Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bedrieglijke bankbreuk. Faillisement. Faillisementsfraude. Inlichtingenplicht. Medeplichtigheid.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/731057-15

Datum uitspraak: 6 april 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [gba adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 april 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.A.M. Brok, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. J.F. van Halderen, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 november 2010 tot en met 12 januari 2015 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Weesp en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, terwijl haar echtgenote, mededader [medeverdachte] , in staat van faillissement is verklaard bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam van 2 november 2010, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn, mededader [medeverdachte] , schuldeiser(s), een of meerdere goederen, te weten geldbedragen, aan de boedel heeft onttrokken en/of betalingen heeft aangenomen, te weten (onder meer) over het jaar 2013 in totaal (ongeveer) 61.538,12 EURO en/of over het jaar 2014 in totaal (ongeveer) 29.432,40 EURO, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader haar mededaders' inkomsten/gelden uit arbeid/werkzaamheden buiten het zicht, beheer en bereik van de curator gebracht door (haar mededader in staat te stellen) die werkzaamheden te (laten) verrichten en/of te factureren onder naam van haar eenmanszaak [naam eenmanszaak] en/of (haar mededader in staat te stellen) haar bankrekening, te weten met IBAN-nummer [nummer] , te gebruiken, althans deze ter beschikking te stellen aan haar mededader;

subsidiair: [medeverdachte] op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 november 2010 tot en met 12 januari 2015 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Weesp en/of Utrecht, althans in Nederland, terwijl die [medeverdachte] in staat van faillissement is verklaard bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam van 2 november 2010, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), baten niet heeft verantwoord, te weten (onder meer) over het jaar 2013 in totaal (ongeveer) 61.538,12 EURO en/of over het jaar 2014 in totaal (ongeveer) 42.216,56 EURO en/of een of meer goederen, te weten geldbedragen, aan de boedel heeft onttrokken, te weten (onder meer) over het jaar 2013 in totaal (ongeveer) 61.538,12 EURO en/of over het jaar 2014 in totaal (ongeveer) immers heeft die [medeverdachte] (telkens) voor de curator verzwegen en/of niet opgegeven dat hij inkomsten had uit werkzaamheden die hij (onder meer onder de namen [naam B.V.1] en/of [naam eenmanszaak] ) verrichtte voor diverse (rechts)personen, waaronder [rechtspersonen] en/of (een) ander(en),

en/of

ter gelegenheid van zijn faillissement en/of op een of meer tijdstip(pen) waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een of meerdere schuldeiser(s), te weten (onder meer) [schuldeiser 1] en/of [schuldeiser 2] en/of [schuldeiser 3] , op enige wijze heeft bevoordeeld, immers heeft die [medeverdachte] (onder meer)

aan [schuldeiser 1] (factuur D-38-03) 2094,63 EURO betaald en/of

aan [schuldeiser 2] (facturen D-39-03, D-39-04, D-39-05, D-39-07 en D-39-08) 647,96 EURO en/of 449,18 EURO en/of 431,56 EURO en/of 323,98 EURO en/of 489,46 EURO betaald en/of

aan [schuldeiser 3] factuur met nummer 1152014 (factuur D-30-03) ad 544,50 EURO betaald, althans deze factuur door [schuldeiser 3] laten verrekenen met factuur met nummer 2014-0010 (factuur D-30-02 p5),

tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft door haar eenmanszaak [naam eenmanszaak] en/of haar bankrekening, te weten met IBAN-nummer [nummer] , ter beschikking te stellen aan haar mededader.

3 De voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat zij zich tezamen en in vereniging met haar echtgenoot [medeverdachte] , die op 2 november 2010 in staat van faillissement was verklaard, heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 344 van het Wetboek van Strafrecht door schuldeisers in het faillissement van haar echtgenoot te benadelen. Subsidiair wordt verdachte verweten dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid tot bedrieglijke bankbreuk, die door haar echtgenoot is begaan. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze dagvaarding geldig is.

De rechtbank overweegt dat het normadressaat van artikel 344 van het Wetboek van Strafrecht ziet op personen die buiten een faillissement staan en die profijt hebben getrokken uit het faillissement van een ander of voordeel hebben genoten boven andere schuldeisers in dat faillissement. Deze omstandigheid maakt het onmogelijk dat de failliet als (mede)pleger van het misdrijf van dit wetsartikel kan worden aangemerkt en veroordeeld. Dit is echter wel ten laste gelegd. De nadere uitwerking van de aan verdachte verweten gedraging heeft bovendien (grotendeels) betrekking op handelingen die door de failliet zouden zijn begaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de tenlastelegging daardoor innerlijk tegenstrijdig en is onvoldoende duidelijk op welke feitelijke handelingen van verdachte het primair ten laste gelegde betrekking heeft. De rechtbank zal de dagvaarding daarom nietig verklaren voor zover het betreft het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde voldoet de dagvaarding wel aan alle wettelijke vereisten. Dit deel van de dagvaarding is daarom geldig.

3.2.

Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het subsidiair ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn voorts geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De waardering van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken en overweegt als volgt.

Op basis van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) tijdens zijn faillissement niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht bij faillissement. [medeverdachte] heeft bewust voor de curator verzwegen dat hij in de jaren 2013 en 2014 uit werkzaamheden voor verschillende rechtspersonen inkomsten heeft ontvangen. Deze baten heeft hij niet verantwoord. In het jaar 2013 ontving [medeverdachte] giraal een geldbedrag van € 61.538,12 aan baten. In het jaar 2014 ging het om een geldbedrag van € 37.596,53, bestaande uit een giraal ontvangen bedrag van € 35.796,53 en een contante betaling van € 1.800,-. [medeverdachte] heeft ook geldbedragen aan de boedel onttrokken. De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat zij de hoogte van deze geldbedragen niet kan vaststellen, aangezien het dossier alleen een opgave bevat van de bruto omzet die [medeverdachte] heeft gemaakt en niet het netto bedrag dat [medeverdachte] onderaan de streep heeft verdiend. De rechtbank zal daarom in de bewezenverklaring vermelden dat [medeverdachte] ‘geldbedragen’ heeft onttrokken.

[medeverdachte] heeft met medeweten van zijn echtgenote [naam verdachte] (hierna: [naam verdachte] ) zijn werkzaamheden verricht namens haar eenmanszaak [naam eenmanszaak] en zijn inkomsten laten storten op haar bankrekening. Op deze manier werd een bedrieglijk voorkomen gecreëerd, waarbij het voor de curator leek alsof [medeverdachte] niet over geld beschikte om de schuldeisers in het faillissement af te betalen. Daardoor zijn deze schuldeisers benadeeld. [naam verdachte] heeft haar eenmanszaak en bankrekening hiervoor ter beschikking gesteld. Zij heeft gezien dat er bedragen op de rekening werden gestort. Zij wist dus dat haar man inkomsten had uit werkzaamheden en dat die inkomsten niet bij de curator bekend waren. Zodoende is zij medeplichtig aan de door [medeverdachte] begane strafbare gedragingen.

Dit alles leidt ertoe dat het subsidiair laste gelegde feit is bewezen, namelijk dat [naam verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk, die door [medeverdachte] is begaan.

De rechtbank acht niet bewezen dat [medeverdachte] schuldeisers heeft bevoordeeld (eveneens subsidiair ten laste gelegd) en zal [naam verdachte] hiervan vrijspreken. Naar het oordeel van de rechtbank kan een verdachte overeenkomstig artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht zich aan bedrieglijke bankbreuk schuldig maken als hij schuldeisers in het faillissement bevoordeeld, door deze schuldeisers meer te gunnen of geven dan zij bij een evenredige verdeling van het vermogen zouden hebben gekregen. In deze zaak gaat het echter niet om betalingen van [medeverdachte] aan schuldeisers in het faillissement met een opeisbare schuld, maar om betalingen aan schuldeisers voor na het faillissement aangegane schulden.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat

ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit

[medeverdachte] in de periode van 2 november 2010 tot en met 12 januari 2015 in Nederland, terwijl die [medeverdachte] in staat van faillissement is verklaard bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam van 2 november 2010, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, baten niet heeft verantwoord, te weten over het jaar 2013 in totaal 61.538,12 EURO en over het jaar 2014 in totaal 37.596,53 EURO, en geldbedragen aan de boedel heeft onttrokken over het jaar 2013 en over het jaar 2014, immers heeft die [medeverdachte] voor de curator verzwegen en niet opgegeven dat hij inkomsten had uit werkzaamheden die hij verrichtte voor diverse rechtspersonen, waaronder [rechtspersonen] ,

tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, opzettelijk middelen heeft verschaft door haar eenmanszaak [naam eenmanszaak] en haar bankrekening, te weten met IBAN-nummer [nummer] , ter beschikking te stellen aan haar mededader.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 De strafmotivering

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[medeverdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk en het niet geven van inlichtingen bij faillissement. Hij heeft tijdens zijn faillissement inkomsten gegenereerd, die hij had moeten verantwoorden aan de curator, zodat de schuldeisers in het faillissement daarvan konden worden betaald. [medeverdachte] heeft dit opzettelijk nagelaten. [naam verdachte] is haar echtgenoot bij die bedrieglijke bankbreuk behulpzaam geweest. Zij heeft haar eenmanszaak en bankrekening ter beschikking gesteld om de inkomsten van [medeverdachte] buiten het zicht van de curator te houden zodat [medeverdachte] en [naam verdachte] zelf van het verdiende geld gebruik konden maken. Door aldus te handelen heeft [medeverdachte] de op hem rustende verplichtingen in het faillissement niet serieus genomen. Met hun handelwijze hebben [medeverdachte] en [naam verdachte] verder bewust de schuldeisers in het faillissement van [medeverdachte] benadeeld.

Bij de straftoemeting in zaken als deze neemt de rechtbank onder andere het benadelingsbedrag als maatstaf. Het benadelingsbedrag dat in deze zaak niet aan de curator is verantwoord, betreft ongeveer € 99.000,-. Het bedrag dat aan de boedel is onttrokken ligt echter lager, aangezien in het dossier is uitgegaan van brutobedragen. Bij de toepassing van de fraudeoriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht is de rechtbank daarom uitgegaan van een benadelingsbedrag tot € 70.000,-, waarvoor de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf vermelden.

De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van [naam verdachte] , zoals die zijn gebleken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Uit haar strafblad is duidelijk geworden dat [naam verdachte] niet eerder is veroordeeld. Ook is gebleken dat het faillissement van haar echtgenoot op 22 november 2016 is opgeheven.

In het voordeel van [naam verdachte] heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat het aannemelijk is dat zij haar echtgenoot bij het begaan van de bedrieglijke bankbreuk behulpzaam is geweest om het hoofd boven water te kunnen houden en in hun levensonderhoud en dat van hun kinderen te kunnen voorzien, en niet om zich te verrijken. De rechtbank zal dit in matigende zin bij de straftoemeting betrekken.

Alles afwegende acht de rechtbank in het geval van [naam verdachte] oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf op zijn plaats. Deze straf strekt ertoe [naam verdachte] ervan te weerhouden zich opnieuw aan al dan niet soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48 en 341 van het Wetboek van Strafrecht .

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

9 De beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde feit

- medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [naam verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis van 60 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit verkort vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. B. Vogel en T.T. Hylkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 april 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature