DNA-databank. Besloten wordt om de verdachte niet onmiddellijk te arresteren, maar om allereerst over te gaan tot het aftappen van zijn telefoongesprekken. Uit die afgetapte telefoongesprekken blijkt al snel dat de verdachte betrokken is bij het incident waarbij het slachtoffer gewond is geraakt.

In de avond van 17 april 2012 overlijdt het slachtoffer in het ziekenhuis aan de verwondingen die hij op 15 april 2012 had opgelopen. Uit sectie op het lichaam van het slachtoffer blijkt dat de dood van het slachtoffer zonder meer kan worden verklaard door inklemming van de hersenen ten gevolge van doorgemaakt geweld aan het achterhoofd.

Eén van de personen waarmee de verdachte telefonisch contact heeft in de dagen na het incident is [getuige A]. Met haar praat de verdachte over het incident. [getuige A] was als pedagogisch medewerkster werkzaam in Teylingereind in de periode dat de verdachte daar verbleef. De verdachte woont bij haar in de buurt en heeft contact met haar gehouden. Op

18 april 2012 meldt [getuige A] zich bij de politie met de verklaring dat de verdachte betrokken is bij het incident. Tegen de verdachte heeft zij kort daarvoor gezegd dat zij naar de politie zou gaan.

Op 19 april 2012 meldt de verdachte zich op het politiebureau, alwaar hij wordt aangehouden op verdenking van doodslag dan wel zware mishandeling met de dood als gevolg. De verdachte wordt vele malen zeer uitvoerig verhoord. De verklaring van de verdachte komt er op neer dat hij het slachtoffer in de vroege ochtend van 15 april 2012 heeft ontmoet op de Brouwersgracht te Den Haag, nadat zij door de politie wegens alcoholgebruik staande waren gehouden. Volgens de verklaring van de verdachte zijn hij en het slachtoffer vervolgens samen opgelopen naar de portiek aan de Zuidwal, alwaar zij met elkaar hebben gepraat en zij een joint hebben gerookt. De verdachte verklaart en blijft tot op de terechtzitting verklaren dat het slachtoffer op enig moment seksuele avances heeft gemaakt, waarvan de verdachte niet gediend was. De verdachte verklaart dat hij het slachtoffer uit angst heeft geslagen en geduwd en dat het slachtoffer vervolgens van de trap is gevallen. De verdachte verklaart zich niet alles meer te kunnen herinneren omdat hij dronken was of omdat hij het gewoon vergeten is. Voorts legt de verdachte omtrent bepaalde details wisselende verklaringen af. Zo verklaart de verdachte eerst dat het slachtoffer zijn broek naar beneden heeft gedaan, waardoor de verdachte het geslachtsdeel van het slachtoffer kon zien en dat hij toen de broek van het slachtoffer omhoog heeft getrokken. In latere verklaringen verklaart de verdachte juist niet meer te weten of de broek van het slachtoffer naar beneden is geweest, of hij het geslachtsdeel van het slachtoffer heeft gezien en door wie de knoop van de broek van het slachtoffer eventueel is dicht gedaan. De verdachte blijft voorts verklaren dat hij zich niet kan herinneren hoe hij, nadat het slachtoffer naar beneden was gevallen, naar beneden is gelopen langs het slachtoffer. De verdachte verklaart consequent dat hij zich pas weer iets kan herinneren vanaf het moment dat hij over een nabijgelegen bruggetje rent, op weg naar huis.

Nu de verdachte verklaart zich niet alles meer te kunnen herinneren en het slachtoffer het niet kan navertellen, zal vermoedelijk altijd onduidelijk blijven wat er precies is voorgevallen in de portiek en wat de aanleiding voor de verdachte was om het slachtoffer een duw te geven zodat deze van de trap af viel.

De gebeurtenissen in de portiek kunnen op belangrijke punten wel worden gereconstrueerd. Getuige [getuige A], bewoner van een appartement gelegen aan de bewuste portiek, verklaart tegenover de politie dat hij in de vroege ochtend van 15 april 2012 doffe klappen, het geluid van schoppen hoorde. Toen hij naar buiten keek zag hij dat iemand een halve tot een hele meter uit de portiek rende, dat die persoon terug liep, dat hij daarna weer doffe klappen hoorde en dat die persoon daarna weer wegrende. De verdachte heeft, geconfronteerd met deze verklaring, verklaard dat hij niet weet wat er is gebeurd nadat hij van de trap was gelopen.

Aangezien de verdachte op belangrijke punten zwijgt, is het van belang dat de vele gesprekken tussen de verdachte en diverse bekenden in ogenschouw worden genomen.

De verdachte spreekt voorafgaand aan zijn aanhouding met zijn vriendin [persoon A], met de eerdergenoemde [getuige A] en met zijn moeder over het incident. Deze gesprekken worden door de politie getapt. Na de aanhouding van de verdachte wordt door de politie overgegaan tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie (de zogenaamde OVC’s). In dat kader worden gesprekken afgeluisterd tussen de verdachte en zijn moeder (tijdens bezoeken van de moeder in de inrichting waar de verdachte verblijft) en met vriend [persoon B] (tijdens het vervoer in een transportbusje van Justitie). Ook worden na de aanhouding van de verdachte middels telefoontaps gesprekken afgeluisterd tussen de verdachte en zijn moeder, alsmede tussen verschillende andere bekenden van de verdachte. Uit diverse gesprekken blijkt dat de verdachte niet eerlijk is geweest in zijn verklaringen tegenover de politie en dat hij meer weet dan hij wil verklaren. De rechtbank verwijst daarvoor naar enkele getapte telefoongesprekken en OVC’s. Zo zegt de verdachte tijdens een rit in de transportbus van Justitie op 1 juni 2012 tegen vriend [persoon B]: “Ik heb een beetje boela gezegd. Ik heb gezegd dat die man mij wilde verkrachten. (…) Je moet niks zeggen hè. Je moet zeggen: ik weet niet. (…) Maar weet je wat het is, niemand weet wat er is gebeurd. Alleen ik en jij. En mijn moeder. Voor de rest weet niemand. (…) Fuck die Hollander. Whola ik kill hem nog een keer.”

Tijdens een bezoek van zijn moeder in de Hartelborgt op 9 juni 2012 zegt de verdachte: “Als ze de waarheid, als ze echt de waarheid te weten komen, als ze er echt achter komen dan mama… Nee, maar mama, je moet altijd zo denken van, je moet twee opties, ik heb altijd twee opties in mijn hoofd. Ik deed zo in mijn kamer. Of ze pakken mij met de waarheid, maar ik blijf ontkennen, van dat is niet zo. Dan krijg ik misschien 18 jaar TBS.” Het gesprek tussen de verdachte en zijn moeder gaat door:

Moeder: “Juist. Daarom je was stront en strontdronken. Ik zeg luister eens. Hij was zelf ook zo van geschrokken dus. Ik moest hem gewoon onder mijn arm meeslepen. Hij was dronken, hij was lazerus, strontlazerus.”

Verdachte: “Ja.”

Moeder: “Ja.”

(…)

Verdachte: “Ik zeg, maakt niet uit. Hun zeggen tegen mij wij geloven jou niet meer [verdachte]. Jij zegt, jij zegt twee opties in jouw hoofd: of ik weet niet of ik was dronken. Dat zeg je alleen. Ik zeg ja, maar wat ik niet weet, weet ik niet meneer. U kan, u kunt mij blijven dwingen, maar mijn hersens gaan daar verder niet op werken.”

Moeder: “Ik was zo dronken dat ik het niet meer weet.”

Verdachte: “Niet dus.”

Even later praten de verdachte en zijn moeder over de reconstructie die een tijdje later plaats zal vinden. De verdachte zegt: “Maar ik zeg ik weet niet, ik weet niet, ik weet niet meer, ik stond volgens mij hier of daar, ik weet niet meer. Zo ga ik gewoon voor hun één groot toneelspel.”

Ten aanzien van het gebeuren nadat het slachtoffer van de trap was gevallen zegt de verdachte tijdens hetzelfde gesprek tegen zijn moeder: “Hij (getuige) zegt ja, je liep weg, toen liep je terug, toen hoorde hij weer een doffe klap he. Toen ik zeg ik weet niet meneer, ik weet niet, ik was dronken. Ik weet niet hoe ik naar beneden ben gekomen. Ik weet niet. Ik blijf zeggen ik weet niet. Toen zei mijn advocaat tegen mij kijk [verdachte], dit is het punt dat zij jou nu willen gaan breken. Ze gaan jou met vele confrontaties komen. Met vele feiten. Het is aan jou de keus. Ik blijf ontkennen, ontkennen, ontkennen, ontkennen van dat ik het weet, klaar.”

Op grond van de inhoud van de bovengenoemde gesprekken gaat de rechtbank er vanuit dat de verdachte niet de waarheid heeft gesproken over hetgeen is gebeurd in de portiek en dat de verdachte wel degelijk weet wat er gebeurd is nadat het slachtoffer van de trap was gevallen.

De rechtbank gaat er vanuit dat de verdachte het slachtoffer van de trap heeft geduwd. Daarna is de verdachte van de trap af naar beneden gelopen. De rechtbank gaat er op basis van hetgeen de bovengenoemde getuige Van Dijk heeft verklaard, vanuit dat de verdachte, nadat hij uit de portiek kwam, terug is gelopen naar het slachtoffer en dat hij het slachtoffer toen tweemaal met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt. De rechtbank verwijst daarbij naar de resultaten van het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut aan de schoenen die de verdachte droeg tijdens het incident. Uit dit rapport blijkt dat er op verschillende plekken van de rechterschoen van de verdachte bloed zit van het slachtoffer. Het gaat om bloedspatten en contactsporen van bloed. De bloedspatjes aan beide zijden van de rechterschoen kunnen volgens de deskundige op verschillende wijzen zijn ontstaan en zijn op minimaal twee afzonderlijke momenten ontstaan. Voorts concludeert de deskundige dat de aangetroffen bloedsporen wijzen op (bewegend) contact tussen een bebloed object en/of een bebloede persoon.

Uit de inhoud van het afgetapte gesprek tussen de verdachte en zijn moeder op 8 augustus 2012 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte weet dat hij het slachtoffer tegen het hoofd heeft geschopt. De verdachte zegt: “Nee maar ik stress alleen over die schoen, bloed op mijn schoenen. Daar stress ik alleen over.”

Nu de rechtbank heeft vastgesteld wat er is gebeurd in de vroege ochtend van 15 april 2012, en wat daarin de rol is van de verdachte, ziet zij zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 1 primair ten laste gelegde moord dan wel doodslag op het slachtoffer. De rechtbank stelt voorop dat uit niets is gebleken dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij van dit bestanddeel van de tenlastelegging.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte, door zo te handelen als hij heeft gedaan, zich heeft schuldig gemaakt aan doodslag. Vastgesteld moet worden of de verdachte, door het slachtoffer met kracht van de trap te duwen, bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou overlijden. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast de verdachte en het slachtoffer zich bevonden op een kleine galerij waarvan een betonnen trap van 11 treden naar beneden loopt en uitkomt op een klein stenen plateau. De muren zijn eveneens van baksteen. De rechtbank stelt voorts vast dat op de videobeelden van de reconstructie is te zien dat de verdachte de verbalisant die het slachtoffer speelt, een harde duw geeft, waardoor die verbalisant naar achter moet stappen om vallen te voorkomen.

De algemene ervaringsregels leren dat als je iemand met kracht duwt vlak bovenaan een betonnen, smalle trap uitkomend op een stenen plateau omgeven door stenen muren, er een zeer grote kans bestaat dat die persoon van de trap valt en zal komen te overlijden. De vraag is of de verdachte zich van die aanmerkelijke kans bewust is geweest en of hij die kans willens en wetens heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich, net als ieder weldenkend mens, bewust moet zijn geweest van die kans. Uit de omstandigheid dat de verdachte, nadat het slachtoffer van de trap was gevallen, de portiek uit is gelopen, en direct daarna is teruggelopen om het slachtoffer tweemaal tegen het hoofd te schoppen, leidt de rechtbank af dat de verdachte kennelijk de intentie had om het slachtoffer pijn en letsel toe te brengen. Daaruit trekt de rechtbank de conclusie dat de verdachte zich niet alleen bewust is geweest van de kans dat het slachtoffer zou overlijden, maar dat hij die kans ook heeft aanvaard. De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer en zal wettig en overtuigend bewezen verklaren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder primair ten laste gelegde doodslag.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het volgende af.

Op 18 februari 2012 wordt ingebroken in het schoolgebouw van [de school], gelegen aan de [adres B] te ’s-Gravenhage. Beveiligingsmedewerkers [Aangever 1] en [Aangever 2] reageren op de melding dat er wordt ingebroken en zij begeven zich naar [de school]. In het schoolgebouw is een ravage aangericht. Er zijn allerlei braaksporen zichtbaar. De inbrekers hebben zich de toegang tot de school verschaft door een deurruit in te slaan. Zo konden zij de draaiknop aan de binnenkant van de deur omdraaien en binnenkomen. Verder blijkt dat de inbrekers ramen van diverse lokalen/ kamers hebben ingeslagen. Als [Aangever 1] en [Aangever 2] bij kamer 213 komen zien zij twee personen in de kamer. [Aangever 1] deelt de personen mee dat ze zijn aangehouden. De twee personen worden vervolgens erg agressief. Eén van hen komt met de ene hand op de rug en met in de andere hand een zadel met zadelpen dreigend op [Aangever 1] af. Even later wordt het zadel naar [Aangever 1] toe gegooid. De andere persoon gooit dan een stoel naar [Aangever 1] en [Aangever 2]. [Aangever 1] en [Aangever 2] proberen zichzelf te beschermen door een tafel rechtop te zetten. De personen gooien dan echter met verschillende voorwerpen naar hen, waaronder stoelen. [Aangever 1] en [Aangever 2] zien zich genoodzaakt kamer 213 te verlaten. Eén van de personen slaat dan met het zadel met de zadelpen door de ruit van de kamerdeur. [Aangever 1] raakt daardoor gewond aan zijn duim. Even later zien [Aangever 1] en [Aangever 2] hoe één van de personen naar het raam loopt en het raam opent. Die persoon springt vervolgens uit het raam. De andere persoon aarzelt even, maar springt dan ook uit het raam. [Aangever 1] en [Aangever 2] zien nog hoe de twee personen wegrennen over het sportveld.

Bij de inbraak blijken te zijn weggenomen een geldbedrag, een videocamera, een laptop en een printer, toebehorend aan [de school].

Het schoolgebouw wordt de volgende dag onderzocht op sporen. Op diverse plekken in het gebouw wordt bloed aangetroffen. Dit bloed wordt naar het Nederlands Forensisch Instituut gezonden, ten einde te worden onderzocht. Uit een vergelijking van het aangetroffen bloed met gegevens uit de DNA-databank, blijkt dat er een match is met het bloed van de verdachte.

Ondanks het feit dat de politie de verdachte confronteert met het feit dat zijn bloed is aangetroffen op de plaats delict, beroept de verdachte zich op zijn zwijgrecht. Ook tegenover de rechtbank beroept de verdachte zich op zijn zwijgrecht. De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van het bloed van de verdachte op de plaats delict een redengevende omstandigheid is, die vraagt om een verklaring. De verdachte heeft deze echter niet gegeven. De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem onder 2 ten laste gelegde.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1. primair (na wijziging tenlastelegging)

hij op 15 april 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] krachtig van de trap geduwd en vervolgens die [slachtoffer] meermalen met zijn, verdachtes, geschoeide voet tegen het hoofd geschopt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 18 februari 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een schoolgebouw, gelegen aan [adres B] heeft weggenomen een geldbedrag en een videocamera en een laptop en een printer, toebehorende aan [de school], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door een ruit in een deur van dat schoolgebouw in te slaan en vervolgens een arm door die ingeslagen ruit te stoppen en via de aan de binnenzijde van de deur zittende draaiknop die deur te openen en in dat schoolgebouw ruiten in te slaan/gooien,

welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen beveiligingsmedewerkers, genaamd [Aangever 1] en [Aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander met een arm achter de rug en een zadel in de hand dreigend naar die [Aangever 1] is gelopen en vervolgens stoelen en een zadel en andere goederen naar die [Aangever 1] en [Aangever 2] heeft gegooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De raadsman heeft namens de verdachte een beroep op noodweer c.q. noodweerexces gedaan. De raadsman heeft betoogd dat de reactie van de verdachte op de seksuele toenadering door het slachtoffer geboden was voor de noodzakelijke verdediging van (de dreigende schending van) zijn eerbaarheid. De verdediging beroept zich, voor zover de rechtbank van oordeel is dat de verdachte met het slaan, stompen en duwen van het slachtoffer de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, op noodweerexces. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte zeer angstig en in paniek was en dat hij niet gediend was van onverwachte aanrakingen met een homoseksuele strekking. Daarbij moet volgens de raadsman tevens in aanmerking worden genomen dat de verdachte licht verstandelijk gehandicapt is en dat sprake was van een verminderd bewustzijn als gevolg van een combinatie tussen alcohol- en medicijngebruik. Gelet op het voorgaande mocht de verdachte zo handelen als hij heeft gedaan, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit beroep en overweegt daartoe als volgt.

Het beroep op noodweer is uitsluitend gestoeld op de verklaring van de verdachte dat hij zich moest verdedigen tegen het slachtoffer, omdat het slachtoffer hem seksueel zou hebben lastig gevallen en de verdachte geen andere mogelijkheid had dan het slachtoffer van zich af te slaan, te stompen en te duwen. De rechtbank overweegt dat de verdachte in eerste instantie gelogen heeft toen hij verklaarde dat het slachtoffer zijn broek omlaag zou hebben gedaan en dat hij vervolgens zijn geslachtsdeel zou hebben ontbloot. Verder blijkt uit de getapte telefoongesprekken en OVC’s dat de verdachte meermalen niet de waarheid heeft verteld. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar het OVC-gesprek tussen de verdachte en zijn vriend [persoon B] d.d. 1 juni 2012, pagina 1078 van het algemeen dossier, alsmede naar het OVC-gesprek tussen de verdachte en zijn moeder op 9 juni 2012, pagina 1128 van het algemeen dossier. Voort vindt de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten waaraan de conclusie kan worden verbonden dat het slachtoffer de verdachte seksueel heeft benaderd. Aan deze omstandigheden verbindt de rechtbank de conclusie dat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de zijde van de verdediging op noodweer dient te worden verworpen. Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een noodweersituatie, dient ook het beroep van de zijde van de verdediging op noodweerexces te worden verworpen.

5 De strafoplegging

5.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (verder: PIJ-maatregel).

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een tweetal zeer ernstige strafbare feiten. Zij heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn grote problematiek, zijn strafblad, eerdere mislukte hulpverlening, de grote kans op recidive, alsmede het feit dat de verdachte blijkens het rapport van het ForCA als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden gezien. Gelet op alle omstandigheden is de officier van justitie van mening dat de door haar geformuleerde eis recht doet aan de zaak.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de ten aanzien van feit 1 aan de verdachte op te leggen straf, aangezien hij vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit voor het de verdachte onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft betoogd dat de ForCA-rapportage geschreven is met het oog op de onder 1 ten laste gelegde zaak en niet met het oog op de onder 2 ten laste gelegde zaak, zodat voor het onder 2 ten laste gelegde feit geen PIJ-maatregel kan worden opgelegd.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ten aanzien van 1 primair (na wijziging tenlastelegging):

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van doodslag. Slachtoffer [slachtoffer] is om redenen die waarschijnlijk altijd onbekend zullen blijven, door de verdachte van een betonnen trap geduwd. Daarbij is hij terechtgekomen op een betonnen plateau. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens ook nog twee schoppen tegen het hoofd gegeven en heeft het slachtoffer toen ernstig gewond achtergelaten. Het slachtoffer is twee dagen later in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. Doodslag behoort tot de meest ernstige strafbare feiten, waarop de wetgever hoge straffen heeft gesteld. Het meest wezenlijke recht van iemand, namelijk het recht te mogen leven, is op grove wijze geschonden. Het slachtoffer laat onder andere een vader en drie zussen na, die ernstig lijden onder het verlies van hun zoon en broer. Blijkens de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke nabestaandenverklaring van de vader van het slachtoffer, heeft dit verlies het leven van vader en zussen ernstig ontwricht. Het wegvallen van het slachtoffer, voor wie zij zoveel goede toekomstplannen hadden, heeft voor een onherstelbaar gemis in hun leven gezorgd.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan dit zeer ernstige misdrijf. Voorts neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven. Zowel tijdens de vele politieverhoren als ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij seksueel werd benaderd door het slachtoffer, terwijl uit de tapgesprekken en OVC’s duidelijk blijkt dat de verdachte de echte waarheid achterhoudt. Ook heeft de verdachte gezwegen over hetgeen is voorgevallen nadat hij het slachtoffer van de trap had geduwd. Voor de familie van het slachtoffer is het van groot belang voor de verwerking van het verlies van hun dierbare dat zij de ware toedracht van het gebeuren kennen. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij de nabestaanden hierover in het ongewisse laat. Tot slot is het naar het oordeel van de rechtbank kwalijk en zorgwekkend dat bij de verdachte, blijkens de wijze waarop hij zich in de getapte telefoongesprekken en de OVC’s uitlaat, sprake is van minachting voor het slachtoffer en tevens van achteloosheid en een volledig gebrek aan berouw ten aanzien van zijn daad.

Ten aanzien van 2:

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een inbraak in [de school]. De verdachte en zijn medeverdachte hebben voor een ravage in het schoolgebouw gezorgd en zij hebben geld en diverse spullen meegenomen. De schade voor [de school] is aanzienlijk. Bovendien hebben de verdachte en zijn medeverdachte grof geweld gepleegd tegen de twee beveiligingsmedewerkers die hen betrapten. Eén van deze beveiligingsmedewerkers moest de confrontatie met de verdachte en zijn medeverdachte bekopen met onherstelbaar letsel aan zijn duim. Blijkens de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring van slachtoffer [Aangever 1] heeft dit slachtoffer reeds ruim een jaar veel last van zijn duim, hetgeen enkel kan worden opgelost door de duim operatief vast te laten zetten met een schroef. Ondanks het feit dat dit betekent dat het slachtoffer deze duim na de operatie niet meer zal kunnen buigen, heeft hij besloten deze operatie binnenkort te zullen ondergaan omdat de huidige situatie ook niet langer houdbaar is.

Ook dit feit betreft een ernstig strafbaar feit. De verdachte is enkel uit geweest op materieel gewin en heeft laten zien bereid te zijn ver te gaan en geweld te gebruiken om zijn doel te bereiken. De verdachte heeft ervoor gekozen om te blijven zwijgen over dit feit. Hij is daarbij, blijkens de inhoud van de getapte telefoongesprekken en OVC’s, berekenend te werk gegaan. Hij verkeerde in de veronderstelling dat er te weinig bewijs zou zijn om hem voor dit feit te kunnen veroordelen en heeft besloten dat het daarom het beste was om er het zwijgen toe te doen. Van enig berouw en compassie met de beveiligingsmedewerkers is de rechtbank helaas niets gebleken.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van de omtrent de verdachte opgestelde rapportages. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van:1. het Klinisch Multidisciplinair onderzoek Pro Justitia van het Forensisch Consortium Adolescenten (ForCA), d.d. 20 december 2012, opgesteld en ondertekend door [deskundige A], GZ-psycholoog en [deskundige B], kinder- en jeugdpsychiater;

2. het rapport Raadsonderzoek strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 28 maart 2013, opgesteld en ondertekend door [deskundige C], raadsonderzoeker.

Het onder 1. genoemde rapport – bij de opstelling waarvan de rapporteurs enkel rekening hebben gehouden met het de verdachte onder 1 ten laste gelegde – houdt onder meer in, verkort en zakelijk weergegeven:

De verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis, namelijk een gedragsstoornis, een ouder-kindrelatieprobleem en cannabismisbruik. Ook lijdt hij aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens omdat sprake is van een bedreigde ontwikkeling. Van deze problematiek was ook sprake tijdens het ten laste gelegde. De verdachte heeft een onveilige basis. De reacties van de verdachte op het slachtoffer passen daarbij. De verdachte handelde impulsief en ondoordacht en bij hem ontbraken besef en inzicht om anders te handelen. Ook vindt de verdachte het moeilijk om de gevolgen van zijn daden te overzien.

De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden de gedragingen van de verdachte tijdens het ten laste gelegde in substantiële mate. Daarom kan het ten laste gelegde de verdachte slechts in verminderde mate worden toegerekend. Bij de verdachte aanwezige factoren die op zich en in onderlinge samenhang de kans op recidive negatief beïnvloeden zijn onder meer: eerder vertoond gewelddadig gedrag, problemen met het hanteren van boosheid/ geringe copingsvaardigheden, vertonen van riskant en impulsief gedrag, middelengebruik, gebrek aan empathie en berouw, onvoldoende meewerken aan interventies, omgang met delinquente leeftijdsgenoten en geringe opvoedingsvaardigheden van de ouders.

Het meest wezenlijke probleem bestaat erin dat sprake is van een gebrekkige innerlijke structuur en innerlijke instabiliteit. Dit uit zich onder meer in impulsregulatieproblemen, snel gefrustreerd raken, stemmingswisselingen, zich snel bedreigd voelen en snel met anderen in conflict raken. Deze problematiek kan niet worden behandeld in een onvoldoende gestructureerde omgeving. Een langdurige uitwendige structuur is nodig, hetgeen kan worden gevonden binnen een stevige residentiële setting, alwaar de verdachte een dagritme, een orthopedagogische aanpak en een op de toekomst gericht dagprogramma kan worden aangeboden. De pathologische band tussen de verdachte en zijn moeder belemmert de ontwikkeling van de verdachte en deze zal dan ook geleidelijk moeten worden losgeweekt. De verdachte zal voorts meer controle moeten krijgen over zijn gedrag, emoties en impulsen en moet leren verantwoording te nemen voor zijn gedrag. Ook moet het cannabismisbruik worden aangepakt.

Bij de verdachte ontbreekt het inzicht dat hij behandeling nodig heeft, alsmede de motivatie daartoe. Een ambulante behandeling, dagbehandeling of semiresidentiële behandeling hebben dan ook een minimale kans van slagen. De enige vorm van behandeling die enige kans van slagen heeft is een gedwongen behandeling in het kader van de PIJ-maatregel. Deze maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte. Immers, zijn gebrek aan innerlijke structuur zal moeten worden gecompenseerd door een stevige uitwendige structuur gedurende een lange periode. Daarbij is voorts in aanmerking genomen dat de verdachte er in het verleden al eerder blijk van heeft gegeven dat hij kan profiteren van een behandelstructuur in een residentiële setting.

Uit het onder 2 genoemde Raadsrapport blijkt dat ook de Raad voor de Kinderbescherming van mening is dat bij de verdachte sprake is van een ernstige en uitgebreide problematiek. Aangesloten wordt bij de bevindingen zoals verwoord in de ForCA-rapportage. De kans op recidive wordt reëel geacht. De Raad voor de Kinderbescherming onderschrijft het door de ForCA onderzoekers gegeven PIJ-advies. De Raad voor de Kinderbescherming acht het namelijk noodzakelijk dat de verdachte een intensieve gedwongen behandeling krijgt in een gesloten setting, ten einde zijn ontwikkeling positief te beïnvloeden en om de kans op recidive te doen afnemen. Oplegging van de PIJ-maatregel is naar de mening van de Raad voor de Kinderbescherming in het belang van de verdachte. Het zal hem een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling kunnen bieden, gedurende langere tijd in een gecontroleerde omgeving. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming luidt dan ook om aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke jeugddetentie (gelijk de duur van het voorarrest), alsmede de PIJ-maatregel. De Raad voor de Kinderbescherming heeft daarbij nog opgemerkt dat het belangrijk is dat de verdachte zo snel mogelijk kan starten met zijn behandeling.

Bij het vaststellen van de aan de verdachte op te leggen straf zal de rechtbank rekening houden met de bovengenoemde adviezen. De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapportages voor zover deze zien op de bij de verdachte vastgestelde problematiek, de (ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde) verminderde toerekeningsvatbaarheid en de noodzaak een passende behandeling in een gesloten setting te ondergaan. De rechtbank is van oordeel dat het beeld dat in de rapportages van de verdachte wordt geschetst zeer zorgelijk is. Het is nodig dat door middel van een strakke en intensieve behandeling en begeleiding wordt getracht de problematiek te doen verminderen opdat de verdachte niet zal recidiveren.

De rechtbank zal overeenkomstig de adviezen de PIJ-maatregel opleggen. Zij is van oordeel dat, gelet op de ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit en het gevaar voor recidive, de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist en dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank stelt hierbij vast dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Voorts stelt zij vast dat de maatregel onder meer wordt opgelegd terzake van doodslag, hetgeen een misdrijf is dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De maatregel is daarom verlengbaar op grond van artikel 77t van het wetboek van strafrecht.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De rechtbank zal bij het vaststellen van de hoogte van de jeugddetentie de officier van justitie volgen in haar eis. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals verwoord in bovengenoemd Raadsrapport, een jeugddetentie gelijk de duur van het voorarrest op te leggen. Weliswaar is de rechtbank met de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel dat de behandeling van de verdachte snel moet aanvangen, maar de bewezenverklaarde feiten zij te ernstig om te kunnen volstaan met een jeugddetentie van een kortere duur dan door de officier van justitie geëist. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de verdachte reeds in de Hartelborgt verblijft en hij daar ook voldoende mogelijkheden van behandeling en begeleiding kan krijgen, zonder dat de maatregel formeel een aanvang heeft genomen.

Gelet op de inhoud van de ForCA-rapportage ziet de rechtbank met de officier van justitie geen aanleiding om het volwassen strafrecht toe te passen.

6 De in beslag genomen goederen

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan degene onder wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de teruggave aan de verdachte van de onder de verdachte in beslag genomen computer verzocht. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de overige voorwerpen die worden genoemd op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave gelasten van de op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 genummerde voorwerpen aan degene onder wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg, 287, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 primair (na wijziging tenlastelegging) en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1 primair (na wijziging tenlastelegging)

DOODSLAG;

2.

DIEFSTAL, VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN EN OM BIJ BETRAPPING OP HETER DAAD, AAN ZICHZELF EN ANDERE DEELNEMERS VAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN EN TERWIJL DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 20 (twintig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

gelast de teruggave van de op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 genummerde voorwerpen, te weten:

1.00 STK Telefoontoestel Kl: bruin BLACKBERRY curve

1.00 STK Computeronderdeel DESKTOP met oplader

1.00 STK Krant

1.00 STK Geheugensimm

1.00 STK Bonnen en dergelijke aankoop jas

2.00 STK Bonnen en dergelijke KASSABON

aan degene onder wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, kinderrechter, voorzitter,

mr. P.J. Schreuder, kinderrechter,

mr. H.M. Boone, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.I. Jansen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 april 2013.

Mr. Schreuder is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het algemeen dossier met het nummer PL1512 2012079851.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 12; proces-verbaal van bevindingen, p. 141, 142.

Forensisch dossier, proces-verbaal van bevindingen, p. 30.

Forensisch dossier, relaas proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, proces-verbaalnummer 2012-079851, p. 6.

Forensisch dossier, proces-verbaalnummer 2012-079851, rapport opgesteld door het Nederlands Forensisch Instituut, p. 177.

Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 11 april 2013.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige A], zakendossier 2.0 P. 365.

Proces-verbaal van bevindingen opnemen vertrouwelijke communicatie, p. 1078, 1079, 1082.

Proces-verbaal van bevindingen opnemen vertrouwelijke communicatie, p. 1128.

Proces-verbaal van bevindingen opnemen vertrouwelijke communicatie, p. 1125.

Proces-verbaal van bevindingen opnemen vertrouwelijke communicatie, p. 1125.

Forensisch dossier, proces-verbaalnummer 2012-079851: NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een geweldsincident in 's-Gravenhage op 15 april 2012, p. 341, 342 en NFI-rapport Bloedspoorpatroononderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een geweldsincident in 's-Gravenhage op 15 april 2012, p. 376-387.

Tapgesprek, p. 798.

Forensisch dossier, proces-verbaalnummer 2012-079851: relaas proces-verbaal forensisch technisch onderzoek p. 29;

Geschrift, te weten DVD met BVH-nummer: PL21/2012061477.

Verdachte dossier, p. 105.

Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1521 2012037172.

Proces-verbaal van aangifte [aangever C], p. 7; proces-verbaal van aangifte [Aangever 1], p. 14, 15.

Proces-verbaal van aangifte [aangever C], p. 7, 8; proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 59.

Proces-verbaal van aangifte [Aangever 1], p. 15.

Proces-verbaal vaan aangifte [Aangever 1], p. 15; proces-verbaal van verhoor getuige [Aangever 2], p. 20, 21.

Proces-verbaal van aangifte [Aangever 1], p. 15.

Proces-verbaal vaan aangifte [Aangever 1], p. 15; proces-verbaal van verhoor getuige [Aangever 2], p. 21.

Proces-verbaal van aangifte [aangever C], p. 8.

Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 58-60; rapport resultaten DNA-onderzoek, p. 64-67.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature