Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende, inwoner van Nederland, ontvangt in 2004 een werkeloosheidsuitkering. Medio 2004 ontvangt hij daarbij een Duitse rente en een Duits pensioen. Op grond van EG-verordening 1408/71 acht de rechtbank belanghebbende in Nederland verzekerd voor de premie volksverzekeringen. Tevens oordeelt de rechtbank dat belanghebbendes beroep op de arresten van het Hof van Justitie van de EG in de zaken Rundgren en Nikula niet leiden tot een vermindering van de premie voor die verzekeringen.

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3324

Uitspraakdatum: 8 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag premie volksverzekeringen opgelegd, berekend, voorzover te dezen van belang, naar een premie-inkomen van € 29.543.

1.2 De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 mei 2006 de aanslag premie volksverzekeringen gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 30 mei 2006, ingekomen bij de belastingdienst op 2 juni 2006 en – na doorzending – ontvangen door de rechtbank op 29 juni 2006, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

1.4 De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast:

2.1 Belanghebbende, geboren op 27 september 1940, heeft in het onderhavige jaar de volgende inkomsten genoten:

Werkloosheidsuitkering van [instantie] van 1 januari tot en met 31 december, € 20.579;

Uitkering [verzekeringsbank] (“Duitse rente”) van 1 juli tot en met 31 december, € 10.122;

Duits pensioen van 1 juli tot en met 31 december, € 1.380.

Belanghebbende woonde het gehele jaar in Nederland en heeft in het onderhavige jaar niet deelgenomen aan het arbeidsproces. Belanghebbende is voorafgaand aan de uitkering van het [instantie] steeds in loondienst werkzaam geweest in Duitsland.

2.2 Met ingang van 2 juni 2006 is aan belanghebbende op zijn verzoek door [verzekeringsbank] vrijstelling verleend van de verplichte verzekering voor de Algemene nabestaandenwet en de Algemene kinderbijslagwet.

2.3 Belanghebbende heeft bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar een vermindering van de premie volksverzekeringen gevraagd over een inkomen van € 11.502. De voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, aanslagnummer 0465.27.461.H.41, is vastgesteld naar een premie-inkomen van nihil.

2.4 Bij het opleggen van de onderhavige aanslag is de inspecteur er van uit gegaan dat belanghebbende voor het gehele jaar is aangemerkt als verzekerde voor de volksverzekeringen en is de aanslag premie volksverzekeringen vastgesteld naar een premie-inkomen van € 29.543, op € 9.616.

3. Geschil

3.1 In geschil is, naar de rechtbank verstaat, of ter zake van de uit Duitsland ontvangen inkomsten terecht premie volksverzekeringen is geheven.

Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3 Belanghebbende concludeert, naar de rechtbank verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag premie volksverzekeringen tot nihil.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De artikelen 13 en 33 van de Verordening (EEG) Nr. 1408/71 van de raad van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening), luiden voor het onderhavige jaar als volgt:

"Artikel 1 3

Algemene regels

1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.

2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

a) is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid- Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat;

b) is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont;

c) is op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing;

d) is op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;

e) is op degene die wordt opgeroepen op opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een Lid-Staat, de wetgeving van die Staat van toepassing. Indien toepassing van deze wetgeving afhankelijk is van het vervullen van tijdvakken van verzekering vóór de opkomst in of na het verlaten van de militaire of de vervangende burgerdienst, worden de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn vervuld, voorzover nodig, in aanmerking genomen alsof het tijdvakken van verzekering betrof, vervuld krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Staat. De werknemer of zelfstandige die voor militaire dienst of vervangende burgerdienst wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen, behoudt de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige;

f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.

Artikel 3 3

Bijdragen of premies voor rekening van pensioen- of rentetrekkers

1. Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.

2. Wanneer de pensioen- of rentetrekker in de in artikel 28 bis bedoelde gevallen krachtens de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, uit hoofde van zijn woonplaats aldaar, premies of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor de dekking van

de kosten van prestaties wegens ziekte of moederschap, zijn deze niet invorderbaar."

4.2 De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat belanghebbende stopte met het verrichten van arbeid in Duitsland, op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel f, van de Verordening, de wetgeving inzake sociale zekerheid zoals die in het land waarin belanghebbende toen woonde, in dit geval Nederland, op hem van toepassing was. Nu in het onderhavige jaar belanghebbende in Nederland woonde en niet elders arbeid verrichtte, is in het onderhavige jaar uitsluitend de Nederlandse sociale wetgeving op hem van toepassing. De omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 juli in aanmerking komt voor een pensioen en een rente uit Duitsland brengt hierin geen verandering. Belanghebbende is voor het onderhavige jaar dan ook terecht aangemerkt als verzekerde voor de volksverzekeringen.

4.3 De omstandigheid dat met ingang van 2 juni 2006 door het [verzekeringsbank] vrijstelling is verleend voor twee volksverzekeringen doet aan het vorenstaande niet af nu die vrijstelling, op grond van het bepaalde in artikel 22, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 eerst kan werken vanaf 2 juni 2006.

4.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 8 van de Wet financiering volksverzekeringen , zoals die in het onderhavige jaar gold, dient onder premie-inkomen te worden verstaan het belastbaar inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Nu niet in geschil is, en ambtshalve is gebleken, dat bij het bepalen van het premie-inkomen die regeling in acht is genomen, zal de rechtbank daar verder aan voorbij gaan.

4.5 De rechtbank verwerpt belanghebbendes beroep op rechtsoverweging 49 van het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 10 mei 2001 (zaak Rundgren), nr. C-389/99. De zaak Rundgren zag op een inwoner van Finland die enkel uit Zweden een pensioen genoot en waarin derhalve een orgaan van een andere lidstaat dan Finland, het woonland, de kosten droeg voor de prestaties op grond van de sociale verzekering. Nu belanghebbende in Nederland woont, aldaar ook inkomen geniet en het sociale zekerheidsrecht van Nederland bij uitsluiting van andere lidstaten van toepassing is, is reeds om die reden belanghebbendes situatie niet vergelijkbaar met die van Rundgren en daarmee rechtsoverweging 49 niet voor hem van toepassing.

4.6 De rechtbank merkt met betrekking tot belanghebbendes beroep op de zaak welke onder nummer C 66/05 (Johann) bij het Hof van Justitie van de EG aanhangig was het volgende op. Bij beschikking van de president van de vijfde kamer van het Hof van Justitie van de EG van 22 november 2006 is deze procedure doorgehaald nu de insteller, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, van dat beroep onder verwijzing naar de beslissing van het Hof van Justitie van de EG in de zaak met nummer C-50/05 (Nikula) afstand heeft gedaan van instantie. De rechtbank merkt belanghebbendes beroep op de zaak Johann mede aan als een beroep op de zaak Nikula.

4.7 In de zaak Nikula heeft het Hof van Justitie van de EG voor recht verklaard:

“Artikel 33, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, verzet zich er niet tegen dat voor de vaststelling van de grondslag voor de heffing van de bijdragen of premies voor de ziektekostenverzekering die worden geheven in de lidstaat van de woonplaats van de rechthebbende op pensioenen die worden uitgekeerd door organen van deze lidstaat die op grond van artikel 27 van die verordening bevoegd is om prestaties te verlenen, naast de in de lidstaat van de woonplaats ontvangen pensioenen ook door organen van een andere lidstaat uitgekeerde pensioenen in deze grondslag worden betrokken, voorzover die bijdragen of premies niet hoger zijn dan het bedrag van de in de lidstaat van de woonplaats uitgekeerde pensioenen.

Artikel 39 EG verzet zich er evenwel tegen dat het bedrag van de van organen van een andere lidstaat ontvangen pensioenen in aanmerking wordt genomen, indien in deze andere lidstaat reeds bijdragen of premies werden betaald over de in die lidstaat ontvangen inkomsten uit arbeid. Het staat aan de betrokkenen om aan te tonen dat deze vroegere bijdragen of premies daadwerkelijk zijn betaald.”

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de Duitse rente en het Duitse pensioen bij het bepalen van het premie-inkomen in aanmerking mogen worden genomen. Niet is gesteld dat in Duitsland reeds bijdragen of premies werden betaald over de daar genoten inkomsten uit arbeid zodat evenmin artikel 39 van het EG-verdrag zich tegen de heffing van de premie volksverzekeringen over de Duitse rente en het Duitse pensioen verzet.

4.8 Gelet op het vorenoverwogene moet de in geschil zijnde vraag bevestigend worden beantwoord en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr. D. Hund, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature