Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vordering tot nakoming exploitatieplicht.

Uitspraak



RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummers / rolnummers: 132211 / KG ZA 12-214 en 131955 /KG RK 12-462

datum vonnis: 13 november 2012

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verder te noemen [eiseres],

advocaat mr. G. Beekman te Almelo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat mr. drs. S.J.P. Kukolja te Saasveld.

1. De procedure in de zaken met rolnummers 132211 / KG ZA 12-214 en

131955 /KG RK 12-462

1.1. Op 24 september 2012 heeft [gedaagde] een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir (derden)beslag onder [eiseres] tevens verzoek tot gerechtelijke bewaring ingediend.

1.2. Op 24 september 2012 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het leggen van conservatoir (derden)beslag toegestaan, maar beslist dat voor het verzoek tot gerechtelijke bewaring eerst een mondelinge behandeling diende plaats te vinden.

1.3. Op 8 oktober 2012 heeft [eiseres] een verweerschrift tegen de gerechtelijke bewaring ingediend. Eveneens op 8 oktober 2012 heeft [eiseres] [gedaagde] gedagvaard in kort geding.

1.4. De mondelinge behandeling van het kort geding en de mondelinge behandeling van het verzoekschrift gerechtelijke bewaring vonden (gelijktijdig) plaats op 9 oktober 2012. Voorafgaand aan de behandeling zijn door beide partijen diverse producties overgelegd. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig de heer [X], namens [eiseres], vergezeld van mr. Beekman en de heer [Y], vergezeld van mr. Kukolja. De standpunten van beide partijen zijn toegelicht, aan de zijde van [gedaagde] door middel van een pleitnota. De zitting is vervolgens geschorst.

1.5. Voorafgaand aan de hervatting van de zitting heeft [eiseres] een eiswijziging ingediend met daarbij een aantal producties. Ook aan de zijde van [gedaagde] zijn nog een aantal producties overgelegd.

1.6. De hervatting van de zitting vond plaats op 23 oktober 2012. Daarbij zijn de standpunten van partijen nader toegelicht met behulp van pleitnota’s.

1.7. Het vonnis is bepaald op heden. Vanwege de grote samenhang tussen beide zaken worden de vorderingen in kort geding en het verzoek tot sekwestratie in één vonnis behandeld.

2. De vaststaande feiten in de zaak met rolnummer 132211 / KG ZA 12-214

2.1. Aannemings- en Afbouwbedrijf [A] (hierna: [A]) is een dochtermaatschappij van [eiseres]. [Eiseres] is daarnaast ook bestuurder van [A].

2.2. Op 15 december 2009 heeft [A] een huurovereenkomst met [gedaagde] gesloten voor de huur van een bedrijfsruimte door [A] voor € 5.000,00 ex BTW per maand. Deze huurprijs is op 2 juli 2012 verlaagd naar € 3.750,00 ex BTW. De gehuurde bedrijfsruimte bevindt zich in een bedrijfspand, waarin nog drie andere bedrijven zijn gevestigd.

2.3. Op grond van artikel 2 van de huurovereenkomst maken van de overeenkomst deel uit de ‘algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230 a BW ’ (hierna: de algemene bepalingen). Deze bepalingen houden onder andere het volgende in:

Gebruik

6.1 Huurder zal het gehuurde – gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst – daadwerkelijk, geheel, behoorlijk en zelf gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming. (…). Huurder zal het gehuurde voorzien en voorzien houden van voldoende inrichting en inventaris. (…)

Bankgarantie

12.1 Als waarborg voor de juiste nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst zal huurder bij ondertekening van de huurovereenkomst aan verhuurder afgeven een bankgarantie (…).”

2.4. Omdat de huurovereenkomst per 31 december 2011 niet is opgezegd, is deze conform het bepaalde in artikel 3.2. van de overeenkomst per 31 december 2012 verlengd voor een periode van vijf jaar, derhalve tot en met 31 december 2017.

2.4. Op 24 september 2012 heeft [gedaagde] verlof gekregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank voor het leggen van conservatoir (derden)beslag ten laste van [eiseres] voor een bedrag van € 371.280,00.

2.5. Op 25 september 2012 heeft [gedaagde] beslag gelegd ten laste van [eiseres].

3. Het geschil

in de zaak met rolnummer 132211 / KG ZA 12-214

in conventie

Het standpunt van [eiseres]

3.1. [eiseres] vordert – kort samengevat – na wijziging van eis om:

a) [gedaagde] te gebieden om het op 25 september 2012 ten laste van [eiseres] gelegde conservatoir beslag binnen twee dagen na dit vonnis op te heffen;

b) [gedaagde] te verbieden om conservatoir beslag te leggen ten laste van [eiseres] en/of [A] en/of haar overige dochter- en moedermaatschappijen;

c) [gedaagde] te verbieden om zich tegen relaties, opdrachtgevers en handelspartners in negatieve zin uit te laten over [eiseres] en/of [A] en/of haar overige dochter- en moedermaatschappijen;

d) [gedaagde] te verbieden het gehuurde te betreden anders dan in het kader van artikel 15 van de algemene bepalingen en niet dan nadat [gedaagde] daarover met [X] heeft overlegd.

Daarnaast heeft [eiseres gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom indien hij niet aan een van bovengenoemde verplichtingen voldoet, alsmede tot betaling van de proceskosten.

3.2. [Eiseres] heeft aangevoerd dat het beslag dient te worden opgeheven omdat de vordering, waarop het beslag is gebaseerd, op ondeugdelijke gronden rust. [Gedaagde] heeft aan zijn vordering namelijk de ontbinding van de huurovereenkomst wegens tekortkomingen van [eiseres]/[A] ten grondslag gelegd. [Eiseres] betwist dat zij en/of haar dochtermaatschappij is tekortgeschoten en daarom dat huurovereenkomst rechtsgeldig ontbonden is.

Ten aanzien van de vordering onder c) voert [eiseres] aan dat een aantal klanten zich tot haar heeft gewend omdat [gedaagde] hen zou hebben benaderd met de mededeling dat hij nog veel geld heeft te vorderen van [eiseres]. [Eiseres] voert aan dat dit soort suggestieve verhalen niet bevorderlijk is voor de verhoudingen tussen [eiseres] en haar klanten. Daarnaast is het [eiseres] gebleken dat [gedaagde] de gehuurde ruimte zonder geldige reden betreedt. [Eiseres] heeft daarom onder d) een verbod voor [gedaagde] gevorderd om het gehuurde zonder nader overleg met [A] te betreden.

3.3. [Gedaagde] heeft het standpunt van [eiseres] betwist. [Gedaagde] voert aan dat [A] op een drietal punten tekort is geschoten. Ten eerste heeft [eiseres] de huur niet op tijd betaald. Daarnaast voldoet [eiseres] niet aan haar exploitatieverplichting door goederen uit de gehuurde bedrijfsruimte te verhuizen naar een afdeling van [eiseres] in [plaats]. Als derde heeft [gedaagde] gewezen op het feit dat [A] tot op heden een voorschotnota voor de energie niet heeft betaald. Genoemde tekortkomingen rechtvaardigen volgens [gedaagde] de door haar ingeroepen ontbinding van de huurovereenkomst.

in reconventie

3.4. In reconventie vordert [gedaagde] dat [eiseres] wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een bankgarantie af te geven aan [gedaagde] voor drie maanden huur. Daarnaast vordert [gedaagde] dat het [eiseres] wordt verboden om activa - waarop door [gedaagde] op 25 september 2012 beslag heeft gelegd - te verhuizen uit het gehuurde pand en dat [eiseres] wordt veroordeeld om de verwijderde activa van [A] weer terug te bezorgen. Tot slot vordert [gedaagde] dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom indien zij niet aan bovengenoemde verplichtingen voldoet, alsmede tot betaling van de proceskosten.

3.5. Ten aanzien van de gevorderde bankgarantie voert [gedaagde] aan dat hij op grond van het huurcontract en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid recht en belang heeft bij meer zekerheid. [eiseres] dient daarom zorg te dragen dat haar dochter een bankgarantie voor de huur afgeeft. Bovendien is [A] op grond van het huurcontract verplicht tot exploitatie van het gehuurde. De inventaris van het bedrijf moet daarvoor aanwezig blijven.

3.6. [Eiseres] brengt daartegen in dat in de huurovereenkomst is bepaald dat door [A] geen bankgarantie zal worden gesteld, waardoor deze vordering dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de overige vorderingen merkt [eiseres] op dat het gehuurde pand door [A] niet is verlaten, maar nog – zij het in gewijzigde vorm – in gebruik is. Bovendien heeft [gedaagde] geen belang bij nakoming van de exploitatieverplichting. De vorderingen dienen dan ook te worden afgewezen, aldus [eiseres].

in de zaak met rolnummer 131955 /KG RK 12-462

3.7. Bij verzoekschrift van 24 september 2012 heeft [gedaagde] verzocht om de in beslag genomen goederen onder een gerechtelijke bewaarder te plaatsen. [Gedaagde] heeft daarvoor aangevoerd dat er gegronde vrees bestaat dat [eiseres] de inbeslaggenomen goederen aan verhaal zal onttrekken.

3.8. [Eiseres] heeft zich verzet tegen de verzochte sekwestratie. [Eiseres] voert aan dat haar dochter, [A], de in beslag genomen goederen nodig heeft om te voldoen aan haar verplichtingen uit lopende aannemingsovereenkomsten.

4. De beoordeling

in de zaak met rolnummer 132211 / KG ZA 12-214

in conventie

4.1. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen wordt voldoende aanwezig geacht.

Opheffen conservatoir beslag

4.2. Volgens het bepaalde in artikel 705 lid 2 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een conservatoir beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is.

4.3. [Eiseres] heeft aangevoerd dat de door [gedaagde] gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, omdat niet zij maar haar dochter wederpartij van [gedaagde] is. De huurovereenkomst is immers tussen [A] en [gedaagde] gesloten. Daarnaast heeft [eiseres] aangevoerd dat er geen gronden voor ontbinding van de huurovereenkomst bestaan, omdat [A] niet tekort is geschoten in de nakoming van enige verplichting.

4.4. [Gedaagde] stelt dat zij het beslag op 25 september 2012 ten laste van [eiseres] heeft gelegd omdat [eiseres] als bestuurder van [A] aansprakelijk is voor de door de ontbinding van de huurovereenkomst ontstane schade. [Gedaagde] heeft daarvoor aangevoerd dat [eiseres] ter zake van de ontbinding een ernstig verwijt valt te maken (betalingsonwil / betalingsonmacht) dan wel dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde]. [Eiseres] heeft het standpunt van [gedaagde] betwist en aangevoerd dat – zelfs indien van tekortkomingen van [A] sprake zou zijn – zij daarvoor niet aansprakelijk kan worden gehouden omdat er geen sprake is van betalingsonwil dan wel -onmacht.

4.5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De huurovereenkomst is met [A] gesloten en eventuele tekortkomingen van [A] in het kader van die huurovereenkomst kunnen alleen onder bijzondere omstandigheden worden toegerekend aan [eiseres] als moedermaatschappij. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] – mede gelet op de gemotiveerde betwisting aan de zijde van [eiseres] – onvoldoende heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat eventuele tekortkomingen van [A] aan haar moedermaatschappij moeten worden toegerekend. Reeds om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de door [gedaagde] gepretendeerde vordering. Niettemin zal de voorzieningenrechter overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de door [gedaagde] gestelde tekortkomingen en de vraag of die tekortkomingen ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.

4.6. Allereerst heeft [gedaagde] aangevoerd dat [A] tekort is geschoten in haar verplichting tot betaling van de huur over de maanden september en oktober 2012 en in haar verplichting om voorschotten voor de energie te betalen. [Gedaagde] stelt dat afgesproken is dat [A] de maandelijkse huur uiterlijk de 15e van de desbetreffende maand zou betalen. Zowel de huur over september als oktober 2012 zijn niet op of voor de 15e betaald. Daarnaast zou [A] voorschotten voor de energie ten bedrage van € 1.000,00 betalen, hetgeen nog altijd niet is gebeurd.

4.7. [Eiseres] heeft het standpunt van [gedaagde] gemotiveerd betwist. Volgens [eiseres] is afgesproken dat [gedaagde] de maandelijkse huur de 15e van die maand zou factureren. [A] zou vervolgens zorgen dat de huur voor het einde van de desbetreffende maand betaald zou zijn, hetgeen ook telkens is gebeurd. Ten aanzien van de voorschotten voor de energie stelt [eiseres] dat daarover nog geen eenduidige afspraken bestaan. Er zijn bijvoorbeeld twee voorschotten in rekening gebracht, waarvan één – naar de mening van [eiseres] – met een bedrag van € 1.000,00 veel te hoog is in verhouding tot het gehuurde.

4.8. Ten aanzien van het al dan niet tijdig betalen van de huur overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In het dossier bevindt zich de volgende correspondentie tussen [A] en [gedaagde] over de datum van betaling van de huur.

Op 17 juli 2012 bericht [A] per e-mailbericht aan [gedaagde]:

“(…) Wij hebben afgesproken de huur niet achteraf na drie maanden te voldoen maar maandelijks. Waarop jij zij dat je het vooraf wilde hebben. Ik heb aangegeven dit niet akkoord te vinden. Als uitkomst is afgesproken het huurtermijn per de 15de van de maand in te dienen.. Onze afgesproken betalingstermijn 30dgn (…)”.

Diezelfde dag mailt [gedaagde] - in reactie op bovenstaande e-mail - het navolgende aan [A]:

“(…) Uit coulange schik ik weer voor jullie en ga accoord met de 15e van de maand maar dan niet nog eens een termijn van 30 dagen en dat de huur van Juli op 15 augustus betaald wordt

Is niet afgesproken en dus niet accoord (…)”.

De voorzieningenrechter kan op basis van bovenstaande stukken niet vaststellen dat partijen overeengekomen zijn dat de huur telkens uiterlijk op de 15e van de maand betaald diende te zijn. Het enkele feit dat de huur voor de maand augustus wel op de 15e is betaald, doet daar niet aan af. Nu een kort geding zich naar haar aard niet leent voor het geven van bewijsopdrachten acht de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat [A] tekort is geschoten in haar verplichtingen om de huur te betalen. De huur over de maand september 2012 is immers voldaan op 27 september 2012 en [eiseres] heeft desgevraagd ter comparitie aangegeven dat de huur over de maand oktober 2012 ook voor het einde van de maand zal worden betaald.

4.9. Ook indien de voorzieningenrechter ervan uit zou gaan dat [A] wel tekort is geschoten in de verplichting om de huur tijdig te betalen, dan nog zou deze tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigen. Hoewel regelmatig te late betaling van de huur op den duur ontbinding van de huurovereenkomst met zich mee kan brengen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het tweemaal twee á drie weken te laat betalen van de huur daarvoor nog onvoldoende is.

4.10. Welke afspraken door partijen zijn gemaakt over het betalen van de voorschotten voor de energie door [A] kan de voorzieningenrechter eveneens niet opmaken uit de door partijen overgelegde stukken. Uit die stukken, in het bijzonder productie 3 bij dagvaarding en productie 9 bij de brief van 22 oktober 2012 van (de advocaat van) [eiseres], blijkt immers juist dat er over dit punt nog discussie bestaat. Nu onduidelijk is of en zo ja, welke afspraken partijen hebben gemaakt over het betalen van de voorschotten voor de energie, kan de voorzieningenrechter ook niet vaststellen of [A] daarin tekort is geschoten.

4.11. Als tweede argument voor het ontbinden van de huurovereenkomst heeft [gedaagde] aangevoerd dat [A] niet voldoet aan haar exploitatieplicht. [Gedaagde] heeft dit betwist.

4.12. Op grond van artikel 6.1. van de algemene bepalingen is [A] verplicht om het gehuurde te gebruiken overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming (zijnde bouwbedrijf met kantoorruimte) en het gehuurde te voorzien van voldoende inventaris. Vaststaat dat [A] in elk geval de kantooractiviteiten heeft overgeplaatst naar haar vestiging in [plaats] samen met een gedeelte van de bouwactiviteiten. [A] voldoet op dit moment dus, in elk geval ten aanzien van de kantoorruimte, niet meer aan de in de huurovereenkomst gegeven bestemming. De voorzieningenrechter ziet zich daarom voor de vraag geplaatst of het aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zou komen dat het niet voldoen aan de exploitatieverplichting de ontbinding van de huurovereenkomst zou rechtvaardigen. De voorzieningenrechter acht dat op dit moment niet aannemelijk, om de navolgende redenen.

4.13. Ter comparitie heeft [eiseres] verklaard dat de kantooractiviteiten en een gedeelte van de bouwactiviteiten van [A] naar [plaats] zijn verhuisd omdat in [plaats] minder werk is dan aanvankelijk, op basis van door [gedaagde] uitgesproken verwachtingen, werd gedacht. Een (zeer) groot project is uiteindelijk niet doorgegaan, waardoor [A] zich genoodzaakt zag haar activiteiten gedeeltelijk terug te trekken. [Eiseres] heeft daarnaast – onweersproken – gesteld dat zij, als bestuurder van [A], [gedaagde] heeft voorgesteld de huurovereenkomst in verband met bovenstaande te beëindigen, maar dat [gedaagde] dat geweigerd heeft. Uit productie 7 overgelegd bij faxbericht van 22 oktober 2012 volgt bovendien dat [gedaagde] zelf heeft voorgesteld dat [A] de werkplaats naar [plaats] zou verhuizen, waarbij het pand in [plaats] zou worden onderverhuurd. Verder is ter comparitie gebleken dat [A] het gehuurde niet geheel heeft verlaten en dat er nog altijd tenminste één persoon werkzaam is in het gehuurde. [Eiseres] heeft desgevraagd verklaard dat de intentie bestaat om [A] weer terug te laten keren naar [plaats] als daar genoeg werk is. Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij schade zal lijden doordat [A] niet (volledig) aan haar exploitatieplicht voldoet. In het gehuurde bevinden zich immers nog drie andere huurders en gesteld noch gebleken is dat [A] de grootste of meest beeldbepalende huurder is. Daarbij is ook van belang dat het gehuurde door [A] niet geheel is verlaten, maar – zij het in gewijzigde vorm – in gebruik is gebleven.

4.14. Dit betekent dat – hoewel voorshands geoordeeld moet worden dat [A] tekortschiet in de nakoming van de exploitatieverplichting – de voorzieningenrechter het op dit moment gelet op bovenstaande onvoldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter zal oordelen dat deze tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

4.15. De conclusie van het voorgaande is dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering van [gedaagde] – waarop het beslag berust – op ondeugdelijke gronden is gebaseerd. De voorzieningenrechter acht het op dit moment niet aannemelijk dat tekortkomingen in het kader van de huurovereenkomst door [A] aan haar moedermaatschappij kunnen worden toegerekend. Maar zelfs indien de tekortkomingen wel aan [eiseres] zouden kunnen worden toegerekend, dan nog is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat deze tekortkomingen de ontbinding van de huurovereenkomst niet kunnen rechtvaardigen.

De rechtbank zal daarom de vordering van [eiseres] toewijzen en [gedaagde] gebieden om binnen twee dagen na dit vonnis het op 25 september 2012 ten laste van [eiseres] gelegde conservatoir beslag op te heffen.

4.16. Met betrekking tot de door [eiseres] gevorderde dwangsom op dit punt ziet de voorzieningenrechter aanleiding deze dwangsom te matigen zoals in het dictum bepaald.

4.17. De vordering om [gedaagde] te verbieden om conservatoir beslag te leggen ten laste van [eiseres] en/of [A] en/of haar overige dochter- en moedermaatschappijen wordt afgewezen. [Eiseres] heeft onvoldoende aangevoerd om een dergelijke vergaande voorziening te rechtvaardigen. Het is immers niet uitgesloten dat [gedaagde] in de toekomst, bijvoorbeeld bij een substantiële huurachterstand, van het middel beslag gebruik moet maken.

Uitlatingen [gedaagde]

4.18. De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te verbieden zich tegen relaties van [eiseres] dan wel haar dochtermaatschappijen over hen uit te laten wordt ook afgewezen. Het e-mailbericht van (de bestuurder van) [eiseres] aan haar advocaat dat zij van een van haar onderaannemers heeft gehoord dat [gedaagde] bij iedereen langs zou gaan met de mededeling dat [gedaagde] nog tonnen te vorderen heeft van [eiseres] is – gelet op de gemotiveerde betwisting aan de zijde van [gedaagde] – onvoldoende om de vordering te onderbouwen.

Betreden gehuurde door [gedaagde]

4.19. Op grond van de huurovereenkomst (de algemene bepalingen) mag [gedaagde] het gehuurde betreden voor het taxeren van het gehuurde dan wel indien hij werkzaamheden wenst te verrichten in, op of aan het gehuurde. Dit impliceert dat het betreden van het gehuurde voor andere doeleinden, zonder de toestemming van de huurder, op grond van de overeenkomst niet is toegestaan. Niettemin heeft [eiseres] onvoldoende aangevoerd om toewijzing van de vordering te rechtvaardigen. [Gedaagde] heeft immers uitdrukkelijk betwist dat hij zonder toestemming het gehuurde heeft betreden en de enige stukken die zich in het dossier bevinden zijn e-mailberichten van [eiseres]/[A] zelf, waarin zij [gedaagde] sommeert het gehuurde niet langer zonder haar toestemming te betreden. De voorzieningenrechter zal ook deze vordering van [eiseres] afwijzen.

Conclusie

4.20. Concluderend wordt de vordering van [eiseres] tot opheffing van het gelegde beslag van 25 september 2012 toegewezen. Alle overige vorderingen worden afgewezen.

[Gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten in conventie worden aan de zijde van [eiseres] begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

reconventie

4.21. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen wordt voldoende aanwezig geacht.

Bankgarantie

4.22. In reconventie heeft [gedaagde] allereerst gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld tot afgifte van een bankgarantie voor drie maanden huur. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af. Hoewel in de algemene bepalingen is opgenomen dat de huurder bij ondertekening van de huurovereenkomst aan verhuurder een bankgarantie zal verstrekken, bepaalt artikel 2.2. van de huurovereenkomst dat de algemene bepalingen enkel gelden voor zover daarvan in de huurovereenkomst zelf niet is afgeweken. Ten aanzien van de bankgarantie is in de huurovereenkomst juist een afwijking opgenomen. Artikel 2.2. bepaalt immers: ‘in afwijking van de algemene bepalingen wordt geen bankgarantie gesteld door huurder’. Voor het overige is door [gedaagde] ook onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een bankgarantie zou moeten stellen, te meer nu de huur tot op heden altijd betaald is.

Vordering terugbrengen goederen

4.23. Daarnaast heeft [gedaagde] gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld om de door haar verwijderde activa van [A] terug te bezorgen, zodat [A] kan voldoen aan haar exploitatieverplichting. Feitelijk vraagt [gedaagde] daarmee nakoming van de exploitatieverplichting, die immers (onder andere) behelst dat er te allen tijde voldoende inventaris in het gehuurde aanwezig moet zijn. Zoals de voorzieningenrechter onder 4.6. al heeft geoordeeld is de huurovereenkomst niet met [eiseres] maar met [A] gesloten, zodat een vordering tot nakoming van een in de huurovereenkomst vastgelegde verplichting in beginsel tegen [A] moet worden gericht. Dat [eiseres] de bestuurder is van [A] doet daar niet aan af.

4.24. Maar ook indien de voorzieningenrechter de vordering van [gedaagde] inhoudelijk beoordeelt, acht de voorzieningenrechter het, gelet op de wederzijdse belangen van partijen, onvoldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemzaak zal worden geoordeeld dat van [A] kan worden gevergd dat zij zich in de gegeven omstandigheden volledig dient te houden aan de exploitatieplicht. De voorzieningenrechter verwijst daarvoor kortheidshalve naar rechtsoverweging 4.12.

Conclusie

4.25. Gelet op vorenstaande worden de vorderingen van [gedaagde] afgewezen. [Gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- salaris advocaat € 413,00

Totaal € 413,00

in de zaak met rolnummer 131955 /KG RK 12-462

4.26. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot gerechtelijke bewaring van de in beslag genomen activa afwijzen, nu in de zaak met rolnummer 132211 / KG ZA 12-214 is geoordeeld dat dit beslag dient te worden opgeheven.

4.27. [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- salaris advocaat € 452,00

Totaal € 452,00

5. De beslissing

in de zaak met rolnummer 132211 / KG ZA 12-214

in conventie

De voorzieningenrechter:

I. gebiedt [gedaagde] om het op 25 september 2012 ten laste van [eiseres] gelegde conservatoir beslag op te heffen binnen twee dagen na dit vonnis;

II. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van

€ 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de onder I uitgesproken veroordeling voldoet, totdat in totaal een maximum van € 25.000,00 is bereikt;

III. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in conventie, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.391,00;

IV. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

De voorzieningenrechter:

VI. wijst de vorderingen af;

VII. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 413,00;

VIII. verklaart dit vonnis in reconventie onder VII uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak met rolnummer 131955 /KG RK 12-462

De voorzieningenrechter:

IX. wijst het verzoek tot gerechtelijke bewaring van de op 25 september 2012 in beslag genomen voorwerpen af;

X. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 452,00.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2012 in tegenwoordigheid van de griffier. ?


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature