Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Schadevergoeding; WAM.

Uitspraak



Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 109034 / HA ZA 04-144

Datum vonnis: 10 november 2004

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 23 januari 2004,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. L.F. Portier te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOVEMIJ VERZEKERING B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. A.E. Klaasen te Nijmegen.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 14 april 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dat vonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Vervolgens zijn de volgende processtukken gewisseld.

? een akte van de zijde van [eiser] van 18 augustus 2004 met producties;

? een akte van de zijde van Bovemij van 18 augustus 2004 met producties;

? een akte van de zijde van Bovemij van 1 september 2004.

Vervolgens is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 Volgens een rapport van de politie, regio Limburg Noord, (dat zich bij de stukken bevindt) heeft op 24 april 1996 om 5.20 uur aan de [adres] ter hoogte van de spoorwegovergang in de gemeente [plaats] een ongeval plaatsgevonden met een door [betrokkene 1] bestuurde personenauto (kenteken [nummer]). [betrokkene 1] zou volgens dat rapport een bocht naar rechts in de weg niet voldoende hebben opgemerkt, in een rechte lijn over de spoorrails zijn gereden en vervolgens in een naast de spoorlijn gelegen greppel terecht zijn gekomen. Het rapport vermeldt dat [betrokkene 1] gewond is geraakt (kneuzingen en shocktoestand) en naar het ziekenhuis is vervoerd. Van andere inzittenden wordt in het rapport geen melding gemaakt. Het rapport vermeldt verder dat de auto is verzekerd bij Bovemij.

1.2 Stellende dat hij op 24 april 1996 door Interzend BV, nevengevestigd onder de naam Interzend Uitzendbureau 'Interzend telemarketing' op basis van een uitzendovereenkomst bij een derde was tewerkgesteld, dat hij op die datum in opdracht van Interzend met de door [betrokkene 1] bestuurde auto naar de plaats van het werk werd vervoerd, dat die auto in een greppel terecht is gekomen en dat hij als gevolg van dat ongeval gewond is geraakt, heeft [eiser] Interzend bij brief van 14 juli 1997 aansprakelijk gesteld voor de schade en vervolgens op 21 december 1998 gedagvaard voor de rechtbank Breda. [eiser] vorderde dat de rechtbank voor recht verklaart dat Interzend onrechtmatig jegens hem had gehandeld en voorts dat Interzend wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat.

1.3 Bij onherroepelijk op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank Breda van 23 januari 2001 is geoordeeld, kort gezegd, dat niet Interzend maar [betrokkene 1] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat Interzend op de voet van art. 6:170 BW dan wel art. 6:171 BW aansprakelijk is voor de door de fout van [betrokkene 1] veroorzaakte schade. De rechtbank heeft Interzend vervolgens veroordeeld tot betaling van schade aan [eiser], nader op te maken bij staat.

1.4 Bij brief van 3 juli 2002 heeft [eiser] Bovemij geschreven dat hij op grond van de WAM een rechtstreekse aanspraak op haar als verzekeraar heeft en verzocht hij Bovemij tot betaling van een voorschot op de schade ter hoogte van € 10.000,--. In reactie daarop heeft Bovemij bij brief van 17 juli 2002 geschreven dat in haar visie de vordering op grond van art. 10 lid 1 WAM was verjaard.

1.5 Bij brief van 28 januari 2003 heeft deurwaarderskantoor Timmermans & Verdult te Bergen op Zoom geschreven dat Interzend BV is opgeheven en dat ook alle nevenvestigingen in Bergen op Zoom niet meer in het Handelsregister zijn geregistreerd.

Het geschil

2. Stellende dat hij zich op 24 april 1996 als passagier in de door [betrokkene 1] bestuurde, en bij Bovemij verzekerde, auto bevond en dat hij op grond van art. 6 WAM een eigen recht op schadevergoeding heeft jegens Bovemij als verzekeraar vordert [eiser] dat de rechtbank Bovemij zal veroordelen tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat.

3. Bovemij voert gemotiveerd verweer. Daarop zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

4. Bovemij heeft er op de comparitie onweersproken op gewezen dat een niet bestaande rechtspersoon is gedagvaard te weten Bovemij Verzekering BV terwijl dit had moeten zijn NV Schadeverzekering- Maatschappij Bovemij. Zij heeft meegedeeld er mee te kunnen instemmen dat op dit punt de dagvaarding verbeterd wordt gelezen. Daarom zal de rechtbank de dagvaarding verbeterd lezen, met dien verstande dat waar is gedagvaard ‘Bovemij Verzekering BV’ gelezen moet worden ‘NV Schadeverzekering- Maatschappij Bovemij’ .

5. Bovemij beroept zich er op dat de vordering van [eiser] op grond van art. 10 lid 1 WAM is verjaard. Die bepaling bevat een korte verjaringstermijn van 3 jaar. Op grond daarvan verjaart het eigen recht tegen de verzekeraar door verloop van 3 jaar, te rekenen vanaf het feit waaruit de schade is ontstaan. Als begindag van die termijn geldt de dag na de datum van het feit waaruit schade is ontstaan en daaronder moet worden verstaan de datum van het ongeval. Voor het onderhavig geval betekent dit dat de verjaringstermijn van 3 jaar is gaan lopen op 25 april 1996 en is voltooid op 25 april 1999, tenzij de verjaring is gestuit op de wijze als bedoeld in art. 10 lid 4 of art. 10 lid 5 WAM.

6. Volgens [eiser] dient te worden uitgegaan van de verjaringstermijn van art. 3:310 BW. Dat standpunt wordt niet gedeeld. De verjaringsregeling van art. 10 WAM geeft een bijzondere regeling voor de verjaring van een directe vordering op grond van art. 6 WAM jegens de verzekeraar. Zij verhoudt zich daardoor tot de regeling van art. 3:310 BW als een bijzondere regel tot een algemene, hetgeen tot gevolg heeft dat de algemene regel buiten toepassing blijft. De regeling van art. 10 WAM is duidelijk en biedt voldoende zekerheid.

7. Lid 5 van art. 10 WAM kent een bijzondere vorm van stuiting door iedere vorm van onderhandelingen tussen de verzekeraar en de benadeelde. Bij beantwoording van de vraag of sprake is geweest van onderhandelingen in de zin van het artikel is 'niet beslissend (...) of de verzekeraar de indruk geeft bereid te zijn de schade te dragen, maar alleen of de verzekeraar zich zodanig heeft uitgelaten dat de benadeelde niet hoeft aan te nemen dat de verzekeraar een regeling zonder meer uitsluit' (BGH 20 oktober 1989, NJ 1990, 660). Gesteld noch gebleken is dat tussen [eiser] en Bovemij vóór 25 april 1999 sprake is geweest van onderhandelingen in de zin van deze bepaling. In zoverre is de verjaring van art. 10 lid 1 WAM dus niet gestuit.

8. Op grond van art. 10 lid 4 WAM stuiten handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde tegen een verzekerde stuiten, tevens de verjaring van de rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeraar. Die bepaling kan niet anders worden begrepen dan als mee te brengen dat ingeval van een rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar op grond van art. 6 WAM de stuiting van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekerde - op het bestaan van welke rechtsvordering het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar mede is gebaseerd - ook tegen de verzekeraar kan worden ingeroepen (HR 12 februari 1982, NJ 1982, 563). Beoordeeld moet dus worden of de rechtsvordering van [eiser] tegen de verzekerde vóór 25 april 1999 is gestuit, in welk geval die stuiting ook tegen Bovemij kan worden ingeroepen.

9. Verzekerden zijn zij wier aansprakelijkheid overeenkomstig de bepalingen van de WAM is gedekt (art. 1 WAM). In art. 3 lid 1 WAM worden de als verzekerden aan te merken personen genoemd, te weten de bezitter, de houder en de bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede de passagier. Aangenomen moet verder worden dat de werkgever van genoemde personen, indien hij krachtens art. 6:170 BW aansprakelijk is voor de schade die door één van hen is veroorzaakt, met een verzekerde in de zin van art. 3 lid 1 WAM moet worden gelijkgesteld.

10. Het staat vast dat het voertuig met het kenteken [nummer] op 24 april 1996 krachtens de WAM verzekerd was bij Bovemij. Volgens de door Bovemij bij antwoord en op de comparitie gegeven toelichting was die auto bij haar krachtens de WAM verzekerd door Autocentrum Oosterhout BV (thans: Autocentrum Dongen BV), de eigenaar/bezitter van de auto. Autocentrum Oosterhout BV had de auto's die tot haar handelsvoorraad behoorden, waaronder de auto met het kenteken [nummer], met een zogenoemde 'WAM-strik' bij haar verzekerd. Verder heeft Bovemij aangevoerd dat het betreffende voertuig door Autocentrum Oosterhout BV als vervangend voertuig in verband met een reparatie was uitgeleend aan Loonbedrijf [betrokkene 2] BV. Deze door Bovemij gegeven toelichting is door [eiser] niet bestreden zodat daarvan moet worden uitgegaan. Door [eiser] is op de comparitie erkend dat de bezitter van de auto, Autocentrum Oosterhout BV, nooit ter zake van vergoeding van schade door hem is aangesproken. Daarmee is gegeven dat de eventuele rechtsvordering tegen de verzekeringnemer/bezitter van de auto nimmer is gestuit.

11. De vraag of Loonbedrijf [betrokkene 2] BV, aan wie de auto als vervangend voertuig was uitgeleend, op 24 april 1996 als houder in de zin van art. 3 lid 1 WAM moet worden aangemerkt, kan in het midden blijven omdat gesteld noch gebleken is dat ooit handelingen hebben plaatsgevonden die een eventuele rechtsvordering van [eiser] tegen Loonbedrijf [betrokkene 2] BV hebben gestuit. Om die reden kan ook onbesproken blijven de vraag of Loonbedrijf [betrokkene 2] BV (dat in het als productie 23 overgelegde uittreksel uit het Handelsregister van 6 mei 2002 als gevolmachtigde van Interzend staat vermeld) met Interzend zou moeten worden vereenzelvigd.

12. Ook de vraag of [betrokkene 1] op 24 april 1996 bestuurder was van de auto kan onbesproken blijven omdat op de comparitie door [eiser] is erkend dat [betrokkene 1] ter zake van vergoeding van schade als gevolg van het ongeval nooit door hem is aangesproken. Van stuiting van een eventuele rechtsvordering tegen [betrokkene 1] is derhalve evenmin sprake geweest.

13. In het vonnis van 23 januari 2001 is in de procedure tussen [eiser] en Interzend op grond van de in rov. 2.2 vastgestelde feiten geoordeeld dat [betrokkene 1] als bestuurder jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en dat Interzend voor de schade aansprakelijk is hetzij op grond van art. 6:170 BW - indien [betrokkene 1] als ondergeschikte van Interzend moet worden aangemerkt - danwel op grond van art. 6:171 BW indien Interzend slechts het vervoer aan [betrokkene 1] heeft opgedragen. De juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten en het daarop gebaseerde oordeel zijn door Bovemij gemotiveerd bestreden. Aan dat vonnis komt in het onderhavig geschil tegenover Bovemij geen gezag van gewijsde toe omdat zij in die procedure niet de positie van procespartij heeft gehad (art. 9 lid 1 WAM) en zich evenmin de situatie voordoet dat Bovemij in feite de leiding van het geding tussen [eiser] en Interzend op zich heeft genomen (art. 9 lid 2 WAM).

14. De rechtbank zal er echter veronderstellenderwijs van uitgaan dat [eiser] zich op 24 april 1996 als passagier bevond in de door [betrokkene 1] bestuurde auto, dat hij bij het ongeval gewond is geraakt en dat [betrokkene 1] ondergeschikte was van Interzend. Op grond van hetgeen onder 9 is overwogen kan Interzend dan, als op grond van art. 6:170 BW aansprakelijke werkgever van de bestuurder, met een verzekerde in de zin van art. 3 lid 1 WAM worden gelijkgesteld. De verjaring van de rechtsvordering van [eiser] tegen Interzend kan in de eerste plaats zijn gestuit door de schriftelijke aanmaning van 14 juli 1997, indien die brief (aangetekend) naar het juiste adres is verzonden en aannemelijk is dat die brief ook aan Interzend is aangeboden. De bewijslast daarvan rust overigens op [eiser] (HR 4 juni 2004, RvdW 2004, 82). In dat geval gaat een nieuwe termijn van drie jaar lopen als bedoeld in art. 10 lid 1 WAM, derhalve tot 14 juli 2000. In het midden kan blijven of die stuiting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Interzend is immers op 21 december 1998, derhalve binnen de lopende verjaringstermijn, gedagvaard. Dat heeft tot gevolg dat de verjaring van de rechtsvordering tegen Interzend in ieder geval op dat moment is gestuit en daarmee tevens de rechtsvordering van [eiser] tegen de verzekeraar (art. 10 lid 4 WAM). De verjaringstermijn van art 10 lid 1 WAM eindigt dan op 21 december 2001. Volgens [eiser] is vanaf 23 augustus 2001 contact met de deurwaarder geweest om het vonnis van 23 januari 2001 aan Interzend te betekenen hetgeen niet is gebeurd. Ook voor het overige zijn geen feiten gesteld waaruit kan volgen dat er tijdig vóór 21 december 2001 handelingen hebben plaatsgevonden die de rechtsvordering tegen Interzend en daarmee de rechtstreekse vordering van [eiser] tegen Bovemij hebben gestuit. De conclusie moet dus zijn dat de termijn van verjaring van de rechtstreekse vordering van [eiser] tegen Bovemij in ieder geval op 21 december 2001 is voltooid. Op 27 augustus 2002 (de datum waarop [eiser] zich voor het eerst per brief tot Bovemij heeft gewend) was de op art. 6 WAM gegronde vordering van [eiser] tegen Bovemij dus reeds lang verjaard. Het verjaringsverweer slaagt derhalve.

15. Daaraan doet niet af dat Interzend, naar [eiser] stelt en Bovemij betwist, zou zijn opgeheven. Dat dit het geval is volgt overigens nog niet uit het als productie 23 bij akte overgelegde uittreksel uit het Handelsregister van 6 mei 2002 waarin slechts is vermeld dat de registratie van Interzend op 2 juli 1996 is beëindigd. In dat verband verdient opmerking dat Interzend op 21 december 1998 is gedagvaard en in de procedure is verschenen en verweer heeft gevoerd. De brief van de deurwaarder van 28 januari 2003 geeft evenmin duidelijkheid omdat niet wordt vermeld met ingang van welke datum Interzend dan zou zijn opgeheven en waaruit dit dan kan blijken, terwijl de in die brief genoemde uittreksels uit het Handelsregister niet zijn overgelegd. Ten slotte: het vonnis van de rechtbank Breda dateert van 23 januari 2001 en er zijn door [eiser] geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat hij in de periode gelegen tussen 23 januari 2001 en 23 augustus 2001 (de datum waarop het vonnis ter betekening aan de deurwaarder wordt gezonden) de lopende verjaringstermijn niet heeft kunnen stuiten, bijvoorbeeld door betekening van het vonnis aan het vestigingsadres te Bergen op Zoom en/of aan het adres van de hoofdvestiging te Enschede dan wel door het sturen van een schriftelijke mededeling aan Interzend in verband met zijn aanspraak tot vergoeding van schade op te maken bij staat.

16. Op grond van het vorenstaande dient aan [eiser] zijn vordering te worden ontzegd. Als de in het ongelijk gestelde partij dient hij de proceskosten te dragen.

De beslissing

De rechtbank, recht doende,

ontzegt aan [eiser] zijn vordering;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Bovemij begroot op € 241,-- voor verschotten en op € 1170,-- voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol, rechter, en uitgesproken in het openbaar op woensdag 10 november 2004.

De griffier: De rechter:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature