Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Schadevergoeding;

Medische kunstfouten;

Vraag of medische kunstfouten zijn gemaakt. Provisionele vordering.

Uitspraak



Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 113451 / HA ZA 04-901

Datum vonnis: 7 juli 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te A,

eiser in de hoofdzaak en in het incident,

procureur mr. W.D. Huizinga,

advocaat mr. J.W. Both te Kampen,

tegen

de stichting

STICHTING NIJMEEGS INTERCONFESSIONEEL ZIEKENHUIS CANISIUS-WILHELMINA,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde in de hoofdzaak en verweerder in het incident,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. E.J.C. de Jong te Utrecht.

De partijen worden hierna kortweg ‘X’ en ‘het CWZ’ genoemd.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak en in het incident

Na het uitbrengen van de dagvaarding, waarbij naast een eis in de hoofdzaak ook een provisionele vordering is ingesteld, heeft het CWZ een conclusie van antwoord in het incident genomen. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 Op 28 september 1998 is bij X in het CWZ operatief de galblaas weggenomen. Deze operatie (hierna ook wel cholecystectomie genoemd) is uitgevoerd door dr. B, toen werkzaam op de afdeling Algemene heelkunde van het CWZ. Het was de bedoeling de operatie laparoscopisch uit te voeren, maar in verband met verklevingen in het te opereren gebied is tijdens de ingreep besloten deze te converteren in een klassieke (open) buikoperatie, zo blijkt uit het operatieverslag. Op 3 oktober 1998 is X uit het ziekenhuis ontslagen.

1.2 Op 7 oktober 1998 heeft X zich met buikpijnklachten gemeld bij de afdeling Spoedeisende hulp van het CWZ. Tijdens de tot en met 26 oktober 1998 durende ziekenhuisopname die hierop volgde is X herhaaldelijk onderzocht. De interniste dr. C werd in medebehandeling gevraagd. Laboratoriumonderzoek wees onder andere uit dat de leverfuncties van X fors waren verhoogd, waardoor aanvankelijk werd gedacht aan een infectie in het operatiegebied. Antibiotica werden voorgeschreven en verder werd een afwijkend beleid gevoerd. Er zijn verscheidene röntgenfoto’s en een CT-scan van onder andere de (boven-)buik gemaakt, alsmede een MRI-scan van de galwegen. Daarop werden geen afwijkingen gezien die de buikklachten van X konden verklaren. Over de MRI heeft de radioloog in het rappor van 12 oktober 1998 geschreven, onder meer:

“Medische gegevens bij de aanvraag X9

Tien dagen geleden cholecystectomie. Retour met leverfunctiestoornissen. Pijn in abdomen en temp. 38,7. Afwijkingen aan lever en galwegen?

MRI ABDOMEN

Conform de bevindingen van de echo en de C.T. wordt een slank galwegsysteem gevonden. In de ductus choledochus [de galbuis die ontstaat uit de vereniging van de afvoerbuis van de galblaas en de uitlozingsbuis van de lever; rb] geen aanwijzingen voor stenen. Geen obstructie-verschijnselen. De vochtcollectie in het galblaasbed wordt teruggezien. Deze heeft een doorsnede van max. ongeveer 4 cm. De lever laat geen bijzonderheden zien.”

De toestand van X en de leverfunctiestoornissen verbeterden. Het afwachtend beleid werd daarom voortgezet.

1.3 X bleef ook nadien wegens buikklachten onder behandeling bij dr. C en is door haar vanaf januari 1999 vele malen poliklinisch gezien. Begin februari 1999 is opnieuw een echografie van de bovenbuik gemaakt. Het rapport van de radioloog d.d. 9 februari 1999 vermeldt een normaal beeld van onder andere de ductus choledochus. Bij brief van 27 mei 1999 heeft C aan de huisarts van X geschreven, onder andere:

“Het gaat patiënt redelijk. Toch blijft er een wat zeurende pijn in de rechter bovenbuik en een vergrote lever bij lichamelijk onderzoek. Ik heb hem gevraagd absoluut geen alcohol meer te gebruiken en daarna werden de leverfuncties opnieuw gecontroleerd; deze toonden een lichte verbetering.

Het is nog steeds mogelijk dat er sprake is van een strictuur [vernauwing; rb] van de ductus choledochus, ontstaan na de cholecystectomie. Indien zijn leverfuncties persisteren zal ik toch proberen patiënt over te halen een ERCP [endoscopische retrograde cholangio-pancreaticografie; rb] te ondergaan ter uitsluiting van een strictuur.

Tot op heden voelt patiënt daar weinig voor omdat het hem wat beter gaat. Ik houd u op de hoogte.”

1.4 Van 24 januari 2000 tot en met 2 februari 2000 was X weer opgenomen in het CWZ. Bij brief van 3 februari 2000 heeft de internist dr. D aan de huisarts van X, onder meer, geschreven:

“(...)

Anamnese: patient vertelt sedert een week buikpijn te hebben in de bovenbuik. Het zou begonnen zijn nadat hij een keer niet lekker was geworden op het werk waarna de klachten elke avond terugkwamen. Hij vertelt deze pijn nooit eerder te hebben gehad met name niet in verband met zijn vorige bovenbuiksklachten. (...)

(...)

Bespreking: patient werd opgenomen ter analyse van zijn bovenbuiksklachten. Er werd o.a. gedacht aan maag- of pancreaspathologie, mede gezien het amylase werd dit laatste minder waarschijnlijk geacht. Derhalve werd een gastroscopie verricht, waarbij multiple kleine erosies in het corpus, antrum en het duodenum gevonden werden. De slokdarm liet geen afwijkingen zien. Dit beeld past bij chronisch NSAID-, aspirine of alcoholgebruik. Hierop werd gestart met Pepcidin waarop de klachten minder werden. Gedurende de opname rees het vermoeden dat er een discrepantie bestond tussen de gevonden afwijkingen en de subjectieve pijnbeleving van patient. Tevens leek het alsof patient af en toe verward raakte en incoherent antwoordde op vragen. Mede gezien het feit dat patient in de thuissituatie behandeld werd door een psycholoog i.v.m. sexueel misbruik in het verleden, werd een psychiatrisch consult gevraagd. Deze bevestigde de emotionele problematiek i.v.m. problemen in het verleden en dacht dat het zeer wel mogelijk zou zijn dat deze problemen een rol speelden bij de pijnbeleving van patient. Intussen verging het patient klinisch steeds beter en kon de Temgesic afgebouwd worden tot 1 x daags 0,2 mg zonodig. Op 2.2.00. is patient derhalve in redelijke conditie uit het ziekenhuis ontslagen. (...)”.

1.5 Op 23 november 2000 wordt in het CWZ bij X een MRI van zijn buik gemaakt. Het rapport van afdeling Radiologie van 28 november 2000 vermeld (onder meer):

“MCRP: gelegen direct proximaal van het confluens is er een strictuur zichtbaar in de rechter galgang. Meer naar proximaal zijn een aantal kleinere stricturen zichtbaar in zowel de rechter als de linker hoofdductus. Gezien het aspect van de eerst genoemde strictuur kan sprake zijn van een postoperatieve strictuur. De meer naar proximaal gelegen stricturen kunnen een gevolg zijn van een doorgemaakte cholangitis [ontsteking van de galwegen; rb]. Bij dit onderzoek zijn er geen contrastuitsparingen zichtbaar verdacht voor concrementen [galstenen of -gruis; rb]. Geen tekenen voor maligniteit.”.

1.6 Vervolgens is op 12 december 2000 een ERCP gemaakt bij X. Het rapport van de radioloog vermeldt hierover:

“Na inbrengen van contrast is ook op de E.R.C.P. de stenose [vernauwing; rb] goed zichtbaar en ligt vlak voor het tamelijk laag gelegen confluens. Het gelukt niet deze tak te canuleren: door de bocht in het distale traject van de beide distale ductuli en de ductus cholodochus schiet de catheter steeds in de andere galgang. Het beeld komt overeen met dat van de M.R.I.”.

1.7 Bij brief van 1 februari 2001 heeft dr. C aan E, verzekeringsarts bij het GAK, geschreven (onder andere):

“Bespreking: de wisselende leverfunctiestoornissen + de pijn die patiënt aangeeft, zowel bij canuleren als spontaan, doet denken aan dysfunctie van de sphincter van Oddi. Na de ERCP met pre-cut papillotomie lijkt het wel iets beter te gaan met patiënt. Wij hebben hem Isordil voorgeschreven. Dit zou een goed effect hebben bij papil van Vater-dysfunctie en hij vertelt dat deze tabletjes inderdaad goed helpen, maar slechts kortdurend. De stenose die zichtbaar is in de rechter galgang toont geen prestenotische dilatatie [verwijding; rb] en is waarschijnlijk niet van grote betekenis. Het is vermoedelijk het gevolg na de cholecystectomie.

Daarnaast heeft patiënt klachten van vergeetachtigheid, chronische moeheid en algehele malaise, waarvoor ik geen goede verklaring heb.”.

1.8 In september 2001 heeft X zich in verband met zijn aanhoudende buikpijnklachten tot het Universitair Medisch Centrum Nijmegen St. Radboud (hierna: het Radboudziekenhuis) gewend voor een second opinion en verdere behandeling.

1.9 De raadsman van X heeft het CWZ bij brief van 26 november 2002 aansprakelijk gesteld wegens, samengevat, gemaakte fouten bij de medische behandeling aldaar. Nadat MediRisk, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het CWZ, aansprakelijkheid bij brief van 12 mei 2003 van de hand wees, heeft prof. dr. F, internist en medisch adviseur te Nijmegen, op verzoek van (alleen) X een ‘Analyse kwaliteit medisch-chirurgisch handelen’ opgemaakt met betrekking tot de aan X in het CWZ en in het Radboudziekenhuis verleende medische (na-)zorg, aan de hand van het medisch dossier. De analyse van F is gedateerd 3 juni 2003 en vermeldt onder meer, samengevat en zakelijk weergegeven, dat in het Radboudziekenhuis vanaf januari 2002 verscheidene ERCP’s hebben plaatsgevonden waarbij een (scherpe korte) stenose in de rechter hepaticus [uitlozingsbuis van de lever; rb] is gezien die kan berusten op een bij de operatie van 1998 om die buis geplaatste hechting.

1.10 X heeft MediRisk bij brief van 11 juni 2003 met de analyse van F geconfronteerd en verzocht alsnog aansprakelijkheid van het CWZ te erkennen. MediRisk heeft in haar brief van 18 juni 2003 volhard in de afwijzing van aansprakelijkheid. Zij heeft daarbij voorgesteld de aansprakelijkheidskwestie voor te leggen aan een of twee onafhankelijke, gezamenlijk in te schakelen deskundigen, waarbij de in het ongelijk gestelde partij uiteindelijk de kosten zou moeten dragen.

1.11 X heeft, nadat (zo blijkt uit de analyse van F) in het Radboudziekenhuis verschillende malen zonder blijvend resultaat is gepoogd de stenose door middel van dilatatieballonnen te verwijden, op 12 augustus 2003 een open buikoperatie ondergaan waarbij een kunstmatige verbinding is gemaakt aan de galwegen.

1.12 Op verzoek van (alleen) X heeft dr. G, abdominaal chirurg verbonden aan het Radboudziekenhuis, een rapportage opgesteld met betrekking tot de medische behandeling van X in het CWZ. G is blijkens zijn rapportage, die hij op 19 februari 2004 aan F heeft gezonden, van mening dat in 1998 de galblaasverwijdering voor zover te beoordelen lege artis is uitgevoerd, maar hij besluit zijn rapport met de opmerking dat het diagnosticeren van de strictuur in de galwegen en het correleren van de klachten aan deze strictuur (te) lange tijd in beslag heeft genomen.

Het geschil in de hoofdzaak en in het incident

2.1 In de hoofdzaak heeft X gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren dat het CWZ jegens hem aansprakelijk is wegens één of meer begane medische kunstfouten en zal bepalen dat de daardoor geleden en nog te lijden schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend als volgens de wet, met veroordeling van het CWZ in de kosten van dit geding.

2.2 De kunstfouten die de behandelend artsen van het CWZ worden verweten zijn, samengevat, de volgende. Ten eerste is volgens X tijdens de galblaasverwijdering in 1998 een hechting om één van de vitale galwegen (de rechter choledochus) gelegd. Ten tweede is het door deze fout veroorzaakte galwegletsel in het CWZ te laat onderkend. Door de beide fouten is een ernstige, blijvende vernauwing van of rondom de betrokken galweg opgetreden, hetgeen heeft geleid tot ernstige aantasting van verschillende functies, waaronder de leverfunctie, aldus X.

2.3 X heeft naast zijn vorderingen in de hoofdzaak ook een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ingesteld. Deze vordering strekt tot veroordeling van het CWZ tot betaling aan hem van een bedrag ad € 50.000,--, vooruitlopend op het bedrag dat het CWZ op basis van het in de hoofdzaak te wijzen vonnis aan hem zal moeten betalen. Het gevorderde bedrag betreft een deel van het smartengeld waarop X in de hoofdzaak (schadestaatprocedure) aanspraak zal maken. Als gronden voor de toewijzing hiervan noemt hij, onder meer, de (soms ondraaglijke) pijn die hij gedurende vijf jaar heeft geleden en de (bijna) fatale gevolgen van de fouten. Daarnaast betreft de provisionele eis een deel van de materiële schade, zoals veelvuldig ziekenhuisbezoek en -opname, vervoerskosten, kosten huishoudelijke hulp, verlies van verdiencapaciteit en kosten van rechtsbijstand en expertises. Volgens X is inmiddels langere tijd verstreken dan hij kan en behoeft te wachten op de schadevergoeding, gelet op de evidente medische fouten.

2.4 Het CWZ heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de incidentele vordering.

De beoordeling van de gevorderde voorlopige voorziening

3. Vooropgesteld moet worden dat voor een provisionele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 Rv is vereist dat een bodemprocedure aanhangig is, dat samenhang bestaat tussen hetgeen bij wijze van voorlopige voorziening wordt gevorderd en het gevorderde in de bodemzaak en dat de eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering in die zin dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Aan de eerste twee vereisten is zonder meer voldaan, zo volgt uit het voorgaande. Ook aan het derde vereiste is voldaan, nu aannemelijk is dat X door de medische behandelingen en ziekenhuisopnames voor aanzienlijke kosten zal zijn geplaatst en hij rond moet komen van een sociale uitkering.

4. Daarmee wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering, waarbij de belangen van de beide partijen zullen moeten worden afgewogen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de bodemzaak en de proceskansen daarin. Aangezien de gevorderde voorlopige voorziening een geldvordering betreft, komt het erop aan of het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate vaststaan om deze vanwege het spoedeisend belang vooruitlopend op de beslissing in de hoofdzaak toe te wijzen, rekening houdend met het restitutierisico. Gelet op de aard van de te geven beslissing bevat het hierna volgende slechts voorlopige oordelen.

5. Op grond van de informatie die thans voorhanden is kan niet worden gezegd dat het CWZ één of meer fouten heeft gemaakt bij de medische behandeling van X. X baseert zich voor die stelling op de door hem overgelegde rapporten van F en G. Nog daargelaten dat die rapporten ten aanzien van de eerste gestelde kunstfout niet in overeenstemming zijn met elkaar, geldt dat die tot stand zijn gekomen zonder (inhoudelijke) betrokkenheid daarbij van het CWZ. Nu het CWZ de bevindingen in die rapporten voldoende gemotiveerd en gedocumenteerd heeft betwist, kan de inhoud daarvan niet tot uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de vraag of er fouten zijn gemaakt. Bovendien heeft het CWZ betwist dat, als de gesuggereerde fout(en) wel zou(den) zijn gemaakt, causaal verband tussen die fout(en) en de klachten van X bestaat. Het is te verwachten dat in de bodemzaak, als daarvoor overigens voldoende is gesteld, eerst een deskundigenbericht zal worden gelast met betrekking tot de gestelde fouten. Dat betreft dus in wezen het onderzoek dat MediRisk al in juni 2003 heeft voorgesteld.

6. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestaan van de vordering in onvoldoende mate vaststaat. Dit betekent dat mede gezien het grote restitutierisico – X inkomsten bestaan volgens hem uit een sociale uitkering ‘op het laagst denkbare niveau’ – de voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

7. Nu X de in het ongelijk gestelde partij is, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd. De door het CWZ tevens gevorderde nakosten zullen niet worden toegewezen. Voor dergelijke, na de uitspraak ontstane kosten kan het CWZ zonodig om een bevelschrift verzoeken, op de voet van art. 237 lid 4 Rv.

8. Op grond van art. 337 lid 1 Rv kan tegen het provisionele deel van dit vonnis afzonderlijk hoger beroep worden ingesteld.

De beslissing

De rechtbank, recht doende

in het incident:

1. wijst het gevorderde af;

2. veroordeelt X in de kosten van de procedure in het incident, tot deze uitspraak aan de zijde van het CWZ bepaald op € 771,-- voor salaris procureur, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag te rekenen vanaf 14 dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

4. verwijst de zaak naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor conclusie van antwoord;

5. houdt iedere (verdere) beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004.

De griffier De rechter


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature