Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Ter beoordeling staat of eisers dienen te worden aangemerkt als erfgenamen van betrokkene 1 en of de procedure tegen hen kan worden hervat.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 2147 / HA ZA 94-250

Vonnis van 8 maart 2006

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. P.C. Plochg,

advocaat mr. W.H.A. Buiting te [woonplaats],

2. [eiser 2]

wonende te [woonplaats],

procureur voorheen mr. W.D. Huizinga,

advocaat mr. L.Th.B. Grob te Doetinchem,

beide in hun hoedanigheid van erfgenamen van

[betrokkene 1],

overleden op 5 mei 1999,

voorheen handelende onder de naam Drukkerij [betrokkene 1],

voorheen wonende te [woonplaats],

voorheen eiser in conventie, verweerder in reconventie,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur en advocaat mr. A.F. van Dam te Arnhem.

Wijlen [betrokkene 1] zal hierna ‘[betrokkene 1]’ worden genoemd. De overige partijen zullen worden aangeduid als ‘[gedaagde]’, ‘[eiser 1]’ en ‘[eiser 2]’. De weduwe van [betrokkene 1] tenslotte zal ‘[betrokkene 2]’ worden genoemd.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 juni 2005,

- het proces-verbaal van comparitie van 8 september 2005 met de daaraan gehechte stukken die mr. Buiting ter comparitie in het geding heeft gebracht,

- de akte van [gedaagde],

- de akte van [eiser 1],

- de akte van [eiser 2]

Ten slotte is vonnis bepaald.

De beoordeling

Thans staat allereerst ter beoordeling of [eiser 1] en [eiser 2] dienen te worden aangemerkt als erfgenamen van [betrokkene 1] en of de procedure tegen hen kan worden hervat. De rechtbank blijft bij hetgeen zij in haar tussenvonnis van 15 juni 2005 dienaangaande heeft overwogen en oordeelt verder nog als volgt.

Ten aanzien van [betrokkene 2]

2.2 Allereerst dient te worden bezien (zoals de rechtbank al heeft overwogen in haar tussenvonnis van 15 juni 2005, rechtsoverweging 2.12) wat het gevolg is van het feit dat [betrokkene 2] niet is opgeroepen tot hervatting van de procedure. Ter comparitie heeft [eiser 1] verklaard dat [betrokkene 2] (die ter comparitie aanwezig was) van maart 2003 tot eind december 2004 ‘in de schuldsanering heeft gezeten’. [gedaagde] heeft zich bij akte na comparitie op het standpunt gesteld dat zijn vordering op [betrokkene 2] door toepassing van de schuldsaneringsregeling niet langer afdwingbaar is (waar [gedaagde] bij akte na comparitie van 19 oktober 2005, onder 2, spreekt van ‘zijn vordering op haar’, doelt hij, naar de rechtbank uit de verdere inhoud van de akte begrijpt, met het woord ‘haar’ op [betrokkene 2]). Het komt [gedaagde] daarom passend voor, zo stelt hij, om [betrokkene 2] niet ook in het geding te betrekken. De rechtbank is van oordeel dat aan hervatting van de procedure in dit geval niet in de weg staat dat een van de erfgenamen niet is opgeroepen. Het is niet noodzakelijk dat de beslissing over de vorderingen in de hoofdzaak ten aanzien van alle erfgenamen hetzelfde luidt, met andere woorden, er is geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding. Deze vorderingen betreffen immers vorderingen tot betaling van een geldsom, terwijl artikel 4:182 lid 2 BW zelfs meebrengt dat de erfgenamen slechts aansprakelijk zijn voor een deel daarvan, evenredig aan hun erfdeel.

Ten aanzien van [eiser 1]

2.3 [eiser 1] heeft onder verwijzing naar artikel 4:110 4 (oud) BW gesteld dat zij geen erfgenaam is omdat zij de nalatenschap bij akte van 4 februari 2002 heeft verworpen. [gedaagde] heeft dit laatste niet betwist, maar heeft gesteld dat deze verwerping zonder gevolg blijft omdat [eiser 1] al eerder door daden van aanvaarding de nalatenschap zuiver zou hebben aanvaard. Deze daden van aanvaarding bestaan erin, zo heeft [gedaagde] gesteld, dat [eiser 1] de drukkerij na het overlijden van haar vader heeft geleid en daaruit inkomen heeft genoten. Voorts wijst [gedaagde] op de datum van de akte van verwerping.

2.4 De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden, nog daargelaten dat deze deels zijn betwist, niet tot de conclusie leiden dat [eiser 1] daarmee daden van aanvaarding heeft verricht in de zin van artikel 4:109 4 (oud) BW. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Ter comparitie is het testament van [betrokkene 1] en de verklaring van toedeling van 10 november 2000 in het geding gebracht. [gedaagde] heeft het bestaan en de geldigheid van deze stukken niet betwist. Bij testament heeft [betrokkene 1] bepaald dat aan zijn echtgenote alle goederen van de nalatenschap zouden worden toegedeeld onder de verplichting om alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen. Door de daardoor plaatshebbende overbedeling zal de weduwe, zo bepaalt het testament, aan de overige erfgenamen (de kinderen) schuldig zijn een bedrag, gelijk aan de waarde van hun erfdeel. Deze schuld zal echter eerst opeisbaar zijn bij haar overlijden. Uit de akte van toedeling van 10 november 2000 blijkt dat de goederen uit de nalatenschap ook daadwerkelijk aan de weduwe zijn toegedeeld. Als gevolg van deze boedelverdeling werd [betrokkene 2] rechthebbende op al hetgeen tot de drukkerij behoorde. Vanaf dat moment was de exploitatie van de drukkerij voor haar rekening en risico.

2.5 Onder deze omstandigheden kwamen de werkzaamheden die [eiser 1] in de drukkerij verrichtte ten goede aan [betrokkene 2], die immers als enige gerechtigd was tot de opbrengsten van de drukkerij. Het verrichten van werkzaamheden in de drukkerij kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekenschetst als gedrag van een erfgenaam die ondubbelzinnig en zonder voorbehoud zuiver heeft aanvaard. Het licht veel meer voor de hand dat [eiser 1], zoals zij ook stelt, met haar werkzaamheden de belangen van haar moeder behartigde. Of zij nu al dan niet het bedrijf leidde, acht de rechtbank in dit kader dan ook niet relevant. Of zij voor haar werkzaamheden een vergoeding genoot, zoals [gedaagde] stelt en [eiser 1] betwist, acht de rechtbank evenmin relevant. Zelfs indien dit zo zou zijn, dan nog behoeft dat aan het karakter van haar werkzaamheden in het belang van haar moeder niet af te doen. Dat de verklaring van toedeling eerst dateert van 10 november 2000 leidt niet tot een ander oordeel. Reeds in het licht van de bepalingen van het testament, nog afgezien van de verklaring van toedeling, is de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden ten behoeve van de onderneming door [eiser 1] niet als een daad van aanvaarding van de nalatenschap kunnen worden beschouwd. Tenslotte ziet de rechtbank in de datum van verwerping van de nalatenschap evenmin een aanwijzing voor een eerdere stilzwijgende zuivere aanvaarding. Zelfs indien [eiser 1] eerst in 2002 tot verwerping is overgegaan, omdat haar pas toen de toestand van de boedel duidelijk was, doet dit er niet aan af dat haar handelen tot op dat moment in het licht van het testament en de verklaring van toedeling dient te worden beschouwd als een handelen in het belang van haar moeder en niet als een stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap.

2.6 Nu [eiser 1] op 4 februari 2002 de nalatenschap heeft verworpen en de door [gedaagde] gestelde feiten niet tot de conclusie leiden dat [eiser 1] de nalatenschap voordien zuiver zou hebben aanvaard, wordt zij geacht nooit erfgenaam te zijn geweest. De aanzegging tot hervatting van de procedure mist derhalve rechtsgevolg voorzover zij is gericht tegen [eiser 1]. [gedaagde] zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van [eiser 2]

2.7 [eiser 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen erfgenaam is van Benschop. Hij heeft, zo stelt hij, de nalatenschap niet aanvaard. Hij had geen contact meer met zijn vader en had niets vernomen omtrent de nalatenschap. Bovendien is er sprake van een langstlevendentestament.

2.8 De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [eiser 2] is bij testament (onder III sub A, Erfstelling) tot erfgenaam benoemd. De omstandigheid dat sprake is van (een ouderlijke boedelverdeling in) een langstlevendentestament maakt dit niet anders. Het enkele feit dat [eiser 2] (nog) geen keuze heeft gemaakt tussen de mogelijkheden die artikel 4:190 BW hem biedt, heeft evenmin tot rechtsgevolg (zoals de rechtbank ook al in haar tussenvonnis van 15 juni 2005 heeft overwogen) dat hij geen erfgenaam is. [eiser 2] is erfgenaam tenzij hij de nalatenschap alsnog verwerpt, in welk geval hij met terugwerkende kracht wordt geacht nooit erfgenaam te zijn geweest. Bij gebreke daarvan dient het verzoek tot hervatting jegens [eiser 2] te worden gehonoreerd.

2.9 Uit een oogpunt van proceseconomie werpt de rechtbank echter reeds thans het volgende op. Zo de procedure zou uitmonden in gehele of gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [gedaagde], dan is de vraag of hij zijn vordering op [eiser 2] zal kunnen verhalen. Uitgangspunt is immers dat de eventuele vordering van [gedaagde] op [eiser 2] slechts op de boedel kan worden verhaald en in beginsel niet op privévermogen van [eiser 2] Gelet op de toedeling van alle goederen van de nalatenschap aan [betrokkene 2] en de schuldsanering waarin zij heeft verkeerd, ligt niet voor de hand dat verhaal op de boedel mogelijk is. [eiser 2] zal slechts gehouden zijn de vordering van [gedaagde] ten laste van zijn (eigen) overig vermogen te voldoen - de goederen van de nalatenschap zijn alle aan [betrokkene 2] toegedeeld -, indien hij tegen die tijd de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, zo volgt uit artikel 4:182 lid 2 BW . Dat [eiser 2] dat heeft gedaan is niet gesteld of gebleken. In dit een en ander ziet de rechtbank aanleiding de zaak naar de rol te verwijzen voor akte aan de zijde van [gedaagde] waarin hij zich erover kan uitlaten of hij nog steeds prijs stelt op hervatting van de procedure in de hoofdzaak tegen [eiser 2] [eiser 2] zal daarop nog bij akte mogen reageren.

De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 5 april 2006 voor het nemen van een akte aan de zijde van [gedaagde] als bedoeld in rechtsoverweging 2.9;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2006.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature