Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Omgevingsvergunning jongeren ontmoetingsplaats (JOP). Geen tijdelijke behoefte zoals bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht .

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/3009

uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 6 oktober 2011 in het geding tussen

[Verzoeker], verzoeker,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. B. de Jong,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, verweerder,

alsmede

de gemeente Buren, partij ex artikel 8:26 van de Awb ,

zetelende te Maurik.

1. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden 24 juni 2011, heeft verweerder aan de gemeente Buren een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijke zeecontainer die gebruikt wordt als jongeren ontmoetingsplaats (hierna: JOP) aan [locatie] (hierna: de locatie).

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 1 augustus 2011 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Bij brief van gelijke datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 september 2011. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.H. Spee en A.T. Zuidhof, beiden werkzaam bij de gemeente Buren. Namens de gemeente Buren (hierna: de gemeente) is verschenen J. Christiaans, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo , voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet ;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening ;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet , tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. indien het advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid, bedoeld in artikel 6, derde lid, onder b, van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels , daartoe aanleiding geeft.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo , voor zover hier van belang, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan: indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo kan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, onder 3 °, de vergunning, voor zover zij betrekking heeft op een activiteit voor een bepaalde termijn, worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 2.23, eerste lid, van de Wabo kan in een omgevingsvergunning worden bepaald dat zij geheel of gedeeltelijk geldt voor een daarin aangegeven termijn.

Ingevolge artikel 2.23, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo kunnen bij algemene maatregel van bestuur categorie ën gevallen worden aangewezen, waarin in de omgevingsvergunning wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de omgevingsvergunning voor ten hoogste een daarbij aangegeven termijn kan gelden.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), wordt in een omgevingsvergunning voor het bouwen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet, van een bouwwerk, bestemd om in een tijdelijke behoefte te voorzien bepaald dat zij slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn.

Ingevolge artikel 5.16, tweede lid, van het Bor is in de categorie gevallen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, de termijn ten hoogste vijf jaar.

Ingevolge artikel 5.18, eerste lid, wordt in een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, die voorziet in een tijdelijke behoefte, bepaald dat zij slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn van ten hoogste vijf jaar.

Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Lutterveld II”. Om verwezenlijking ervan mogelijk te maken, heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend.

Verzoeker betoogt onder meer dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat slechts gedurende vijf jaar behoefte zal bestaan aan de JOP. Hij voert daartoe aan dat er nog geen voorontwerp van het bestemmingsplan Teisterbant/Lutterveld ter inzage heeft gelegen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Wabo geen wijziging heeft beoogd te brengen in de toepassing van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreffende artikel 3.22 van de Wet ruitemlijke ordening en haar voorganger artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening , waar het betreft de vraag in hoeverre aannemelijk gemaakt moet zijn dat de desbetreffende voorziening tijdelijk is.

Dat betekent dat ook voor een voorziening waar permanent behoefte aan is, zoals de JOP, een omgevingsvergunning mag worden verleend, in het geval dat verweerder aannemelijk maakt dat aan deze voorziening na afloop van de gestelde termijn op de thans beoogde plaats geen behoefte meer bestaat. Dat kan zijn doordat nu al aannemelijk is dat deze voorziening, waaraan immers permanente behoefte bestaat, over 5 jaar elders wordt gesitueerd. De enkele stelling dat de definitieve plaats van de JOP in het bestemmingsplan Teisterbant/Lutterveld wordt geregeld, is daartoe evenwel onvoldoende. Over dit bestemmingsplan, zo is ter zitting gesteld, zijn thans gespreken met betrokkenen gaande, doch een ontwerp is er nog niet. Het oordeel van verweerder dat aan de JOP op deze plaats niet langer dan 5 jaar behoefte bestaat is aldus gebaseerd op intenties en verwachtingen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat de omstandigheid dat, zoals verweerder stelt, de beoogde container met stelconplaten uit zijn aard tijdelijk is, nog niet maakt dat aannemelijk is dat de voorziening tijdelijk is. Tenslotte is de bedoeling van de tijdelijke omgevingsvergunning niet om vooruit te lopen op planologische besluitvorming en met het oog daarop reeds de voorziening, waaraan volgens verweerder grote behoefte is, te realiseren.

Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet een voorziening te treffen in die zin dat het de bij ongedateerd besluit, verzonden 24 juni 2011, verleende tijdelijke omgevingsvergunning wordt geschorst tot zes weken na de uitspraak in de bodemzaak.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874, zijnde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

I. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

II. schorst de bestreden tijdelijke omgevingsvergunning tot zes weken na de uitspraak in de bodemzaak;

III. veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 874;

IV. bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 152 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: 6 oktober 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature