Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verweren van aannemer tegenover vorderingen van ontwikkelaar gelden ook tegenover appartementseigenaren die bij aankoop vorderingen van de ontwikkelaar op aannemer overgedragen kregen

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/606045 / HA ZA 16-384

Vonnis van 9 november 2016

in de zaak van

de vereniging

1. VVE SELECT BUSINESS CENTER "DE WERF" + 19 ANDEREN,

gevestigd te Amsterdam,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3].

wonende te [woonplaats]

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser sub 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [eiser sub 7],

wonende te [woonplaats] ,

8. [eiser sub 8],

wonende te [woonplaats] ,

9. [eiser sub 9],

wonende te [woonplaats] ,

10. [eiser sub 10],

wonende te [woonplaats] ,

11. [eiser sub 11],

wonende te [woonplaats] ,

12. [eiser sub 12],

wonende te [woonplaats] ,

13. [eiser sub 13],

wonende te [woonplaats] ,

14. [eiser sub 14],

wonende te [woonplaats] ,

15. [eiser sub 15],

wonende te [woonplaats] ,

16. [eiser sub 16],

wonende te [woonplaats] ,

17. [eiser sub 17],

wonende te [woonplaats] ,

18. [eiser sub 18],

wonende te [woonplaats] ,

19. [eiser sub 19],

wonende te [woonplaats] ,

20. [eiser sub 20],

wonende te [woonplaats] ,

21. [eiser sub 21],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. M.C. Pedrotti te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.P.G. Schelvis te Tilburg.

Partij 1 zal hierna de VVE genoemd worden en de eisers gezamenlijk VVE c.s. en gedaagde zal [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 8 juni 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

het proces-verbaal van comparitie van 20 oktober 2016 met de daarin genoemde stukken en de brieven van 24 oktober 2016 van mr Schelvis en van 26 oktober 2016 van mr Parmentier met commentaar daarop.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Select Project B.V. (hierna: de ontwikkelaar) heeft de grond staande en gelegen aan de Oostzanerdijk 141a tot en met 147k te (1035 EX) Amsterdam omstreeks het jaar 2007 in erfpacht verkregen van de gemeente Amsterdam en heeft daarop 28 bedrijfsunits gebouwd. [gedaagde] heeft in opdracht van Select Project B.V. werkzaamheden uitgevoerd bij de aanleg van het terrein en de (water)leidingen.

2.2.

De brochure welke aan de belangstellenden voor de appartementen is overgelegd door de ontwikkelaar houdt onder meer in:

“(…) Deze verharding is geschikt voor licht vrachtverkeer, maximale aslast 2,5 ton.”

2.3.

De bedrijfsunits zijn door de ontwikkelaar verkocht aan appartementseigenaren. Artikel 14 van de daarbij gebruikte koopovereenkomsten bepaalt:

“Gezien de bodemgesteldheid in de omgeving van het verkochte kan de aannemer welke de infrastructuur casu quo bestrating zal aanleggen geen garantie geven met betrekking tot het verzakken van het straatwerk. De verkrijger vrijwaart verkoper voor elke aanspraak betreffende verzakking van het straatwerk”.

2.4.

Artikel 6 van de leveringsakte waaronder levering van de appartementen door de ontwikkelaar aan de appartementseigenaren heeft plaatsgevonden bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“Alle aanspraken die verkoper met betrekking tot het verkochte kan of zal kunnen doen gelden tegenover derden waaronder begrepen bouwer(s), (onder)aannemer(s), installateur(s) en leverancier(s), gaan voorzover rechtens mogelijk is bij de eigendomsoverdracht mee over op de verkrijger”.

2.5.

De notulen van de algemene ledenvergadering van de VVE van 22 april 2009 vermelden onder meer:

“Dhr. [gedaagde] heeft uitleg over de door hem aangebrachte bestrating m.b.t. eventuele verzakkingen. Volgens dhr. [gedaagde] heeft hij voor aanvang van de werkzaamheden aangegeven bij Select Project dat de grond niet afdoende is ingeklonken, waardoor verzakkingen kunnen ontstaan.”

2.6.

De notulen van de algemene ledenvergadering van de VVE van 24 maart 2010 vermelden onder rondvraag 10:

“Dhr. [gedaagde] geeft aan dat de bestrating te lijden heeft onder het gewicht van de diverse vrachtwagens die het terrein oprijden voor het legen van de vuilcontainers.”

2.7.

Op 28 maart 2012 heeft [bedrijf] in opdracht van de VVE een rapport uitgebracht over verzakkingen van de bestrating op het terrein aan de Oostzanerdijk 141a tot en met 147k te Amsterdam en de gevolgen hiervan. Hierin is onder meer het volgende geconstateerd:

“(…) De bestrating is ten opzicht van de bestrating over de rest van het terrein ontoelaatbaar snel gezakt.

(…)

De door de mantelbuizen stekende leidingen voor elektra, gas en water komen door het zakkend grondpakket en bestratingen onder een ontoelaatbare druk. Het risico van breuk is dan ook op korte termijn aanwezig.”

2.8.

Op 27 december 2012 is door Lekdetectie Nederland in opdracht van de VVE een onderzoek uitgevoerd waarbij vier lekkages in de waterleiding op het terrein van de VVE zijn aangetroffen.

2.9.

Op 13 maart 2013 heeft [gedaagde] een e-mail verzonden aan [naam 1] en [eiser sub 20] van de VVE waarin onder andere het volgende staat:

“(…) De eerste lekkage nemen wij voor onze rekening aangezien dit een lekkende koppeling betrof op het gedeelte waar geen duidelijke extreme verzakking aanwezig is. De kosten voor het repareren van de waterleiding van gister heb ik in het kosten overzicht in de bijlage gespecificeerd, (…)”

2.10.

Op 2 mei 2013 heeft [gedaagde] per e-mail aan [naam 1] en [eiser sub 20] het volgende medegedeeld:

“Vanochtend hebben we de lekkage van de waterleiding zoals in het rapport van Lekdetectie gerepareerd.

Ik heb ter plaatsen de lekkage bekeken met [eiser sub 10] , zoals op de foto,s in de bijlage is te zien is er hier duidelijk sprake van een lekkage aan de koppeling.

Zoals vorige week afgesproken zullen wij voor deze reparatie geen kosten in rekening brengen.”

2.11.

Op 31 oktober 2013 is [gedaagde] per brief namens de VVE aansprakelijk gesteld voor de verzakkingen op het terrein van de VVE en gesommeerd om binnen vier weken een plan van aanpak in te dienen. De VVE laat weten ook akkoord te gaan met uitvoering van een bijgevoegde offerte van een derde voor rekening van [gedaagde] . Daarnaast is [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor waterverlies als gevolg van de toepassing van verkeerde koppelingen in de waterleidingen.

2.12.

Op 4 november 2013 heeft [gedaagde] laten weten dat zij aansprakelijkheid afwees en geen gehoor zou geven aan de eisen.

2.13.

De notulen van de algemene ledenvergadering van de VVE gehouden op 20 maart 2014 vermelden onder meer:

“(…) Alle leden geven, mits er geen proceskosten in rekening worden gebracht, goedkeuring om via de rechtsbijstand een procedure te starten tegen de firma [gedaagde].”

2.14.

Op 16 maart 2016 is in opdracht van VVE c.s. beslag gelegd op de bankrekening van [gedaagde] . Een e-mail van mr. M.C. Pedrotti aan een medewerkster van [gedaagde] van 16 maart 2016 houdt onder meer in:

“U vroeg mij het beslag dat op de rekening van [ [gedaagde] ] is gelegd, op te heffen. U gaf aan dat [ [gedaagde] ] bereid is het bedrag van €34.150,- waarvoor het beslag is gelegd voor de periode van de gerechtelijke procedure te parkeren op de derdengeldrekening van ons kantoor. (…) Het bedrag van € 34.150,- zal enkel en alleen worden aangewend bij een voor cliënte positief vonnis van de rechtbank. Cliënte is met bovenstaande akkoord gegaan. Wij hebben het bedrag inmiddels op onder derdengeldrekening ontvangen.

Wij delen u mede dat over het bedrag dat op de derdengeldrekening staat geen rente wordt uitbetaald.”

3 Het geschil

in conventie 3.1.

VVE c.s. vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 26.275,38,-, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert samengevat –

3.4.1.

een verklaring voor recht dat VVE c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen onder banktegoeden van [gedaagde] en later de doorbetaling van een bedrag van € 35.000,00 op de derdengeldenrekening van mr. Pedrotti waarbij de door [gedaagde] te lijden schade nader wordt opgemaakt bij staat en

3.4.2.

VVE c.s. te gebieden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel om binnen vijf dagen na dagtekening van dit vonnis schriftelijk opdracht te geven aan mr. Pedrotti tot onmiddellijke overboeking van het bedrag van €35.000,00 op een door [gedaagde] aan te geven rekening,

3.4.3.

met veroordeling van VVE c.s. in de kosten.

3.5.

VVE c.s. voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

procesvolmacht

4.1.

Het meest vergaande verweer van [gedaagde] tegen de vordering van de VVE houdt in dat de VVE niet ontvankelijk is, omdat zij geen procesvolmacht heeft overgelegd. Ter zitting heeft VVE c.s. een kopie overgelegd van notulen van de algemene ledenvergadering gehouden op 20 maart 2014 (aangehaald in 2.13 hierboven) met aangehecht een procesvolmacht. Hierbij heeft VVE c.s. toegelicht dat vanwege de haast niet alle leden de volmacht hebben getekend en derhalve niet allen als eiser in de dagvaarding zijn genoemd, maar dat een ruime meerderheid van de leden het besluit heeft ondersteund. Dat blijkt ook uit het feit dat een meerderheid van de leden van de vergadering als eisers in de procedure optreedt. [gedaagde] heeft de geldigheid van het procesbesluit betwist, op de grond dat niet alle leden hun handtekening hebben gezet op de addenda bij de overgelegde stukken, waaronder de procesvolmacht, en een aantal handtekeningen onduidelijk is. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] daarmee onvoldoende heeft betwist dat het in de notulen opgenomen besluit tot goedkeuring van het starten van deze procedure geldig is genomen. Dit verweer wordt derhalve verworpen.

vordering op grond van toerekenbare tekortkoming

4.2.

VVE c.s. legt primair aan haar vordering ten grondslag dat door ondertekening van de leveringsaktes van de appartementsrechten de aanspraken van de ontwikkelaar op de door haar ingeschakelde aannemers aan de kopers van de appartementsrechten zijn overgedragen en dat [gedaagde] tekort is geschoten bij de uitvoering van haar in opdracht van de ontwikkelaar uitgevoerde werkzaamheden, zodat aan VVE c.s. een vordering wegens niet nakoming toekomt. [gedaagde] verweert zich tegen deze vordering onder meer door erop te wijzen dat zij de ontwikkelaar heeft gewezen op het risico van verzakkingen en dat zij daarvoor geen aansprakelijkheid aanvaardde. Dit blijkt uit artikel 14 van de koopovereenkomst waarin staat dat de aannemer geen garantie voor verzakkingen geeft, welk artikel in de koopovereenkomst is gekomen, omdat [gedaagde] met de ontwikkelaar had afgesproken dat de laatste [gedaagde] niet kon aanspreken voor mogelijke verzakkingen, nu was nagelaten om een zettingsperiode in acht te nemen. De rechtbank begrijpt het verweer van [gedaagde] zo dat, nu de ontwikkelaar geen vordering op [gedaagde] heeft, omdat zij ondanks de waarschuwing van [gedaagde] geen zettingsperiode in acht heeft genomen en [gedaagde] tegenover de ontwikkelaar uitdrukkelijk aansprakelijkheid voor verzakkingen heeft uitgesloten, ook de VVE c.s. geen vordering op [gedaagde] heeft, omdat VVE c.s. op grond van de overdracht van de rechten van de ontwikkelaar niet meer rechten tegenover [gedaagde] heeft verkregen dan de ontwikkelaar zelf had. Dit verweer treft doel.

4.3.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Voorop staat dat op grond van de overdracht aan de appartementseigenaren van de rechten van de ontwikkelaar uit de overeenkomst met [gedaagde] de appartementseigenaren niet méér rechten kunnen verkrijgen dan de ontwikkelaar zelf had en dat zij dus de weren die [gedaagde] tegen de ontwikkelaar had ook tegen zich moeten laten gelden. Dat de ontwikkelaar geen vordering op [gedaagde] heeft in verband met de verzakkingen en dat [gedaagde] de ontwikkelaar gewaarschuwd heeft, zodat de laatste geen vordering ter zake op [gedaagde] heeft, blijkt uit een aantal omstandigheden. Ten eerste is in artikel 14 van de koopovereenkomsten opgenomen (2.3), dat de aannemer geen garantie gaf met betrekking tot verzakken van het straatwerk. Dit artikel geldt weliswaar niet tussen partijen, nu [gedaagde] geen partij bij de koopovereenkomst was, zoals VVE c.s. heeft aangevoerd, maar hieruit blijkt wel dat de ontwikkelaar meende dat een vordering van haar op [gedaagde] ter zake van verzakking van de bestrating zou afstuiten op de uitdrukkelijke afwezigheid van een garantie ter zake en dat deze daarom een vrijwaring van de kopers bedong. Dit onderbouwt de stelling van [gedaagde] dat zij met de ontwikkelaar had afgesproken dat de laatste haar niet kon aanspreken ter zake van verzakkingen. Daarnaast heeft [naam 2] , directeur van [gedaagde] , ter zitting verklaard dat hij erbij was toen de heer [gedaagde] [naam 3] , die de ontwikkelaar vertegenwoordigde, wees op het risico voor het straatwerk, de onderliggende rioolstelsels, kabels en leidingen als gevolg van nazakken van het terrein, indien direct gebouwd zou worden. [naam 3] heeft toen aangegeven, volgens [naam 2] , dat de ontwikkelaar desalniettemin snel wilde bouwen. Dat die waarschuwing is gegeven blijkt ook uit de mededeling van de heer [gedaagde] zoals die is opgenomen in de notulen van de vergadering van eigenaars van 22 april 2009 (2.5). Dat de ontwikkelaar gewaarschuwd is, blijkt ten slotte ook uit de aanwijzing in de verkoopbrochure (2.2), waaruit afgeleid kan worden dat de ontwikkelaar zich bewust was van risico’s met betrekking tot verzakking van de grond. Aannemelijk is dat [gedaagde] aan deze waarschuwingen uitsluiting van aansprakelijkheid ter zake als consequentie heeft verbonden. Uit deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt de rechtbank af dat een vordering van de ontwikkelaar op [gedaagde] ter zake van de verzakkingen zou afstuiten op een tussen deze partijen overeengekomen uitsluiting van aansprakelijkheid voor verzakkingen, als gevolg van de waarschuwing door [gedaagde] voor de risico’s die de ontwikkelaar willens en wetens aanvaard heeft. In het licht van de samenhang tussen de verzakking van de bestrating en de daaronder gelegen leidingen gaat de rechtbank ervan uit dat die uitsluiting van aansprakelijkheid niet alleen geldt voor schade aan de bestrating, maar ook voor schade aan de daaronder gelegen kabels en leidingen. Dit komt overeen met de betekenis die VVE c.s. en de ontwikkelaar kennelijk aan artikel 14 van de koopovereenkomst hebben gegeven in de tussen hen geldende verhouding, nu VVE c.s. na de betwisting van aansprakelijkheid door de ontwikkelaar tegen de laatste in het geheel geen vordering heeft ingesteld.

4.4.

Door VVE c.s. is aangevoerd dat artikel 14 koopovereenkomst aansprakelijkheid van [gedaagde] voor verzakking van het straatwerk op geen enkele wijze uitsluit. De rechtbank kan [gedaagde] hierin niet volgen. De zin van artikel 14 koopovereenkomst is slechts te begrijpen als het niet verstrekken van een garantie door [gedaagde] betekent dat aansprakelijkheid wordt uitgesloten, zodat de ontwikkelaar er belang bij heeft ook haar aansprakelijkheid jegens kopers uit te sluiten. VVE c.s. heeft ook aangevoerd dat de formulering van artikel 14 van de koopovereenkomst verwijst naar de bodemgesteldheid in de omgeving en niet naar de werkzaamheden van de aannemer. Dat de ontwikkelaar wellicht versluierd taalgebruik heeft toegepast over de achtergrond van de uitsluiting van garantie en niet heeft willen zeggen dat deze het gevolg is van haar besluit om waarschuwingen van de aannemer in de wind te slaan doet er niet aan af, dat het artikel inhoudt dat de aannemer geen garantie geeft voor verzakking van het straatwerk, ongeacht of die verzakking veroorzaakt wordt door de wijze van uitvoering van de werkzaamheden van de aannemer of door omgevingsomstandigheden. Door VVE c.s. is ook nog aangevoerd dat de appartementseigenaren bij de koop niet zijn gewaarschuwd. Dat is echter niet relevant, aangezien [gedaagde] geen partij bij de koop was en het in dit verband (waarbij VVE c.s. door de ontwikkelaar aan haar gecedeerde rechten op [gedaagde] wil uitoefenen) erom gaat welke rechten de ontwikkelaar jegens [gedaagde] kon uitoefenen. De rechtbank concludeert dat de vorderingen van de ontwikkelaar op [gedaagde] tot vergoeding van schade door verzakking van de bestrating en de daaronder gelegen leidingen afstuiten op de uitsluiting van aansprakelijkheid ter zake door [gedaagde] tegenover de ontwikkelaar, zodat ook VVE c.s. als rechtsopvolgers van de ontwikkelaar geen vordering op grond van de aannemingsovereenkomst toekomt in verband met het optreden van verzakkingen.

4.5.

aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad?

Daarnaast heeft VVE c.s. aangevoerd dat [gedaagde] jegens VVE c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door het grond- en straatwerk niet op deugdelijke wijze aan te leggen. VVE c.s. stelt daartoe dat van [gedaagde] als professionele partij verwacht mag worden dat zij werkzaamheden deugdelijk uitvoert en zich houdt aan algemeen bekende voorschriften zoals het afwachten van een zettingsperiode. Door dat niet te doen heeft [gedaagde] gehandeld in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. [gedaagde] heeft zich verweerd door erop te wijzen dat een contractspartij slechts in uitzonderingsgevallen aansprakelijk is voor schade van anderen dan de andere contractspartij en dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die als een onrechtmatige daad kunnen worden aangeduid.

4.6.

De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat VVE c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om te kunnen vaststellen dat - bij afwezigheid van een contractuele tekortkoming - [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. De wet kent voor de aannemer onder bepaalde omstandigheden een waarschuwingsplicht jegens de opdrachtgever (artikel 7:754 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De rechtbank begrijpt de stellingen van VVE c.s. zodanig dat zij meent, dat [gedaagde] niet alleen had behoren te waarschuwen, maar tevens had behoren te weigeren haar werkzaamheden uit te voeren zonder inachtneming van een zettingsperiode, ook indien kennelijk de opdrachtgever daartoe opdracht gaf. Zij voert daartoe – zonder enige onderbouwing – aan dat de inachtneming van een zettingsperiode een algemeen bekend voorschrift zou betreffen. Waar de wet een dergelijke weigeringsplicht in de verhouding tussen aannemer en opdrachtgever niet kent, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat [gedaagde] jegens VVE c.s. op grond van in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen normen gehouden zou zijn om in weerwil van haar opdracht een zettingsperiode in acht te nemen. Het beroep van VVE c.s. op onrechtmatige daad faalt derhalve.

gebrekkige koppelingen

4.7.

Daarnaast heeft VVE c.s. gesteld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het gebruik door [gedaagde] van gebrekkige koppelingen bij de aanleg van de waterleiding. De aansprakelijkheid voor schade als gevolg daarvan wordt volgens VVE c.s. niet beperkt door de inhoud van artikel 14 van de koopovereenkomst, omdat die bepaling slechts ziet op verzakking van het straatwerk. VVE c.s. onderbouwt haar stelling dat de koppelingen gebrekkig waren als volgt. De door haar ingeschakelde aannemer Sturm B.V. kwam bij de uitvoering van werkzaamheden aan de waterleiding tot de conclusie dat alle koppelingen aan vervanging toe waren, terwijl deze nog geen vijf jaar oud waren. [gedaagde] heeft in de e-mails van 13 maart 2013 (2.9) en 2 mei 2013 (2.10) erkend dat de door haar aangebrachte koppelingen gebrekkig waren en niet (meer) goed functioneerden, ook zonder dat er sprake was van beschadiging door verzakking. Ten slotte is op zitting door de vertegenwoordiger van VVE c.s. verklaard dat de koppelstukken niet geschikt waren voor een waterleiding als deze.

4.8.

[gedaagde] betwist dat ondeugdelijke koppelingen zijn gebruikt. Door verzakking ontstaat er trekspanning in de waterleiding waardoor deze op zwakke punten kan gaan lekken en in de regel zijn dat de koppelingen. Indien de lekkage het gevolg zou zijn van een gebrek in de koppelingen, zouden bij alle koppelingen lekkages hebben moeten plaatsvinden. Dat [gedaagde] coulancehalve herstelwerkzaamheden aan één koppeling niet in rekening brengt, betekent niet dat zij aansprakelijkheid voor die lekkage aanvaardt.

4.9.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] had het op de weg van VVE c.s. gelegen nader te onderbouwen dat de koppelingen gebrekkig waren. De constatering van Sturm is daarvoor niet voldoende, omdat deze geen onafhankelijke partij was. Als uitvoerend aannemer had deze belang bij de vervanging van de koppelingen. De overige stellingen van VVE c.s. zijn in het licht van de betwisting onvoldoende om vast te stellen dat de koppelingen gebrekkig zijn. Ook deze grondslag van de vorderingen van VVE c.s. faalt derhalve.

4.10.

De vorderingen van VVE c.s. liggen derhalve voor afwijzing gereed. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen beoordeling.

proceskosten

4.11.

VVE c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.929,00

- salaris advocaat € 1.158,00 (2 punten x tarief €579,00)

totaal: € 3.087,00

in reconventie

4.12.

[gedaagde] heeft gesteld dat zij als gevolg van de beslaglegging schade heeft geleden in de vorm van derving van rente-inkomsten en doordat zij niet over het geld kon beschikken. De omvang of aard van die schade heeft zij niet nader onderbouwd. VVE c.s. heeft daartegen aangevoerd dat onmiddellijk na de beslaglegging partijen zijn overeengekomen het beslag op te heffen en een som geld te plaatsen op de derdengeldrekening van het kantoor van mr. Pedrotti in afwachting van de uitspraak van de rechtbank. [gedaagde] heeft aanvaard dat over die geldsom geen rente wordt betaald, aldus VVE c.s..

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid rust voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd ongegrond is. Dat laatste is blijkens het oordeel in conventie het geval. VVE c.s. heeft echter terecht aangevoerd dat [gedaagde] heeft ingestemd met de wijze waarop het beslag is opgeheven en met de mededeling dat geen rente vergoed zou worden, althans tegen die mededeling geen bezwaar heeft gemaakt. [gedaagde] heeft haar gestelde schade op geen enkele wijze onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt dat zij in de hypothetische situatie dat zij het geld op eigen rekening had teruggekregen wél rente vergoed had gekregen of dat zij anderszins schade heeft geleden door niet over het bedrag te kunnen beschikken. De vordering onder 3.4.1 wordt derhalve afgewezen, nu [gedaagde] bij de gevorderde verklaring voor recht geen belang heeft, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden.

4.14.

De vordering onder 3.4.2 ligt voor toewijzing gereed gezien het oordeel in conventie, met dien verstande dat het gestorte bedrag volgens VVE c.s. en blijkens de in 2.14 aangehaalde e-mail € 34.150,00 en niet € 35.000,00 bedraagt, hetgeen door [gedaagde] niet nader betwist is, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsommen zullen niet worden toegewezen, nu de vordering strekt tot betaling van een geldsom.

proceskosten

4.15.

Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld ziet de rechtbank aanleiding tot compensatie van de proceskosten in reconventie.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt VVE c.s. hoofdelijk – des dat de een betalend de ander tot de hoogte van de betaling gekweten zal zijn - in de proceskosten tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 3.087,00, vermeerderd met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) daarover van af de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

gebiedt VVE c.s. om binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis schriftelijk opdracht (met kopie daarvan aan de advocaat van [gedaagde] ) te geven aan mr. Pedrotti tot een onmiddellijke overboeking van het bedrag van € 34.150,00 dat thans op de rekening derdengelden van het kantoor van mr. Pedrotti (zijnde Parmentier Advocaten) geparkeerd staat, op een nader door [gedaagde] op te geven bankrekeningnummer,

5.5.

verklaart het voorgaande gebod uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en reconventie

5.6.

veroordeelt VVE c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaats gevonden en gedaagde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan,

5.7.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.

type: VVV

coll: RvdW


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature