Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

2e ontbindingsverzoek van werknemer. Geen kantonrechtersformule.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

sector kanton - locatie Amsterdam

kenmerk: EA 11 490

26 april 2011

11

Beschikking van de kantonrechter te Amsterdam op een verzoek als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek , ingediend door:

[verzoekster]

wonende te Lelystad

verzoekster

gemachtigde: mr.A.P.Verbeek

t e g e n

[verweerder]

gevestigd te Amsterdam

verweerder

gemachtigde: mr.P.A.Charbon.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Verzoekster heeft op 30 maart 2011 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

Verweerster heeft op 15 april 2011 een verweerschrift inge¬diend.

Voor de behandeling heeft verzoekster nog 3 produkties ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 19 april 2011. Partijen zijn verschenen met hun gemachtigden. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1) Tot uitgangspunt dient het volgende:

a) Verzoekster, thans 57 jaar oud, is sedert 1 februari 1978 in dienst van verweerster, laatstelijk als Hoofd Infectiepreventie. Het brutosalaris bedraagt EUR 4.010,27 per maand exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.

b) Op 14 maart 2011 heeft de kantonrechter te Amsterdam een verzoek

tot ontbinding van verzoekster afgewezen, daartoe overwegende,

voor zover van belang:

GRONDEN VAN DE BESLISSING

uitgangspunten

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken kan van het volgende worden uitgegaan:

a. [verzoekster], thans 57 jaar oud, is sinds 1 februari 1978 in dienst van [verweerder]. Vanaf datum indiensttreding tot 1 februari 2003 heeft zij de functie van ziekenhuishygiëniste vervuld. Met ingang van 1 februari 2003 is [verzoekster] Hoofd Infectiepreventie en Milieuzaken geworden. Vanaf 1 september 2003 is zij daarnaast voor 0,3 Fte de op dat moment nieuwe functie van Calamiteitencoördinator gaan vervullen. De arbeidsduur bedraagt 32 uren per week. Het brutosalaris is € 4.010,27 per maand exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.

b. In september 2009 heeft [verzoekster] een brief gestuurd naar [naam] en de heer [naam], ook lid van de Raad van Bestuur van [verweerder], welke onder meer betrekking heeft op de functie van [verzoekster], de werkzaamheden, de hoge werkdruk en de houding van het [verweerder].

c. Vervolgens hebben tussen partijen gesprekken plaatsgevonden over de dubbelfunctie van [verzoekster]. Op 31 mei 2010 heeft [naam] aan [verzoekster] onder meer geschreven:

“(…) Sinds najaar 2009 zijn wij met elkaar in gesprek over de situatie dat jij twee functies vervult in het [verweerder], te weten Hoofd Infectiepreventie en Milieu en Calamiteitencoördinator. (…) Ik heb aangegeven dat de Raad van Bestuur deze situatie (…) een uiterst kwetsbare combinatie van functies vindt. Beide functies kennen een potentieel acuut karakter. In situaties waarin de inzet van beide functionarissen intensief nodig is, moeten we teveel een beroep doen op één persoon. Dit kan leiden tot ongewenste gevolgen voor jou en/of de organisatie; de grieppandemie is daar een voorbeeld van. (…)”

Vervolgens laat [naam] [verzoekster] de keuze om de functie van Hoofd Infectiepreventie en Milieu dan wel de functie van Calamiteitencoördinator te gaan vervullen. Daarbij is medegedeeld dat een voorgnomen besluit van de Raad van Bestuur om Infectiepreventie over te hevelen naar MML (Medisch Microbiologisch Laboratorium, ktr.) is uitgesteld.

d. Op 15 juni 2010 heeft de Raad van Bestuur van [verweerder] middels een notitie de ondernemingsraad om advies gevraagd met betrekking tot een voorgenomen besluit inzake de “Nieuwe opzet Concernstaf” bij [verweerder]. In die notitie zijn de personele consequenties vermeld. In de bijgevoegde organogrammen is de oude en de nieuwe situatie vermeld. De functie van Calamiteitencoördinator wordt 0,5Fte en zal gaan vallen onder de concernstaf. De functie van Hoofd Infectiepreventie en Milieuzaken (0,5Fte) zal wijzigen in de functie Hoofd Infectiepreventie (0,5Fte). Milieu zal in de opzet worden ondergebracht bij de Concernstaf.

e. Op 21 juni 2010 reageert [naam] onder meer op een brief van [verzoekster] aan [naam] van 10 juni 2010. Voorts bevestigt [naam] dat er op 22 juni een bespreking zal plaatsvinden met [verzoekster]. [naam] schrijft daarnaast onder meer:

“(…)”

De aanleiding voor de voorgestelde keuze tussen de functies van Calamiteitencoördinator en Hoofd Infectiepreventie en Milieu wordt ingegeven door de opvatting van de Raad van Bestuur dat de uitvoering van deze twee functies door één persoon te kwetsbaar is. In je antwoord heb ik gelezen dat je het redelijk vindt dat het [verweerder] geen dubbelfuncties meer wenst en dat je dat als een goede ontwikkeling ervaart.

In de tijd valt de door jou te maken keuze tussen deze twee functies intussen samen met de concrete invulling van de beoogde reorganisatie van enkele stafafdelingen (…) maar staat er feitelijk los van. Ook zonder de reorganisatie wil de Raad van Bestuur dat de twee functies door twee personen worden vervuld. (…)”

f. Op 30 juni 2010 informeert [naam] [verzoekster] over de door [verzoekster] met betrekking tot de functie van Calamiteitencoördinator gestelde vragen. Voorts schrijft [naam] dat is afgesproken dat [verzoekster] op 1 juli 2010 haar definitieve keuze laat weten.

g. Bij brief van 1 juli 2010 aan [verzoekster] refereert [naam] aan de door [verzoekster] geschreven brief van 27 juni 2010, waarin [verzoekster] mededeelt geen keuze te kunnen maken uit beide voorgestelde functies (zie c.)

h. De ondernemingsraad heeft bij brief van 3 augustus 2010 van haar voorzitter positief geadviseerd omtrent de organisatorische- en personele consequenties van de reorganisatie.

i. Het voorlopig besluit tot reorganisatie is vervolgens omgezet in een definitief besluit. De reorganisatie is doorgevoerd per 1 oktober 2010.

j. Door de reorganisatie is de calamiteitencoördinatie onderdeel gaan uitmaken van de Concernstaf. Met de reorganisatie is tevens het onderdeel Milieu verplaatst van de afdeling Infectiepreventie naar de Concernstaf.

k. Op 12 augustus 2010 heeft [naam] aan [verzoekster] geschreven dat [verzoekster] nog geen definitieve keuze heeft gemaakt en dat [naam] de vragen die [verzoekster] had, met name die over de positionering van de Calamiteitencoördinator binnen de Concernstaf, schriftelijk heeft beantwoord. [verzoekster] wordt verzocht uiterlijk maandag 16 augustus 2010 een keuze te maken tussen de functies, bij gebreke waarvan de Raad van Bestuur een beslissing zal nemen. Deze zal inhouden dat [verzoekster] met ingang van 1 januari 2011 niet langer de functie van Calamiteitencoördinator zal bekleden.

l. Op 15 augustus 2010 e-mailt [verzoekster] aan [naam] onder meer:

“(…)

Helaas kreeg ik in ons onderhoud (…) geen enkel antwoord op al mijn openstaande vragen uit voorgaande gesprekken, mails en brieven. Terwijl ik oprecht had gehoopt op een volwassen uitwisseling van gedachten. (…) nog steeds is er door jou geen duidelijkheid gegeven over de toekomstige ondersteuning bij de Calamiteitencoördinatie, dan wel de overblijvende bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken van het hoofd Infectiepreventie, indien opgenomen in de lijnorganisatie van medische microbiologie. Wat hierover vanaf begin mei door jou gezegd en geschreven is, is niet consistent.

(…) er is in ons laatste gesprek niets veranderd en ik kan zonder de vereiste duidelijkheid over de toekomstige rollen, derhalve zonder antwoord op mijn gerechtvaardigde vragen, niet mijn keuze maken dan wel akkoord gaan met de aangekondigde eenzijdige wijziging van mijn aanstelling. (…)”

m. In een brief van 17 augustus 2010 van [naam] aan [verzoekster] gaat [naam] in op de twee aspecten waarover bij [verzoekster] onduidelijkheid bestaat (zie l.). Voorts constateert [naam] dat die aspecten vele keren aan de orde zijn geweest, dat [verzoekster] volgens [naam] ruimschoots over voldoende informatie beschikte om tot een afweging te komen, maar dat [verzoekster] geen keuze wil maken. Bevestigd wordt dat [verzoekster] met ingang van 1 januari 2011 niet meer de functie van Calamiteitencoördinator bekleedt.

n. De gemachtigde van [verzoekster] heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 25 augustus 2010.

o. [naam] heeft per brief van 29 september 2010 [verzoekster] onder meer geïnformeerd dat de functie van Hoofd Infectiepreventie en Milieuzaken als gevolg van de reorganisatie wijzigt in de functie Hoofd Infectiepreventie.

Verzoek

2. [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een verandering in de omstandigheden die aan een voortzetting van het dienstverband in de weg staat. Zij stelt daartoe, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende. Haar vertrouwen in het [verweerder] is ernstig geschaad. Dit is het gevolg van de opstelling van het [verweerder] met betrekking tot de reorganisatie. Het [verweerder] heeft geen passende functies aangeboden aan [verzoekster]. De door het [verweerder] aan [verzoekster] opgelegde functie is dat evenmin. Partijen zijn geen eenzijdig wijzigingsbeding overeengekomen en de wijziging kan de door de Hoge Raad daarvoor geformuleerde criteria niet doorstaan. Bovendien heeft het [verweerder] zich gedurende het reorganisatieproces niet als zorgvuldig werkgever gedragen. [naam] heeft zich tegenover [verzoekster] vijandig gedragen. Het [verweerder] heeft er alles aan gedaan om [verzoekster] het werken te bemoeilijken dan wel het werkplezier te ontnemen. De omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag liggen zijn volledig te wijten aan het [verweerder]. Daarom meent [verzoekster] dat aan haar een vergoeding toekomt, die dient te worden vastgesteld met toepassing van de kantonrechtersformule waarbij de correctiefactor op 2 moet worden gesteld. Dit komt neer op een bedrag van afgerond € 309.672,00 bruto. Voorts maakt [verzoekster] aanspraak op de kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 6.000,00, te vermeerderen met btw.

Verweer

3. Het [verweerder] concludeert tot afwijzing van het verzoek. Zij voert, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan. Het [verweerder] wil graag met [verzoekster] verder in de huidige setting. Op haar functioneren is geen kritiek en zij is een gewaardeerde kracht. [verzoekster] is al lange tijd op de hoogte van de wens van [verweerder] om de functies die [verzoekster] oorspronkelijk gecombineerd uitoefende niet meer door één persoon te laten uitoefenen. [verzoekster] was het daar ook mee eens en daarover bestond geen enkele onduidelijkheid. De doorgevoerde reorganisatie staat daar volledig los van. Van onzorgvuldig handelen is volgens het [verweerder] geen sprake. De gesprekken die zijn gevoerd waren niet altijd makkelijk, maar van vijandigheid is geen sprake geweest. Het doel van [verweerder] is steeds geweest om [verzoekster] voor de organisatie te behouden en het [verweerder] heeft [verzoekster] nimmer het werkplezier willen ontnemen. Van onzorgvuldig handelen door het [verweerder] is geen sprake. De functies waartussen [verzoekster] kon kiezen zijn passend. Het wijzigingstraject kan de toets der kritiek doorstaan. Het [verweerder] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank omtrent de ontbinding, maar als tot ontbinding wordt overgegaan, dient dat te geschieden zonder toekenning van een vergoeding.

Beoordeling

De reorganisatie en de splitsing van de werkzaamheden van [verzoekster]

4. Vooropgesteld zij dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen de door het [verweerder] doorgevoerde reorganisatie in breed verband en de wens van het [verweerder] om de beide functies die [verzoekster] voorheen uitoefende, namelijk Hoofd Infectiepreventie en Milieu en Calamiteitencoördinator, niet meer door één persoon te laten verrichten.

5. Door het [verweerder] is toegelicht dat zij heeft besloten om de functies van Calamiteitencoördinator en Hoofd Infectiepreventie en Milieu vanwege de vanuit de maatschappij toenemend kritische houding ten opzichte van de kwaliteit en veiligheid en risicobeheersing binnen de organisatie niet meer te laten uitoefenen door één persoon. Het [verweerder] heeft toegelicht dat beide functies een potentieel acuut karakter hebben en dat er situaties zijn waarin de inzet van beide functies/functionarissen intensief nodig is. Vervulling van beide functies door één persoon levert een te kwetsbare situatie op. Gelet op deze toelichting acht de kantonrechter het besluit van het [verweerder] begrijpelijk en niet in strijd met goed werkgeverschap. Hetzelfde geldt voor het feit dat [verzoekster] vervolgens een keuze werd voorgelegd tussen de functie van Hoofd Infectiepreventie en Milieu (die [verzoekster] bekleedde vanaf februari 2003) en Calamiteitencoördinator (welke functie zij er vanaf september 2003 bij is gaan doen).

6. Daarnaast speelde de reorganisatie, die per 1 oktober 2010 door de Raad van Bestuur is doorgevoerd ( zie 1.d, h, i en j.). Het [verweerder] heeft voldoende onderbouwd dat de beslissing tot splitsing van de werkzaamheden behorende bij de twee functies los van de reorganisatie staat. Het staat de werkgever bovendien in beginsel vrij om de organisatie in te richten en te herinrichten naar het haar goeddunkt. Op de reorganisatie is voor wat betreft de organisatorische en de personele consequenties positief door de Ondernermingsraad geadviseerd. Voor wat betreft de gevolgen die de reorganisatie voor [verzoekster] als werknemer heeft dient het [verweerder] uiteraard ook de belangen van [verzoekster] te waarborgen. Door de reorganisatie zijn er immers wijzigingen opgetreden in de organisatie van het [verweerder] zelf (de Calamiteitencoördinatie is geplaatsts onder de Concernstaf) alsmede in de functie van Calamiteitencoördinator en Hoofd Infectiepreventie en Milieu (na de reorganisatie; Hoofd Infectiepreventie).

7. [verzoekster] heeft daaromtrent gesteld dat a) beide functies na splitsing en na reorganisatie niet passend voor haar zijn en b) dat het [verweerder] als werkgever onzorgvuldig heeft gehandeld in het voortraject en haar van onvoldoende informatie heeft voorzien om een keuze te maken. Hierop zal hieronder worden ingegaan.

Passendheid van de functie

uitgangspunt

8. Geconstateerd wordt dat de dubbelfunctie die [verzoekster] heeft vervuld, met name bij calamiteiten, een behoorlijke (werk)druk met zich meebracht. Dit vindt bevestiging in de door [verzoekster] zelf opgestelde brief (1.b.) aan het [verweerder], waarin zij onder meer wijst op de hoge werkdruk, overwerk, werken op roostervrije dagen en een verlofstuwmeer (productie 7 bij het verzoek). Bovendien heeft [verzoekster], alvorens zij de werkzaamheden behorende bij functie van Calamiteitencoördinator is gaan uitoefenen, alleen de functie van Hoofd Infectiepreventie en Milieu bekleed. Die functie was destijds dus blijkbaar volwaardig. Hieruit volgt dat voor het oordeel of [verzoekster] aannemelijk heeft gemaakt dat de functies na de splitsing en de reorganisatie niet als passend zijn aan te merken niet zonder meer uitgegaan moet worden van de oude situatie, namelijk in die waarin [verzoekster] de dubbelfuncties uitoefende. Dat [verzoekster] die werkzaamheden altijd naar volle tevredenheid heeft uitgevoerd is niet ter discussie en doet daaraan ook niet af.

Hoofd Infectiepreventie

9. Het [verweerder] heeft gewezen op een functiebeschrijving van de nieuwe functie Hoofd Infectiepreventie (productie 8 bij het verweerschrift) en aangevoerd dat de beschrijving nagenoeg gelijk is gebleven aan de beschrijving zoals die eerder gold in 2008. Het onderwerp Milieu is wel ondergebracht bij de Concernstaf, maar hierover communiceerde de Milieucoördinator al rechtstreeks met de Raad van Bestuur, zonder tussenkomst van het Hoofd Infectiepreventie en Milieu. Het Hoofd Infectiepreventie geeft leiding aan zes personen en blijft direct onder de Raad van Bestuur vallen, aldus het [verweerder]. Hiertegenover heeft [verzoekster] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze functie thans niet passend is. Hoewel aan [verzoekster] kan worden toegegeven dat er in die beschrijving is vermeld dat Infectiepreventie mogelijk zal worden ingevoegd bij de unit MML, is dit nog niet zeker en thans in ieder geval niet aan de orde. Daarmee kan dan ook nu geen rekening worden gehouden. Mogelijk wel in de toekomst, waarna wellicht een andere situatie ontstaat. Dat de functie feitelijk uitsluitend die van meewerkend “voorman’-hygiënist behelst omdat de beleidsverantwoordelijkheid en de aansturing van de afdeling zullen zijn voorbehouden aan de arts-microbioloog, zoals [verzoekster] heeft aangevoerd, is evenmin aannemelijk. Niet gesteld of gebleken is dat de functie qua loon substantieel lager is ingeschaald. Voorts bevestigt het organogram (productie 1 bij verweerschrift) het leidinggevende aspect van de functie. Daarnaast heeft het [verweerder] ter zitting toegelicht dat de functie thans 1,0 Fte behelst en dat het organogram (zie 1.d.) op dit punt (daarin is vermeld 0,5 Fte, ktr.) is achterhaald. Hierbij wordt voorts verwezen naar hetgeen hiervoor onder 7. is overwogen. Ten slotte heeft [verzoekster], tegenover de stellingen van het [verweerder], onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het verdwijnen van de pijler Milieu een dusdanige uitkleding van de functie, werkzaamheden en verantwoordelijkheid betreft dat de nieuwe functie voor 1,0 Fte feitelijk maar 0,5 Fte aan werk behelst. De slotsom is dat de kantonrechter het ervoor houdt dat de functie van Hoofd Infectiepreventie thans passend is.

Calamiteitencoördinator

10. Dit brengt mee dat niet behoeft te worden ingegaan op de vraag of de functie van Calamiteitencoördinator al dan niet passend is.

Onzorgvuldig handelen door [verweerder] tijdens het reorganisatietraject?

11. [verzoekster] heeft gesteld dat zij onvoldoende en onjuist is geïnformeerd om een goede keuze te maken tussen de twee aangeboden functies, dat zij onder druk is gezet, dat er sprake is geweest van een vijandige houding ten opzichte van [verzoekster] en dat het [verweerder] heeft aangestuurd op een gedwongen vertrek.

12. Hieromtrent wordt het volgende overwogen. Uit de stukken en hetgeen over en weer is gesteld komt naar voren dat er tussen partijen veel gesprekken zijn gevoerd over de op handen zijnde veranderingen binnen de organisatie. Dat deze veranderingen [verzoekster] raken is buiten kijf. Tegen die achtergrond mocht van [verweerder] worden verwacht dat zij duidelijk maakte wat de werkzaamheden behorende bij de twee functies zouden zijn na splitsing daarvan, mede in het licht van de (voorgenomen) reorganisatie.

13. Weliswaar is de informatie in eerste instantie niet volledig geweest en waren er bij aanvang van de gesprekken over de functies (terechte) vragen bij [verzoekster], maar uiteindelijk blijkt uit de correspondentie tussen partijen dat op die vragen antwoord is gegeven. Van onzorgvuldige informatieverstrekking is geen sprake. Hoewel [verzoekster] er terecht op heeft gewezen dat in de concept functiebeschrijving van Calamiteitencoördinator van 13 april 2010 leidinggevende taken zijn genoemd welke zijn verdwenen in de beschrijving van 21 september 2010, was dit haar wel eerder duidelijk gemaakt. [naam] heeft dit immers in de brief van 21 juni 2010 (productie 12 bij het verzoek) medegedeeld, kennelijk naar aanleiding van vragen van [verzoekster]. Het kan voor [verzoekster] dan ook niet helemaal als een verrassing zijn gekomen dat deze elementen uit de functiebeschrijving zijn gehaald. Bovendien heeft het [verweerder] gemotiveerd betwist dat de Calamiteitencoördinator in de oude opzet leiding gaf, behalve aan secretariële ondersteuning voor 0,1 Fte. Ook op de overige vragen van [verzoekster] is ingegaan. In de brief van 21 juni 2010 heeft [naam] bijvoorbeeld medegedeeld dat er van een proeftijd bij de functie van Calamiteitencoördinator geen sprake is. Dit had [verzoekster] begrepen uit de brief van 31 mei 2010. Voor wat betreft de functie van Hoofd Infectiepreventie is in de brief van 31 mei 2010 medegedeeld dat die functie niet bij MML zou worden ondergebracht.

14. Dat [verzoekster] in het ongewisse is gelaten omtrent de inhoud van de functies en de werkzaamheden is derhalve niet aannemelijk geworden. Uiteindelijk beschikte zij, na vele gesprekken met [naam] te hebben gevoerd, over de functiebeschrijvingen van de functies zoals die zouden worden (productie 8 en 9 bij het verweerschrift). Dat daarin verrassingen stonden die met [verzoekster] niet besproken zijn dan wel werkzaamheden zijn genoemd of zijn vervallen die in de gesprekken nooit aan de orde zijn geweest is niet aannemelijk geworden. Weliswaar heeft [naam] aangedrongen op een spoedige keuze, ook toen voormelde functiebeschrijvingen nog niet aan [verzoekster] ter beschikking waren gesteld, maar gelet op de vele gesprekken die zijn gevoerd, rechtvaardigt dat niet de conclusie dat van onzorgvuldig handelen sprake is. Hiervoor is reeds geoordeeld dat de functie van Hoofd Infectiepreventie passend is voor [verzoekster] en mitsdien begrijpelijk dat [verweerder] [verzoekster] uiteindelijk in die functie heeft geplaatst.

15. Het voorgaande neemt niet weg dat het begrijpelijk is dat [verzoekster], die al 32 jaar bij het [verweerder] naar tevredenheid werkzaam is, het als een last heeft ervaren om met de veranderingen om te gaan. [verzoekster] heeft ter zitting ook verklaard dat zij het gevoel heeft dat zij “moet meewerken aan het afbreken van wat zij heeft opgebouwd.” Een werkgever beslist echter uiteindelijk hoe zij de organisatie vorm geeft. Teleurstelling daarover bij de werknemer maakt niet dat de werkgever daardoor in strijd met goed werkgeverschap handelt. Dat het [verweerder] niet is ingegaan op een verzoek van [verzoekster] om mediation toe te passen maakt dat niet anders.

Conclusie

16. Het staat een werknemer uiteraard vrij om een dienstverband op te zeggen. Dat er sprake is van een verandering van de omstandigheden die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn door ontbinding moet eindigen is niet aannemelijk geworden. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

1.3 Op 14 maart 2011 heeft verzoekster zich ziek gemeld.

2) Verzoekster verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat er sprake is van gewichtige redenen in de zin van een verandering in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeids¬overeen¬komst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen en verzoekt voorts om een vergoeding van EUR 309.672,- bruto ten laste van verweerster toe te kennen. Daartoe stelt verzoekster - kort gezegd - dat haar vertrouwen in verweerster ernstig is geschaad door een eenzijdige wijziging van haar functie. Verzoekster stelt voorts dat sinds de hiervoor geciteerde beschikking van de kantonrechter de volgende nieuwe feiten een nieuw verzoek rechtvaardigen:

-de afdeling Infectie Preventie (IP) waarvan verzoekster sinds 1 januari 2011 het hoofd is wordt ingevoegd bij de afdeling MML waardoor de functie van verzoekster verder wordt uitgehold;

-verzoekster is vanaf 14 maart 2011 ziek door haar werk;

-verweerster weigert na de beschikking van 14 maart 2011 de werkinvulling van verzoekster serieus op te pakken.

3) Verweerster betwist dat er gewichtige redenen zijn in de door verzoekster bedoelde zin, althans zij betwist dat er gronden zijn om enige ver¬goeding aan verzoekster toe te ken¬nen. Daartoe voert verweerster - kort gezegd - aan dat verzoekster geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft gesteld die een nieuw ontbindingsverzoek rechtvaardigen. Het verzoek is daarom niet ontvankelijk althans het dient te worden afgewezen bij gebrek aan een verandering in de omstandigheden die ontbinding rechtvaardigt althans er bestaat geen reden om enige vergoeding aan verzoekster toe te kennen.

De ontbinding

4) In de hiervoor geciteerde beschikking is onder 9. opgenomen dat invoeging van IP bij de unit MML in de toekomst wellicht een andere situatie doet ontstaan. Daarmee is het verzoek, stellende dat plaatsing van IP bij de afdeling MML is doorgezet, ontvankelijk. Ook de omstandigheid dat verzoekster thans stelt ziek te worden van haar werk kan als een nieuw feit worden aangemerkt dat ontvankelijkheid van het verzoek met zich brengt. Het verweer, inhoudende dat het verzoek niet ontvankelijk is, faalt derhalve.

5. Verzoekster stelt ziek te zijn geworden van haar werk. De bedrijfsarts heeft geschreven dat ‘’er geen sprake is van een medisch objectiveerbare ziekte of gebrek dan wel onderliggende factoren in de privé situatie die een verklaring kunnen zijn voor de huidige klachten van betrokkene’’. De arbo-arts adviseert echter een doorbetaalde interventieperiode toe te staan omdat de spanningen zodanig zijn dat het niet verstandig is om direct het werk te hervatten. Dit is gebeurd. Op 14 april 2011 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden over werkhervatting. Verzoekster heeft haar werk nadien niet hervat. Dit alles kan als een wijziging van omstandigheden worden aangemerkt die de door verzoekster verzochte ontbinding rechtvaardigen. Het verweer dat het verzoek dient te worden afgewezen faalt derhalve. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.

De vergoeding

6. In dit verband wordt beoordeeld of de nieuwe feiten/omstandigheden zoals hiervoor onder 2. weergegeven met zich dienen te brengen dat verzoekster enige vergoeding toekomt.

7. Vanaf 1 januari 2011 tot 14 maart 2011 (ziek worden verzoekster) heeft verzoekster gewerkt in de haar toebedeelde functie van Hoofd IP. Zij heeft niet gesteld dat haar inmiddels uit ervaring is gebleken dat die functie feitelijk niet de inhoud heeft zoals die is weergegeven in de stukken bij de eerdere ontbindingsprocedure. Dat verweerster, vooruitlopend op de besluitvorming, de afdeling IP al aan het onderbrengen is bij MML, zoals verzoekster stelt, is niet aannemelijk geworden op basis van de voorbeelden die verzoekster daarvan heeft gegeven (zie pleitnota bl.5/6) in het licht van het navolgende. Verweerster overweegt al enige tijd om de afdeling IP onder te brengen bij de afdeling MML. Dat was zo ten tijde van het eerste verzoek en dat is nog steeds zo. Er is echter nog geen voorgenomen besluit tot invoeging van IP bij MML dat bij de Raad van Bestuur ligt. In verslagen is vastgelegd dat een dergelijk besluit nog voorgelegd zal (moeten) worden aan de adviesorganen en dat de medewerkers IP is toegezegd dat zij betrokken zullen worden bij het opstellen van een convenant ingeval van overplaatsing van hun afdeling. Van een nieuw feit zoals gesteld onder 2. is derhalve geen sprake. Hierin kan dus geen rechtvaardiging voor ontbinding worden gevonden noch voor toewijzing van enige vergoeding aan verzoekster.

8. Verzoekster heeft toegelicht dat zij na de uitspraak in de eerdere ontbindingszaak is afgeknapt. Waar geoordeeld is dat verweerster, ten gevolge van de reorganisatie, in elk geval de passende functie van Hoofd IP aan verzoekster heeft aangeboden terwijl geen sprake was van onzorgvuldig handelen van verweerster in het reorganisatietraject kan het ziek worden van verzoekster niet worden teruggevoerd op verwijtbaar handelen van verweerster. Ook hierin is dus geen rechtvaardiging te vinden voor toekenning van enige vergoeding.

9. Verzoekster verwijt verweerster ten slotte dat zij na 14 maart 2011 niet serieus met haar in gesprek is gegaan. Verzoekster ziet er aldus aan voorbij dat zij na de beschikking van de kantonrechter van 14 maart 2011 haar werk als Hoofd IP diende te continueren of zij diende de consequentie te dragen van haar standpunt dat die functie naar haar oordeel niet passend was.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet aannemelijk geworden dat verweerster enig verwijt treft voor haar handelen na de eerste zaak. Blijft over dat een werknemer met een enorme staat van dienst totaal is vastgelopen op de uitvoering van een ook door verzoekster noodzakelijk geoordeelde reorganisatie van haar takenpakket. In zijn gevolgen is dat dramatisch. Rekening houdend met de staat van dienst van verzoekster, met haar leeftijd en de daarbij behorende moeilijke positie op de arbeidsmarkt, haar eenzijdig arbeidsverleden en de omstandigheid dat zij slachtoffer is geworden van zichzelf en de omstandigheden wordt geoordeeld dat een goed werkgever in deze situatie een werknemer enige tijd moet gunnen om zonder directe financiele gevolgen tot zichzelf te komen waarna zij in staat moet worden geacht ander passend werk voor zich te verwerven. De z.g. kantonrechtersformule wordt hier dus niet toegepast. Het wordt daarom billijk geoordeeld dat een vergoeding van Eur 50.000,- bruto wordt betaald. Voor toekenning van een vergoeding voor rechtsbijstand daarnaast is, gelet op de beoordeling van deze zaak, onvoldoende aanleiding.

11. Nu aan verzoekster een lagere vergoeding wordt toegekend dan zij heeft verzocht wordt haar de gelegenheid geboden om haar verzoek in te trekken.

12. Er zijn termen de proceskosten te compenseren, behoudens in het geval dat verzoekster het verzoek intrekt, in welk geval verzoekster in de kosten aan de zijde van verweerster wordt veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

I) ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2011;

II) kent aan verzoekster een vergoeding toe ten laste van verweerster ter hoogte van EUR 50.000,- bruto;

III) veroordeelt verweerster tot betaling van deze vergoeding en ver¬klaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

IV) bepaalt dat het onder I t/m III gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek door verzoekster uiterlijk op 16 mei 2011 wordt ingetrokken;

V) bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen, behoudens in het geval verzoekster het verzoek zal intrekken, in welk geval verzoekster wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van verweerster, die tot op heden worden begroot op Eur 700,- voor salaris van haar gemachtigde, voor zover verschuldigd, inclusief BTW.

VI wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus bij vervroeging gegeven door C.von Meyenfeldt, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2011 in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature