Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De politierechter acht bewezen dat verdachte zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Hij had een bijstandsuitkering en had moeten melden dat hij, door het overlijden van zijn vader, tezamen met zijn zusters het vruchtgebruik over de hem en zijn zusters in eigendom geschonken ouderlijke woning verkreeg. De politierechter passeert het verblijvingsbeding, aangezien niet is gebleken dat hierop tegenover verdachte een beroep is gedaan. Dat de woning pas is verkocht nadat verdachte 65 jaar werd, doet aan dit alles niet af.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/731018-13 (Promis)

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

Vonnis van de politierechter te Amsterdam, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1945,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en feitelijk verblijvende op het adres [GBA adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2013.

De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Dontje en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A. van Hoof, advocaat te Opperdoes, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode vanaf 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen, immers heeft hij (in die periode en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat

zijn moeder op 5 juni 2007 was ingeschreven in een verzorgingstehuis en/of

zijn moeder op [overlijdensdag] 2010 was overleden en/of

zijn vader op [overlijdensdag] 2007 was overleden en/of

hij, verdachte en zijn zusters sinds 1 augustus 2007 de volledige beschikking hadden over de woning aan de [adres] te [plaats ] en/of

hij, verdachte beschikte en/of had beschikt over een of meerdere bankrekening(en) met rekeningnummer(s) [nummer 1] en/of [nummer 2] en/of [nummer 3]

zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze politierechter is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Uit het dossier en uit wat ter terechtzitting is besproken valt het volgende af te leiden.

4.1.1

Verdachte heeft van 14 januari 1997 tot en met 31 juli 2010 een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW), respectievelijk de Wet werk en bijstand (WWB) genoten. Hij woont sinds 1992 op zijn huidige adres.

4.1.2

Bij notariële akte van schenking en levering van 4 december 1995 hebben verdachtes ouders het aan hen in eigendom toebehorende en door hen bewoonde perceel [adres] in [plaats ] (hierna: het ouderlijk huis) aan verdachte en zijn zusters geschonken, onder meer onder het voorbehoud van een levenslang recht van gebruik en bewoning. In de akte staat verder, voor zover hier van belang, als verblijvingsbeding (hierna: het verblijvingsbeding) tussen verdachte en zijn zusters dat het onverdeeld aandeel in het geleverde zonder vergoeding van de waarde aan de overige deelgenoten verblijft, indien een van hen bijstandsbehoeftig wordt.

4.1.3

Op een formulier van de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) van 15 april 2002 staat vermeld dat verdachte aan deze dienst heeft opgegeven dat hij sinds 2 à 3 jaar mede-eigenaar van een aan hem en zijn zusters in gemeenschappelijk eigendom toebehorend woonhuis is, dat hun ouders daar wonen en dat verdachte dus niet het vruchtgebruik heeft. Op dit formulier staat als aantekening van de behandelende consulent onder meer: “Gezien de complexiteit van bovenstaande graag overname van het huidige HO door het regiokantoor.”

4.1.4

Op 5 juni 2007 is verdachtes moeder (geboren op [geboortedag] 1919) naar een verzorgingstehuis overgeplaatst, waar zij tot haar overlijden op [overlijdensdag] 2010 heeft verbleven. Verdachtes vader (geboren op [geboortedag] 1914) heeft tot zijn overlijden op [overlijdensdag] 2007 in het ouderlijk huis gewoond.

4.1.5

Bij testament van 9 november 1993 heeft verdachtes vader een zogenaamde ouderlijke boedelverdeling gemaakt. Daarin staat, voor zover hier van belang, onder meer dat de door zijn echtgenote aan de andere erfgenamen te verrichten uitkering opeisbaar zal zijn, ingeval zij haar intrek in een verpleeg- of verzorgingstehuis neemt.

4.1.6

Verdachte en zijn zusters hebben het ouderlijk huis in 2008 te koop gezet. Op 27 augustus 2010 is het in eigendom overgedragen en is de opbrengst onder verdachte en zijn zusters verdeeld. Verdachte heeft zijn aandeel (€ 107.787,81) op 27 oktober 2010 op zijn bankrekening ontvangen. Op 28 oktober 2010 heeft hij € 105.000,- naar zijn spaarrekening [nummer 1] overgemaakt.

4.1.7

Verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode over een bankrekening bij Fortis Bank met nummer [nummer 2]. Daarop stond aan het begin van deze periode € 3.530,94 en is op 21 december 2007 € 1.500,-, afkomstig van verdachtes moeder, bijgeschreven. Verdachte heeft deze rekening niet aan DWI opgegeven.

4.1.8

Verdachte beschikte sinds september 2008 over een Visacreditcardrekening met nummer [nummer 3]. Hij heeft deze rekening niet aan DWI opgegeven.

4.1.9

DWI vordert van verdachte € 40.587,98 als ten onrechte genoten bijstand terug.

4.2

Verklaringen verdachte

4.2.1

Verdachte heeft tegenover de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de verhuizing van zijn moeder naar een verzorgingstehuis en van het overlijden van zijn ouders niet bij DWI heeft gemeld, omdat daardoor voor hem niets veranderde. Volgens hem hadden hij en zijn zusters na de verhuizing van hun moeder geen vruchtgebruik van het ouderlijk huis, omdat zij daar elk moment kon terugkeren. Ook als het ouderlijk huis zou zijn verkocht, zou daarin voor zijn moeder een voorziening zijn getroffen, waardoor zij daar zou kunnen wonen. Hieraan doet niet af dat dat feitelijk nooit is geschied. Gedurende enige tijd heeft een nichtje het ouderlijk huis bij wijze van “antikraak” bewoond.

4.2.2

Verdachte heeft tegenover de politie en ter terechtzitting verklaard dat zijn moeder hem het onder 4.1.7 genoemde bedrag van € 1.500,- heeft geschonken, omdat hij aan de grond zat, en dat hij niet meer weet hoe vaak zij hem geld heeft gegeven.

4.3

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en voorts aangevoerd dat verdachte op grond van het verblijvingsbeding geen aanspraak op het vruchtgebruik of de opbrengst van het ouderlijk huis kon maken en dus ook om die reden niet over vermogen beschikte dat hij aan DWI moest opgeven. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn zusters op dit verblijvingsbeding nooit een beroep hebben gedaan.

4.4

De officier van justitie is van mening dat verdachte de verhuizing van zijn moeder naar een verzorgingstehuis en het overlijden van zijn ouders bij DWI had moeten melden, omdat daardoor in zijn vermogenspositie een voor zijn recht op uitkering relevante wijziging optrad.

4.5

Oordeel van de politierechter

4.5.1

Voorop staat dat verdachte pas na het bereiken van de 65-jarige leeftijd en dus na afloop van de uitkeringstermijn in het kader van de WWB een uitkering uit de opbrengst van de verkoop van het ouderlijk huis heeft gekregen. De vraag is of hij reeds vóór de verkoop, en wel na het overlijden van zijn vader op [overlijdensdag] 2007, over het – met zijn zusters gedeelde – vruchtgebruik daarvan kon beschikken.

4.5.2

Het verweer dat verdachte vanwege het verblijvingsbeding niet over het aan hem en zijn zusters geschonken vermogen kon beschikken, gaat niet op. Weliswaar staat dit beding in de onder 4.1.2 genoemde schenkingsakte, maar verdachtes zusters hebben daarop nooit een beroep gedaan en hem de aanspraak op zijn aandeel in het vermogen ontzegd.

4.5.3

Gelet op haar leeftijd (88 jaar) en het feit dat verdachte en zijn zusters het ouderlijk huis al in 2008 te koop hebben gezet, is niet aannemelijk dat verdachtes moeder na haar verhuizing naar het verzorgingstehuis nog in het ouderlijk huis zou terugkeren. Verdachte heeft verklaard dat daar voor haar een voorziening zou worden getroffen, zodat zij daar ook na verkoop zou kunnen wonen. Hij heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verdachte vanaf 1 augustus 2007 over het – gedeelde – vruchtgebruik van het ouderlijk huis beschikte. Dit geldt temeer, nu verdachtes vader in zijn testament had bepaald dat de door zijn echtgenote aan de erfgenamen te verrichten uitkering opeisbaar zou zijn in geval van een verhuizing naar een verzorgingstehuis. Aan dit alles doet niet af dat het ouderlijk huis uiteindelijk pas is verkocht, nadat verdachte de 65-jarige leeftijd had bereikt. Verdachte had immers bijstand in de vorm van een lening kunnen krijgen.

4.5.4

Verdachte had gelet op zijn contact met de Sociale Dienst op 15 april 2002 moeten weten dat het verstrekken van informatie over de staat van het ouderlijk huis voor zijn recht op uitkering en de hoogte daarvan van belang was.

4.5.5

Nu verdachte van de aan zijn recht op het vruchtgebruik ten grondslag liggende gebeurtenissen geen melding aan DWI heeft gedaan, is het ten laste gelegde wat dat betreft bewezen. Dat geldt niet voor de niet opgegeven rekeningen, aangezien niet is gebleken dat hij daarop meer geld had staan dan het hem toegestane vermogen. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De politierechter acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode vanaf 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2010 te Amsterdam, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen, immers heeft hij in die periode en op die plaats niet aan genoemde dienst meegedeeld of kenbaar gemaakt dat

zijn moeder op 5 juni 2007 was ingeschreven in een verzorgingstehuis en

zijn moeder op [overlijdensdag] 2010 was overleden en

zijn vader op [overlijdensdag] 2007 was overleden en

hij, verdachte, en zijn zusters sinds 1 augustus 2007 de volledige beschikking hadden over de woning aan de [adres] te [plaats ],

gegevens waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat ze van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

De officier van justitie heeft de oplegging van een werkstraf van 60 uren gevorderd, te vervangen door 30 dagen hechtenis bij niet-uitvoering daarvan. Weliswaar zouden de richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert, tot een aanzienlijk hogere straf moeten leiden, maar de omstandigheden in deze zaak zijn anders dan in de doorsneezaken met betrekking tot uitkeringsfraude.

De politierechter neemt bij de oplegging van de straf en de hoogte daarvan in aanmerking dat verdachte ten onrechte niet aan de uitkerende instanties heeft gemeld dat hij over vermogen beschikte, en daarmee ten onrechte een uitkering uit gemeenschapsgeld heeft genoten. Verdachte had, gezien zijn contacten met de Sociale Dienst op 15 april 2002, kunnen weten dat de informatie over de staat van het ouderlijk huis voor de uitkeringsinstantie van belang was. Hij had, ook als het ouderlijk huis nog niet te gelde was gemaakt, een uitkering bij wijze van lening kunnen krijgen.

Mede gelet op het ontbreken van relevante documentatie is de door de officier van justitie gevorderde werkstraf passend.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

10 Beslissing

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals onder 5. is vermeld en verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

- in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

- Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2013.

In de voetnoten wordt telkens verwezen naar de doorgenummerde pagina’s in het dossier. Tenzij anders vermeld, gaat het steeds om geschriften en niet om in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal.

Proces-verbaal van relaas van DWI d.d. 11 december 2012 (p. 3-12), onder 2.1 en 3.2.

Akte van schenking en levering (p. 49-54).

Rapportage Sociale Dienst met bijlage, als losse geschriften in het dossier gevoegd.

Proces-verbaal van relaas DWI d.d. 11 december 2012 (p. 3-12), onder 6. De geboortedata van de ouders van verdachte staan in de akte van schenking en levering (p. 49-54), p. 1.

Notariële akte van testament, als afzonderlijk geschrift in het dossier gevoegd.

Rapport horen klant van DWI d.d. 15 november 2012 (p. 13).

Gewijzigde afrekening d.d. 24 augustus 2010 (p. 55) en beschrijving en partiële verdeling nalatenschap d.d. 25 oktober 2010 (p. 56) van [persoon 1] van [Notariskantoor].

Rekeningafschrift Fortis Bank (p. 17).

Rekeningafschriften Fortis Bank (p. 29 en 30).


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature