Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Voorlopige voorzieningenrechter schorst besluit dat strekt tot overplaatsing van leerkracht

Uitspraak



RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 10/645, 10/650 en 10/685 AW

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 15 november 2010

in de gedingen tussen:

[verzoekster], wonende te Assen, verzoekster,

en

De bestuurscommissie Plateau Openbaar Onderwijs Assen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2010 is verzoekster voor de periode van 23 augustus 2010 tot 20 september 2010 geschorst en is haar de toegang tot het gebouw en het terrein van de openbare basisschool (obs) “[obs 1], ontzegd.

Namens verzoekster is bij brief van 6 september 2010 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 september 2010 is de schorsing met een termijn van 4 weken verlengd.

Namens verzoekster is bij brief van 4 oktober 2010 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 4 oktober 2010 is tevens namens verzoekster aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betreft de zaken, geregistreerd onder nummer 10/645 AW en 10/650 AW.

Bij besluit van 14 oktober 2010 is verzoekster per 19 oktober 2010 overgeplaatst naar obs ‘[obs 2]’. Dit is geformaliseerd bij de akte van aanstelling van 22 oktober 2010.

Bij brief van 18 oktober 2010 is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 oktober 2010. Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank, geregistreerd onder nummer 10/685 AW.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van de rechtbank op 5 november 2010, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Frons.

Voor verweerder zijn verschenen mr. E.C.M. Roelvink, [algemeen directeur], [directeur] en [mevrouw].

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht ¬bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten en omstandigheden

Verzoekster is sinds 17 december 1979 als leerkracht in dienst van (de rechtsvoorganger van) verweerder. Laatstelijk was verzoekster verbonden aan de openbare basisschool ‘[obs 1]’.

Sinds augustus 2009 is mevrouw [directeur] werkzaam als directeur op ‘[obs 1]’. Op 24 maart 2010 heeft de directeur een functioneringsgesprek gevoerd met verzoekster. Op 29 juni 2010 heeft de directeur als vervolg op een gesprek in april 2010, met verzoekster gesproken over de samenwerking tussen haar en verzoekster.

Het Bureau Meesterschap heeft eind juni 2010 op basis van vragenlijsten en interview-gesprekken een werkklimaatonderzoek verricht. Anonimiteit is daarbij gegarandeerd.

Onderzoeker Hagénus van het Bureau Meesterschap heeft op 8 juli 2010 de uitkomsten van het onderzoek mondeling doorgesproken met de algemeen directeur van Plateau openbaar onderwijs Assen, de heer [algemeen directeur], en daarbij tevens aanbevelingen gedaan.

Diezelfde dag heeft tevens een gesprek plaatsgevonden tussen [algemeen directeur], verzoekster, de directeur en Hagénus, waarbij is gesproken over de situatie op ‘[obs 1]’ en de rol van verzoekster daarin. Aansluitend is verzoekster de sleutel van het nieuwe schoolgebouw overhandigd, zodat ze haar lokaal alvast zou kunnen inrichten.

De volgende dag, 9 juli 2010, heeft [algemeen directeur] in een gesprek met verzoekster aangegeven dat de directeur, maar ook hij, geen vertrouwen meer heeft in een vruchtbare samenwerking met verzoekster, zodat het beter lijkt dat verzoekster een overstap naar een andere school maakt. Verzoekster heeft laten weten dat zij niet bereid is vrijwillig mee te werken aan een overplaatsing omdat zij daartoe geen enkele reden ziet. [algemeen directeur] heeft aangegeven zich te zullen beraden over een verplichte overplaatsing.

De resultaten van het onderzoek door Bureau Meesterschap zijn neergelegd in de zogeheten bevindingenbrief van 13 juli 2010.

Op 14 juli 2010 heeft een deel van het team van ‘[obs 1]’ overlegd over de uitkomsten van het werkklimaatonderzoek en de gevolgen hiervan voor de school.

Het team heeft er in toegestemd dat de anonimiteit, waaronder aan het onderzoek is meegewerkt, wordt opgeheven.

Op 16 juli 2010 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden tussen [algemeen directeur] en verzoekster. Hierbij werd aan verzoekster de bevindingenbrief van het Bureau Meesterschap overhandigd. Verzoekster is verzocht tijdens de schoolvakantie na te denken over de ontstane situatie.

Bij brief van 17 juli 2010 heeft de directeur [algemeen directeur] medegedeeld dat er, gelet op de bevindingen van het Bureau Meesterschap en een met de teamleden van de school gevoerd gesprek op 14 juli 2010, sprake is van een onherstelbare en onomkeerbare vertrouwensbreuk tussen verzoekster en de directeur en de rest van het team. De directeur heeft [algemeen directeur] verzocht verzoekster uit het team van ‘[obs 1]’ te plaatsen.

Bij brief van 19 juli 2010 heeft [algemeen directeur] verzoekster medegedeeld dat het niet passend lijkt indien zij na de vakantie op 23 augustus 2010 aanwezig is bij de opening van het nieuwe pand van de school. Verzoekster is uitgenodigd voor een gesprek op die dag om 8.30 uur.

Bij brief van 21 juli 2010 is namens verzoekster op de gang van zaken gereageerd en is nogmaals uitgesproken dat verzoekster zich niet kan verenigen met overplaatsing.

Op 23 augustus 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen o.a. verzoekster en [algemeen directeur]. Verzoekster heeft daarbij aangegeven dat er voor haar geen enkele aanleiding bestaat om mee te werken aan overplaatsing. [algemeen directeur] heeft verzoekster daarop op de hoogte gesteld van het voornemen haar in verband met dringende noodzaak in het belang van de school te schorsen op basis van artikel 4 van de CAO PO. Tijdens het gesprek heeft verzoekster vervolgens haar zienswijze kunnen geven op het voornemen. Verzoekster stelt dat er geen motivatie of gronden zijn genoemd voor de schorsing.

Bij besluit van 23 augustus 2010 is verzoekster bij wijze van ordemaatregel voor de periode van 23 augustus 2010 tot 20 september 2010 geschorst op grond van artikel 4.12, eerste lid van de CAO PO. Aan verzoekster is de toegang tot het gebouw en het terrein van ‘[obs 1]’ ontzegd. Er zal nader onderzoek naar de oorzaak van de problemen plaatsvinden en vervolgens zullen de vervolgstappen in het belang van de school nader worden bepaald.

Eind augustus/begin september heeft [algemeen directeur] de leerkrachten van ‘[obs 1]’ geïnterviewd. Ook de directeur en de heer [interimdirecteur], interimdirecteur gedurende de periode januari tot augustus 2009, zijn geïnterviewd. Van deze interviews zijn verslagen gemaakt.

Bij brief van 30 augustus 2010 heeft verweerder verzoekster het aanbod gedaan haar te plaatsen in groep 8 van de openbare basisschool ‘[obs 2]’.

Bij brief van 6 september 2010 is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 augustus 2010.

Het bezwaarschrift is ter behandeling doorgezonden aan de Bezwaarschriftencommissie Rechtspositionele Aangelegenheden van de gemeente Assen.

Bij brief van 9 september 2010 heeft verzoekster op het aanbod tot overplaatsing gereageerd. Verzoekster stelt dat overplaatsing wat haar betreft niet aan de orde is omdat er geen vertrouwensbreuk is tussen haar en het team.

Bij primair besluit van 17 september 2010 heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat de schorsing wordt verlengd met een periode van vier weken tot 18 oktober 2010, daar het in het belang van de school dringend vereist is dat zij haar werkzaamheden niet continueert op ‘[obs 1]’.

Bij brief van 20 september 2010 heeft verweerder aan verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt haar over te plaatsen naar ‘[obs 2]’ in de functie van groepsleerkracht in groep 8. Omdat er sprake is van een conflictsituatie is overplaatsing noodzakelijk om tot werkbare verhoudingen te komen. Verwezen is naar het bepaalde in artikel 10.6, lid 2 b, CAO PO. Voorts wordt verzoekster een coachingstraject aangeboden.

Op 4 oktober 2010 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden met betrekking tot verweerders voornemen tot overplaatsing.

Bij primair besluit van 14 oktober 2010 heeft verweerder verzoekster met ingang van 18 oktober 2010 overgeplaatst naar ‘[obs 2]’. In de periode 19 oktober tot 23 oktober zal een inwerkperiode plaatsvinden, waarna verzoekster na de herfstvakantie op

1 november 2010 start met haar werkzaamheden in haar groep.

Op 15 oktober 2010 heeft verzoekster zich ziek gemeld.

Op 19 oktober 2010 is verzoekster gezien door de bedrijfsarts, die oordeelde dat verzoekster in verband met beperkingen in de psychische en energetische belastbaarheid als arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.

Bij brief van 18 oktober 2010 is tegen het besluit van 14 oktober 2010 bezwaar gemaakt.

Beoordeling

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster de verzoeken om een voorlopige voorziening die betrekking hebben op de schorsing, de zaken geregistreerd onder nummer 10/645 AW en 10/650 AW, ingetrokken.

Ter beoordeling ligt derhalve slechts voor het verzoek om een voorlopige voorziening inzake de overplaatsing van ‘[obs 1]’ naar ‘[obs 2]’.

Verweerder heeft op 23 augustus 2010 mondeling en bij brief van 20 september 2010 schriftelijk het voornemen tot overplaatsing op grond van artikel 10.6, tweede lid, onderdeel b van de CAO Primair Onderwijs, kenbaar gemaakt. Op grond van dat artikel kan de werkgever de werknemer zonder zijn instemming overplaatsen ingeval er sprake is van een conflictsituatie, waarbij overplaatsing noodzakelijk is om tot werkbare verhoudingen te komen. Bezien dient dus te worden of er op 23 augustus 2010 sprake was van een conflictsituatie, waarbij overplaatsing noodzakelijk was.

De voorzieningenrechter hecht er in de eerste plaats aan op te merken dat in het geheel niet in geschil is dat verzoekster als leerkracht voor de groep goed functioneert; verzoekster is voor de kinderen een goede juf, zij werkt hard en heeft veel over voor de school en de kinderen. Slechts de wijze waarop verzoekster functioneert als lid van het team van ‘[obs 1]’ heeft ten grondslag gelegen aan de overplaatsing. Verweerder stelt dat het gedrag van verzoekster en haar houding er toe heeft geleid dat op ‘[obs 1]’ een onomkeerbare situatie is ontstaan. Verzoekster vertoont onprofessioneel gedrag, dat er onder meer bestaat uit het op stelselmatige wijze onprofessioneel communiceren met collega’s en leiding-gevenden, het eigenmachtig optreden alsmede het overschrijden van normale fatsoensnormen.

Verzoekster stelt dat zij de door verweerder genomen besluiten als uiterst diffamerend ervaart. Verzoekster geeft aan dat zij zich in hetgeen haar wordt tegengeworpen in het geheel niet herkend. Haar is geen enkele kans geboden om de kritiek met de teamleden te bespreken en zij is evenmin in de gelegenheid gesteld om haar functioneren, voor zover dat onvoldoende zou zijn, te verbeteren, dit terwijl zij de vraag van het Bureau Meesterschap of zij eventueel open staat voor een ontwikkelingstraject, positief heeft beantwoord.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In verband met al jarenlang slepende problematiek van diverse aard heeft verweerder het Bureau Meesterschap verzocht op ‘[obs 1]’ een werkklimaatonderzoek in te stellen.

Dit onderzoek heeft zich niet specifiek gericht op het functioneren van verzoekster, maar op het functioneren van de schoolorganisatie als geheel.

Ter zitting heeft [algemeen directeur] uiteengezet dat hij, nadat Hagénus van het Bureau Meesterschap hem op 8 juli 2010 alvast mondeling op de hoogte stelde van de nog schriftelijk te formuleren uitkomsten van het onderzoek, een steeds duidelijker beeld kreeg van de wijze waarop in het team feitelijk werd gedacht over de rol die verzoekster speelde ten aanzien van de spanningen in het team. [algemeen directeur] achtte de bevindingen zodanig ernstig dat hij verzoekster in overweging heeft gegeven - vrijwillig - over te stappen naar een andere school, ook mede gezien het bredere belang dat daarmee gemoeid was. Nadat de directeur na een op 14 juli 2010 met het team gevoerd gesprek duidelijk te kennen had gegeven dat sprake was van een onherstelbare en onomkeerbare vertrouwensbreuk (wat wordt ondersteund door na de zomervakantie met de afzonderlijke teamleden gevoerde gesprekken) werd duidelijk dat schorsing en overplaatsing dringend noodzakelijk was, daar verzoekster niet accoord wilde gaan met het - tot vier keer toe gedane verzoek - hiermee vrijwillig in te stemmen.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting kan de voorzieningenrechter slechts tot het oordeel komen dat verweerder reeds in een vroeg stadium eenzijdig heeft gekoerst op overplaatsing. Immers reeds op het moment dat de bevindingenbrief van Bureau Meesterschap nog niet beschikbaar was, heeft verweerder verzoekster al indringend de mogelijkheid van vrijwillige overplaatsing voorgehouden. Er was ontegenzeggelijk een conflict, in ieder geval tussen verzoekster en de directeur. Zulks blijkt uit het verslag van het gesprek, dat zij op 29 juni 2010 met elkaar voerden. Ten tijde van het gesprek op 9 juli 2010 bleek naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geenszins dat sprake was van een onoplosbaar conflict. Evenmin dat sprake was van een onwerkbare situatie.

Desondanks heeft verweerder de conclusie uit de brief van de directeur van 17 juli 2010 zonder meer overgenomen. In het dossier is hier geen onderbouwing voor te vinden.

De voorzieningenrechter wijst er in dat verband op dat uit het verslag van het op 24 maart 2010 gehouden functioneringsgesprek, blijkt dat de mogelijke impact van verzoeksters wijze van communiceren aan de orde is gesteld, maar niet dat dit zou moeten leiden tot met name gespecificeerde doelen voor de komende periode.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verweerder voorafgaande aan het voornemen om verzoekster over te plaatsen, niet adequaat heeft gehandeld en niet al het mogelijke heeft gedaan wat van een goed werkgever mag worden verwacht om te voorkomen dat het conflict zodanig zou escaleren dat het niet langer verantwoord was om verzoekster op ‘[obs 1]’ te handhaven. De voorzieningenrechter concludeert zelfs dat juist de insteek van verweerder, die de overplaatsing van verzoekster blijkbaar zag als het panacee voor de onbetwist bestaande problemen op ‘[obs 1]’, door al direct na het bekend worden van de bevindingen van het Bureau Meesterschap op 9 juli 2010 bij verzoekster aan te dringen in te stemmen met vrijwillige overplaatsing, escalatie in de hand heeft gewerkt.

Gelet hierop zal het bestreden besluit tot overplaatsing per 18 oktober 2010 naar ‘[obs 2]’ worden geschorst. Deze schorsing betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat verzoekster, zodra zij weer hersteld verklaard wordt, kan hervatten op de ‘[obs 1]’.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat werkhervatting op ‘[obs 1]’ niet (nu niet/nooit niet) realistisch is.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat werkhervatting op ‘[obs 1]’ thans niet realistisch is. Gezien hetgeen zich de afgelopen maanden en uitgaande van de verklaringen van alle betrokken partijen in de stukken heeft voorgedaan, zal onmiddellijke terugkeer van verzoekster naar haar oude werkplek ongetwijfeld leiden tot spanningen en wellicht tot een onhoudbare situatie. Ook verzoekster heeft dit onderkend.

De voorzieningenrechter is van oordeel, mede gezien het verbetertraject dat dit schooljaar is gestart en dat gezien de berichtgeving door Bureau Meesterschap als veel belovend wordt ervaren, dat verweerder de bezwaarfase dient te benutten om met verzoekster in gesprek te gaan en de mogelijkheid van bijvoorbeeld mediation dient te onderzoeken en te beproeven.

Verweerder wordt in verband hiermee opgedragen om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een eerste overleg met verzoekster te initiëren met als doel uit de ontstane situatie te geraken. Beide partijen zullen zich in dat overleg constructief dienen op te stellen en naar een oplossing moeten zoeken die recht doet aan de belangen van beide partijen.

Dit betekent dat ook verzoekster bereid moet zijn te erkennen en accepteren dat haar functioneren, wat betreft haar communicatieve vaardigheden, een punt van aandacht is en bereid moet zijn haar deel van de verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie te nemen.

Middels een coachingstraject zou wellicht kunnen worden gewerkt aan de geconstateerde ontwikkelpunten in haar functioneren, te weten communicatie, samenwerking en zelfreflectie.

Op grond van het vorenoverwogene bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb , aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek. Deze kosten worden begroot op € 874,- als kosten van rechtsbijstand.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit van 14 oktober 2010, voor zover dat ziet op de overplaatsing van verzoekster per 18 oktober 2010 naar ‘[obs 2]’;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover daarbij is gevorderd dat verzoekster weer wordt toegelaten tot haar werkzaamheden aan de ‘[obs 1]’ af;

- verstaat dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak met verzoekster in overleg zal treden om te komen tot een oplossing van de thans ontstane situatie;

- veroordeelt de Bestuurscommissie Openbaar Primair Onderwijs Assen in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,-, te betalen door het Openbaar Primair Onderwijs Assen aan verzoekster;

- gelast dat het Openbaar Primair Onderwijs Assen het door verzoekster betaalde griffierecht van € 150,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr.W.P. Claus, voorzieningenrechter, rechter, bijgestaan door H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. W.P. Claus, voorzieningenrechter

In het openbaar uitgesproken op 15 november 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature