Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Geen studiefinanciering bij deeltijdstudie

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/1655

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H.A. van den Berg).

Procesverloop

Bij bericht studiefinanciering 2015, nr. 7 van 13 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij vanaf september 2015 geen recht heeft op studiefinanciering, omdat zij niet (meer) voltijd studeert. In verband daarmee heeft verweerder eiseres bericht dat zij in de maanden september en oktober 2015 € 1.354,-- te veel studiefinanciering heeft ontvangen en dat er een ov-schuld is ontstaan van € 388,--.

Bij besluit van 29 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2016. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres volgt de studies bachelor Theaterwetenschap en bachelor Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres bericht dat haar inschrijving bij de onderwijsinstelling is gecontroleerd en is gebleken dat zij vanaf september 2015 geen recht meer heeft op studiefinanciering, omdat zij niet (meer) voltijd studeert. Eiseres heeft volgens verweerder daarom € 1.354,-- te veel studiefinanciering ontvangen. Dit bedrag is een schuld geworden. Ook haar recht op een studentenreisproduct is per die datum vervallen, waardoor er een ov-schuld is ontstaan van € 388,--.

1.2

Tegen het primaire besluit heeft eiseres op 23 november 215 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit controle is gebleken dat zij per 1 september 2015 staat ingeschreven voor een deeltijdse opleiding in het hoger onderwijsinstelling, hetgeen met zich meebrengt dat eiseres per die datum geen recht heeft op studiefinanciering. Omdat eiseres haar studentenreisproduct niet heeft stopgezet is er ook een ov-schuld ontstaan. Dit bedraagt € 97,-- voor iedere halve kalandermaand waarin zij beschikte over een geactiveerd studentenreisproduct, in totaal € 388,--. Voor wat betreft de omstandigheid dat eiseres onjuist zou zijn geïnformeerd, stelt verweerder zich op het standpunt dat uit het bezwaarschrift niet blijkt dat door een medewerker van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan waaraan eiseres rechten zou kunnen ontlenen.

2. Eiseres heeft in beroep telefoonspecificaties overgelegd en aangevoerd dat zij op 18 mei 2015 en op 28 augustus 2015 telefonisch contact heeft opgenomen met medewerkers van DUO die haar te kennen hebben gegeven dat de deeltijdinschrijving geen consequenties voor haar studiefinanciering zal hebben. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij mocht veronderstellen juist te zijn geïnformeerd door deze medewerkers, waardoor haar geen verwijt kan worden getroffen. Als eiseres had geweten welke consequenties de deeltijdinschrijving voor haar had, was zij nooit daartoe overgegaan. Het bedrag dat zij nu dient terug te betalen en de omstandigheid dat zij geen recht had op studiefinanciering, hebben haar in financiële moeilijkheden gebracht. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij pas op 20 november 2015 een e-mail heeft ontvangen van verweerder met de mededeling dat er een bericht voor haar klaarstond op “Mijn DUO”. Dit heeft ervoor gezorgd dat zij het studentenreisproduct niet in de eerste helft van de maand november 2015 heeft kunnen stopzetten, waardoor ook over de tweede helft van deze maand een ov-schuld is ontstaan. Ten slotte heeft eiseres gewezen op de omstandigheid dat het bestreden besluit buiten de wettelijke termijn is genomen.

3. Verweerder heeft zich ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 30 maart 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA2003), op het standpunt gesteld dat uit de telefoonspecificaties slechts blijkt dat een verbinding tot stand is gekomen tussen de telefoon van eiseres en de DUO. De inhoud van die gesprekken kan je uit die specificaties niet afleiden, waardoor volgens verweerder niet met zekerheid valt te reconstrueren wat er is medegedeeld.

4.1

De rechtbank overweegt allereerst dat volgens de begripsbepalingen van de Wet Studiefinanciering (Wsf) 2000 – met name paragraaf 2.3 van de Wsf 2000 – degene die een deeltijdopleiding volgt geen studerende is in de zin van de wet. Nu vaststaat dat eiseres in de periode in geschil, de maanden september en oktober 2015, geen voltijdse maar deeltijdse opleiding(en) heeft gevolgd, was zij geen studerende in de zin van de Wsf 2000 en had daarom geen recht op studiefinanciering. In geschil is de vraag of door de medewerkers van de DUO telefonisch aan eiseres gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt die leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.2

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is volgens vaste jurisprudentie van de Raad in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewerkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4791). De rechtbank is hiervan niet gebleken. Eiseres heeft weliswaar met de overgelegde specificaties aannemelijk gemaakt dat zij op 18 mei 2015 en op 28 augustus 2015 telefonisch contact heeft gehad met DUO, maar eiseres heeft de inhoud van deze gesprekken onvoldoende onderbouwd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat eiseres niet heeft aangegeven met welke medewerkers zij heeft gesproken, zodat onder meer niet (meer) kan worden vastgesteld wat eiseres precies heeft gevraagd, of zij alle relevante gegevens daarbij correct heeft verstrekt en welke informatie in antwoord op haar vragen is verstrekt. De enkele stelling van eiseres hiertoe is onvoldoende. Dat eiseres zich niet had ingeschreven voor een deeltijdse opleiding indien zij de consequenties daarvan had geweten, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank merkt daarbij op dat op de website van DUO voldoende informatie wordt gegeven omtrent het recht op studiefinanciering. De omstandigheid dat verweerder buiten de wettelijke termijn het bestreden besluit heeft genomen maakt het voorgaande evenmin anders. Eiseres had verweerder wegens het uitblijven van een besluit desgewenst schriftelijk in gebreke kunnen stellen. Gelet op het voorgaande, slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

4.3

In artikel 11.5 van de Wsf 2000 is door de wetgever aan de minister de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De wetstoepassing brengt met zich mee dat de studiefinanciering van eiseres door verweerder is herzien. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van onbillijkheid van overwegende aard. Dat eiseres als student door het bestreden besluit in financiële moeilijkheden is gebracht, is daartoe onvoldoende. Eiseres heeft reeds een rentedragende lening waar deze schuld bij zal worden opgeteld. De beroepsgrond slaagt evenmin.

4.4

De beroepsgrond van eiseres die betrekking heeft op de ov-schuld die is ontstaan over de tweede helft van de maand november 2015 valt, wat daar ook van zij, buiten de omvang van het geding. Het bestreden besluit heeft immers alleen betrekking op de maanden september en oktober 2015.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature