Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Ondernemingsrecht, enquêtezaak. Geschil over bij TCA vastgesteld wanbeleid c.a. (81 RO).

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Rekestnr. R06/132HR

Mr. L. Timmerman

Parket 16 maart 2007

Conclusie inzake:

1. [Verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],

(hierna [verzoeker 1])

2. [Verzoeker 2],

wonende te [woonplaats],

(hierna [verzoeker 2])

3. [Verzoeker 3],

wonende te [woonplaats]

(hierna [verzoeker 3] en gezamenlijk met verzoekers tot cassatie onder 1 en 2 ook [verzoeker] c.s.)

tegen

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Verweerder 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Verweerder 4],

wonende te [woonplaats],

5. [Verweerder 5],

wonende te [woonplaats],

6. [Verweerder 6],

wonende te [woonplaats],

7. [Verweerder 7],

wonende te [woonplaats],

8. [Verweerder 8],

wonende te [woonplaats],

9. [Verweerder 9],

wonende te [woonplaats],

10. [Verweerder 10],

wonende te [woonplaats],

11. [Verweerder 11],

wonende te [woonplaats],

12. [Verweerder 12],

wonende te [woonplaats],

13. [Verweerder 13],

wonende te [woonplaats],

14. [Verweerder 14],

wonende te [woonplaats],

15. [Verweerder 15],

wonende te [woonplaats],

16. [Verweerder 16],

wonende te [woonplaats],

17. [Verweerder 17],

wonende te [woonplaats],

18. [Verweerder 18],

wonende te [woonplaats],

19. [Verweerder 19],

wonende te [woonplaats],

20. [Verweerder 20],

wonende te [woonplaats],

21. [Verweerder 21],

wonende te [woonplaats],

22. [Verweerder 22],

wonende te [woonplaats],

23. [Verweerder 23],

wonende te [woonplaats],

24. [Verweerder 24],

wonende te [woonplaats],

25. [Verweerder 25],

wonende te [woonplaats],

26. [Verweerder 26],

wonende te [woonplaats],

27. [Verweerder 27],

wonende te [woonplaats],

28. [Verweerder 28],

wonende te [woonplaats],

29. [Verweerder 29],

wonende te [woonplaats],

30. [Verweerder 30],

wonende te [woonplaats],

31. [Verweerder 31],

wonende te [woonplaats],

32. [Verweerder 32],

wonende te [woonplaats],

33. [Verweerder 33],

wonende te [woonplaats],

34. [Verweerder 34],

wonende te [woonplaats],

35. [Verweerder 35],

wonende te [woonplaats],

36. [Verweerder 36],

wonende te [woonplaats],

37. [Verweerder 37],

wonende te [woonplaats],

38. [Verweerder 38],

wonende te [woonplaats],

39. [Verweerder 39],

wonende te [woonplaats],

40. [Verweerder 40],

wonende te [woonplaats],

41. [Verweerder 41],

wonende te [woonplaats],

42. [Verweerder 42],

gevestigd te [woonplaats],

43. [Verweerder 43],

wonende te [woonplaats],

44. [Verweerder 44],

wonende te [woonplaats],

45. [Verweerder 45],

wonende te [woonplaats],

46. [Verweerder 46],

wonende te [woonplaats],

47. [Verweerder 47],

wonende te [woonplaats],

48. [Verweerder 48],

gevestigd te [woonplaats],

49. [Verweerder 49],

wonende te [woonplaats],

50. [Verweerder 50],

wonende te [woonplaats],

51. [Verweerder 51],

wonende te [woonplaats],

52. [Verweerder 52],

wonende te [woonplaats],

53. [Verweerder 53],

wonende te [woonplaats],

54. [Verweerder 54],

wonende te [woonplaats],

55. [Verweerder 55],

wonende te [woonplaats],

56. [Verweerder 56],

wonende te [woonplaats],

57. [Verweerder 57],

wonende te [woonplaats],

58. [Verweerder 58],

wonende te [woonplaats],

59. [Verweerder 59],

wonende te [woonplaats],

60. [Verweerder 60],

wonende te [woonplaats],

61. [Verweerder 61],

wonende te [woonplaats],

62. [Verweerder 62],

wonende te [woonplaats],

63. [Verweerder 63],

wonende te [woonplaats],

64. [Verweerder 64],

wonende te [woonplaats],

65. [Verweerder 65],

wonende te [woonplaats],

66. [Verweerder 66],

wonende te [woonplaats],

67. [Verweerder 67],

wonende te [woonplaats],

68. [Verweerder 68],

wonende te [woonplaats],

69. [Verweerder 69],

wonende te [woonplaats],

70. [Verweerder 70],

wonende te [woonplaats],

71. [Verweerder 71],

wonende te [woonplaats],

72. [Verweerder 72],

wonende te [woonplaats],

73. [Verweerder 73],

wonende te [woonplaats],

74. [Verweerder 74],

wonende te [woonplaats],

75. [Verweerder 75],

wonende te [woonplaats],

76. [Verweerder 76],

wonende te [woonplaats],

77. [Verweerder 77],

wonende te [woonplaats],

78. [Verweerder 78],

wonende te [woonplaats],

79. [Verweerder 79],

wonende te [woonplaats],

80. [Verweerder 80],

wonende te [woonplaats],

81. [Verweerder 81],

wonende te [woonplaats],

82. [Verweerder 82],

wonende te [woonplaats],

83. [Verweerder 83],

wonende te [woonplaats],

84. [Verweerder 84],

wonende te [woonplaats],

85. [Verweerder 85],

wonende te [woonplaats],

86. [Verweerder 86],

wonende te [woonplaats],

87. [Verweerder 87],

wonende te [woonplaats],

88. [Verweerder 88],

wonende te [woonplaats],

89. [Verweerder 89],

wonende te [woonplaats],

90. [Verweerder 90],

wonende te [woonplaats],

91. [Verweerder 91],

wonende te [woonplaats],

92. [Verweerder 92],

wonende te [woonplaats],

93. [Verweerder 93],

wonende te [woonplaats],

94. [Verweerder 94],

wonende te [woonplaats],

95. [Verweerder 95],

wonende te [woonplaats],

96. [Verweerder 96],

wonende te [woonplaats],

97. [Verweerder 97],

wonende te [woonplaats],

98. [Verweerder 98],

wonende te [woonplaats],

99. [Verweerder 99],

wonende te [woonplaats],

100. [Verweerder 100],

wonende te [woonplaats],

101. [Verweerder 101],

wonende te [woonplaats],

102. [Verweerder 102],

wonende te [woonplaats],

103. [Verweerder 103],

wonende te [woonplaats],

104. [Verweerder 104],

wonende te [woonplaats],

105. [Verweerder 105],

wonende te [woonplaats],

106. [Verweerder 106],

wonende te [woonplaats],

107. [Verweerder 107],

wonende te [woonplaats],

108. [Verweerder 108],

wonende te [woonplaats],

109. [Verweerder 109],

wonende te [woonplaats],

110. [Verweerder 110],

wonende te [woonplaats],

111. [Verweerder 111],

wonende te [woonplaats],

112. [Verweerder 112],

wonende te [woonplaats],

113. [Verweerder 113],

gevestigd te [woonplaats],

114. [Verweerder 114],

wonende te [woonplaats],

115. [Verweerder 115],

wonende te [woonplaats],

116. [Verweerder 116],

wonende te [woonplaats],

117. [Verweerder 117],

wonende te [woonplaats],

118. [Verweerder 118],

wonende te [woonplaats],

119. [Verweerder 119],

wonende te [woonplaats],

120. [Verweerder 120],

wonende te [woonplaats],

121. [Verweerder 121],

wonende te [woonplaats],

122. [Verweerder 122],

wonende te [woonplaats],

123. [Verweerder 123],

wonende te [woonplaats],

124. [Verweerder 124],

wonende te [woonplaats],

125. [Verweerder 125],

wonende te [woonplaats],

126. [Verweerder 126],

wonende te [woonplaats],

127. [Verweerder 127],

wonende te [woonplaats],

128. [Verweerder 128],

wonende te [woonplaats],

129. [Verweerder 129],

wonende te [woonplaats],

130. [Verweerder 130],

wonende te [woonplaats],

131. [Verweerder 131],

wonende te [woonplaats],

132. [Verweerder 132],

wonende te [woonplaats],

133. [Verweerder 133],

wonende te [woonplaats],

134. [Verweerder 134],

wonende te [woonplaats],

135. [Verweerder 135],

wonende te [woonplaats],

136. [Verweerder 136],

wonende te [woonplaats]

137. [Verweerder 137],

wonende te [woonplaats],

138 [Verweerder 138],

wonende te [woonplaats],

139. [Verweerder 139],

wonende te [woonplaats],

140. [Verweerder 140],

wonende te [woonplaats],

141. [Verweerder 141],

wonende te [woonplaats]

142. [Verweerder 142],

wonende te [woonplaats]

143. [Verweerder 143],

wonende te [woonplaats]

144. [Verweerder 144],

wonende te [woonplaats]

145. [Verweerder 145],

wonende te [woonplaats]

146. [Verweerder 146],

wonende te [woonplaats],

147. [Verweerder 147],

wonende te [woonplaats],

148. [Verweerder 148],

wonende te [woonplaats],

149. [Verweerder 149],

wonende te [woonplaats],

150. [Verweerder 150],

wonende te [woonplaats],

151. [Verweerder 151],

wonende te [woonplaats],

152. [Verweerder 152],

wonende te [woonplaats],

153. [Verweerder 153],

wonende te [woonplaats],

154. [Verweerder 154],

wonende te [woonplaats],

155. [Verweerder 155],

wonende te [woonplaats],

156. [Verweerder 156],

wonende te [woonplaats],

157. [Verweerder 157],

wonende te [woonplaats],

158. [Verweerder 158],

wonende te [woonplaats],

159. [Verweerder 159],

wonende te [woonplaats],

160. [Verweerder 160],

wonende te [woonplaats],

161. [Verweerder 161],

wonende te [woonplaats],

162. [Verweerder 162],

wonende te [woonplaats],

163. [Verweerder 163],

wonende te [woonplaats],

164. [Verweerder 164],

wonende te [woonplaats],

165. [Verweerder 165],

wonende te [woonplaats],

166. [Verweerder 166],

wonende te [woonplaats],

167. [Verweerder 167],

wonende te [woonplaats],

168. [Verweerder 168],

wonende te [woonplaats],

169. [Verweerder 169],

wonende te [woonplaats],

170. [Verweerder 170],

wonende te [woonplaats],

171. [Verweerder 171],

wonende te [woonplaats]

172. [Verweerder 172],

wonende te [woonplaats],

173. [Verweerder 173],

wonende te [woonplaats],

174. [Verweerder 174],

wonende te [woonplaats],

175 [Verweerder 175],

wonende te [woonplaats],

176. [Verweerder 176],

wonende te [woonplaats],

177. [Verweerder 177],

wonende te [woonplaats],

178. [Verweerder 178],

wonende te [woonplaats],

179. [Verweerder 179],

wonende te [woonplaats],

180. [Verweerder 180],

wonende te [woonplaats],

181. [Verweerder 181],

wonende te [woonplaats],

182. [Verweerder 182],

wonende te [woonplaats],

183. [Verweerder 183],

wonende te [woonplaats],

184. [Verweerder 184],

wonende te [woonplaats],

185. [Verweerder 185],

wonende te [woonplaats],

186. [Verweerder 186],

wonende te [woonplaats],

187. [Verweerder 187],

wonende te [woonplaats],

188. [Verweerder 188],

wonende te [woonplaats],

189. [Verweerder 189],

wonende te [woonplaats],

190. [Verweerder 190],

wonende te [woonplaats],

191. [Verweerder 191],

wonende te [woonplaats],

192. [Verweerder 192],

wonende te [woonplaats],

193. [Verweerder 193],

wonende te [woonplaats],

194. [Verweerder 194],

wonende te [woonplaats],

195. [Verweerder 195],

wonende te [woonplaats],

196. [Verweerder 196],

wonende te [woonplaats],

197. [Verweerder 197],

wonende te [woonplaats],

198. [Verweerder 198],

wonende te [woonplaats],

199. [Verweerder 199],

wonende te [woonplaats],

200. [Verweerder 200],

wonende te [woonplaats],

201. [Verweerder 201],

wonende te [woonplaats],

202. [Verweerder 202],

wonende te [woonplaats],

203. [Verweerder 203],

wonende te [woonplaats],

204. [Verweerder 204],

wonende te [woonplaats],

205. [Verweerder 205],

wonende te [woonplaats],

206. [Verweerder 206],

wonende te [woonplaats],

207. [Verweerder 207],

wonende te [woonplaats],

208. [Verweerder 208],

wonende te [woonplaats],

209. [Verweerder 209],

wonende te [woonplaats],

210. [Verweerder 210],

wonende te [woonplaats],

211. [Verweerder 211],

wonende te [woonplaats],

212. [Verweerder 212],

wonende te [woonplaats],

213. [Verweerder 213],

wonende te [woonplaats],

214. [Verweerder 214],

wonende te [woonplaats],

215. [Verweerder 215],

wonende te [woonplaats],

216. [Verweerder 216],

wonende te [woonplaats],

217. [Verweerder 217],

wonende te [woonplaats],

218. [Verweerder 218],

wonende te [woonplaats],

219. [Verweerder 219],

wonende te [woonplaats],

220. [Verweerder 220],

wonende te [woonplaats],

221. [Verweerder 221],

wonende te [woonplaats],

222. [Verweerder 222],

wonende te [woonplaats],

223. [Verweerder 223],

wonende te [woonplaats],

224. [Verweerder 224],

wonende te [woonplaats],

225. [Verweerder 225],

wonende te [woonplaats],

226. [Verweerder 226],

wonende te [woonplaats],

227. [Verweerder 227],

wonende te [woonplaats],

228. [Verweerder 228],

wonende te [woonplaats],

229. [Verweerder 229],

wonende te [woonplaats]

en

230. TAXI CENTRALE AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering.

Inleiding

[Verzoeker] c.s. komen op tegen het oordeel van de Ondernemingskamer dat sprake is geweest van wanbeleid van Taxi Centrale Amsterdam B.V. (hierna de vennootschap). De Ondernemingkamer achtte van wanbeleid sprake nu (i) ongeveer EUR 900.000 aan uitgaven uit het spaarfonds niet kon worden verantwoord, en (ii) door het gevoerde beleid een groot aantal van de oorspronkelijke "checks and balances" is verwijderd ten nadele van de aangesloten taxiondernemers/certficaathouders en ten voordele van [verzoeker] c.s., waardoor [verzoeker] c.s. de gang van zaken teveel zijn gaan beheersen. De Ondernemingskamer heeft onder meer [verzoeker 1] als directeur ontslagen, een tijdelijke directeur aangesteld en de overdracht van de aandelen van de vennootschap ten titel van beheer bevolen.

1. Feiten(1)

1.1 De vennootschap is opgericht op 27 april 1995 en heeft volgens haar statuten ten doel - kort weergegeven - het verrichten van diensten ten behoeve van het personenvervoer in en rond Amsterdam, tot welke diensten in ieder geval worden gerekend het exploiteren van een mobilofooncentrale en een telefooncentrale en eventueel het ten behoeve van bij de vennootschap aangesloten taxiondernemingen exploiteren van bedrijfsvergunningen taxivervoer, alsmede het oprichten van, deelnemen in en besturen van ondernemingen en vennootschappen met een soortelijke of aanverwante doelstelling. De vennootschap zette na haar oprichting de activiteiten voort van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Centraal Bureau voor Taxi's (hierna CBT), te weten het instandhouden van een taxicentrale ten behoeve van de aangesloten taxichauffeurs.

1.2 Het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap bedroeg bij haar oprichting NLG 635.000,-- (bestaande uit 635 aandelen van elk nominaal NLG 1.000,--). Het volledige aandelenkapitaal werd geplaatst bij CBT. Vervolgens heeft CBT bij akte van 27 april 1995 de aandelen in de vennootschap ter certificering overgedragen aan de stichting Stichting Administratiekantoor Taxicentrale Amsterdam (hierna Stichting AK).

1.3 Stichting AK heeft certificaten van aandelen in de vennootschap uitgegeven aan taxiondernemers die beschikken over een van overheidswege uitgegeven taxivergunning, een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten met CBT en een samenwerkingsovereenkomst zouden sluiten met de vennootschap. Na statutenwijziging bij akte van 29 november 2000 bedraagt het geplaatste en gestorte kapitaal van de vennootschap EUR 292.688,10, verdeeld in 1935 aandelen, elk met een nominale waarde EUR 151,26. Van deze aandelen zijn er 1920 in het bezit van Stichting AK en de door haar daartegenover uitgegeven 1920 certificaten zijn, zo blijkt over het jaarverslag van de vennootschap over 2003, in handen van ondernemers die in Amsterdam een taxi exploiteren. De resterende 15 aandelen worden gehouden door Stichting Derdegelden Bos.

1.4 Sinds 1 juni 1996 was [verzoeker 1] alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van de vennootschap. Het bestuur van Stichting AK wordt door middel van coöptatie benoemd en bestond ten tijde van de beschikking van 2 juni 2005 uit [verzoeker 2] (sinds 21 april 1995), [betrokkene 3] (sinds 1 januari 2000; hierna [betrokkene 3] te noemen), [betrokkene 4] (sinds 15 oktober 2001), [betrokkene 5] (sinds 29 oktober 2001), [betrokkene 6] (sinds 14 februari 2002) en [betrokkene 7] (sinds 4 januari 2005). [Verzoeker 3] maakte tot 2004 deel uit van het bestuur van Stichting AK. Thans is hij voor de vennootschap werkzaam als manager.

1.5 De vennootschap heeft een 100%-dochtervennootschap, Blokband Taxi Amsterdam B.V. (hierna BTA). BTA is in 1998, na de wijziging van de Wet personenvervoer, bij welke wijziging het vergunningenstelsel werd afgeschaft, opgericht om na de deregulering extra taxi's te kunnen laten rijden. De overeenkomsten met certificaathouders worden door de vennootschap voor onbepaalde duur aangegaan, terwijl BTA alleen tijdelijke overeenkomsten sluit met certificaathouders van de vennootschap.

2. Procesverloop

2.1 Bij beschikking van 2 juni 2005 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap, in het bijzonder vanaf 1 mei 2000 alsmede daarvoor indien de onderzoekers zulks geboden achten. Mr. C.N. Peijster en dr. mr. C.J. Nyqvist zijn benoemd tot onderzoekers (hierna gezamenlijk de onderzoekers).

2.2 Bij beschikkingen van 19 december 2005 en 8 maart 2006 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd naar respectievelijk EUR 100.000,-- en EUR 200.0000,--.

2.3 Het verslag van de onderzoekers is op 3 april 2006 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd. Bij de beschikking van eveneens 3 april 2006 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag te griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor een ieder.

2.4 [Verweerder] c.s. hebben bij verzoekschrift op 13 april 2006 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met één productie de Ondernemingskamer verzocht (verkort weergegeven):

(i) vast te stellen dat sprake is van wanbeleid van de vennootschap;

(ii) de bestuurder van de vennootschap, [verzoeker 1], te ontslaan, althans te schorsen;

(iii) een tijdelijke bestuurder te benoemen voor een periode van zes maanden of zolang als nodig is om orde op zaken te stellen;

(iv) te bepalen dat aan de door de ondernemingskamer te benoemen bestuurder het stemrecht op de aandelen in de vennootschap toekomt dan wel dat deze aandelen worden overgedragen ten titel van beheer aan een onpartijdige, terzake kundige en objectieve derde, zulks zolang Stichting AK niet een onafhankelijk bestuur heeft met statutaire waarborgen tegen belangenverstrengeling en voor een juiste uitoefening van de bevoegdheden van het bestuur in het belang van de certificaathouders en van de vennootschap;

(v) te schorsen of te vernietigen de besluiten van de vennootschap om een overeenkomst aan te gaan en betalingen te doen voor de diensten van (de besloten vennootschappen van) [verzoeker 3] (de besloten vennootschappen van) en [betrokkene 1] (hierna [betrokkene 1]), handelende onder de naam S.T.A.P., althans de door de Ondernemingskamer te benoemen bestuurder op te dragen om deze en andere voor vernietiging in aanmerking komende besluiten te vernietigen; en

(vi) de vennootschap te veroordelen in de kosten van het geding.

2.5 De vennootschap, [verzoeker] c.s. en Stichting AK, hebben bij op 31 mei 2006 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met twee producties de Ondernemingskamer verzocht (i) de door verzoekers gevraagde voorzieningen af te wijzen, althans daarvoor in de plaats minder verstrekkende voorzieningen te treffen die het functioneren van de huidige leidinggevenden van de vennootschap niet in gevaar brengen, en (ii) verzoekers te gelasten hun activiteiten waarmee schade aan de reputatie van de vennootschap wordt aangebracht, te staken.

2.7 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 15 juni 2006, alwaar de advocaten de standpunten van partijen nader hebben toegelicht aan de hand van de aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities.

2.8 Bij beschikking van 6 juli 2006 heeft de Ondernemingskamer(2), verkort weergegeven:

(i) geoordeeld dat uit het verslag van het onderzoek is gebleken van wanbeleid van de vennootschap;

(ii) [verzoeker 1] met onmiddellijke ingang ontslagen als bestuurder van de vennootschap;

(iii) [betrokkene 2] RA benoemd tot bestuurder van de vennootschap voor een periode van zes maanden;

(iv) bepaald dat deze bestuurder zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak desgewenst kan doen bijstaan door één of meer derde(n) op door hem met deze(n) overeen te komen voorwaarden;

(v) bepaald dat het door de bestuurder te bepalen salaris en diens kosten ten laste komen van de vennootschap en de vennootschap voor de betaling daarvan zekerheid dient te stellen;

(vi) de overdracht bevolen ten titel van beheer, van alle aandelen die Stichting AK houdt in het kapitaal van de vennootschap, aan een nader aan te wijzen persoon, vooralsnog voor een termijn van zes maanden;

(vii) bepaald dat de door deze persoon te bepalen vergoeding voor zijn werkzaamheden en diens kosten ten laste komen van de vennootschap;

(viii) bepaald dat de door deze persoon te bepalen vergoeding voor zijn werkzaamheden en diens kosten ten laste komen van de vennootschap en dat de vennootschap voor de betaling daarvan zekerheid dient te stellen; en

(ix) het besluit vernietigd tot het aangaan van de op 2 januari 2002 en 11 september 2003 gesloten managementovereenkomst met BUB Management B.V., het besluit tot het aangaan van de op 6 januari 2004 gesloten managementovereenkomst met J.F.M. Management, onderscheidenlijk [verzoeker 2] en het besluit tot het aangaan van de op 7 november 2005 gesloten managementovereenkomst met [betrokkene 1], handelende onder de naam S.T.A.P.

2.9 Aan het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid heeft de Ondernemingkamer ten grondslag gelegd - verkort weergegeven - dat:

(i) de TCA-structuur, zoals die in de loop der jaren inhoud heeft gekregen, heeft geleid tot een toestand van de vennootschap en haar organen die uit een oogpunt van goede corporate governance de toets der kritiek niet (meer) kan doorstaan, aangezien de gang van zaken bij de vennootschap en Stichting AK te zeer wordt beheerst door [verzoeker 1], [verzoeker 3] en [verzoeker 2] (rov. 3.29); en

(ii) de vennootschap is tekort geschoten in de verantwoording van de door de certificaathouders in het spaarfonds bijeengebrachte gelden (rov. 3.33).

2.10 [Verzoeker] c.s. hebben tijdig(3) cassatieberoep ingesteld. Namens de vennootschap en [verweerder] c.s. is een verweerschrift ingediend.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het middel valt uiteen in vier onderdelen.

3.2 Onderdeel 1 voert in algemene zin aan dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat door [verzoeker] c.s. op enige wijze verweer is gevoerd tegen de verzoeken. Dit terwijl juist uitgebreid en gemotiveerd verweer is gevoerd door [verzoeker] c.s., aldus het onderdeel.

- TCA structuur voldoet niet

3.3 De subonderdelen 1.1 tot en met 1.6 keren zich tegen het oordeel van de Ondernemingskamer dat de vennootschap te zeer wordt beheerst door [verzoeker] c.s.

3.4 De ondernemingskamer heeft daarover in rov. 3.29 het volgende overwogen:

"3.29 De Ondernemingskamer is op grond van de bevindingen van de onderzoekers en hetgeen overigens in het geding daarover is gebleken, van oordeel dat de TCA-structuur zoals die in de loop der jaren inhoud heeft gekregen, zowel wat betreft de personele bezetting als de formele inbedding, heeft geleid tot een toestand van de vennootschap en haar organen die uit een oogpunt van goede corporate governance de toets der kritiek niet (meer) kan doorstaan. Met de onderzoekers is de Ondernemingskamer van oordeel dat de gang van zaken bij de vennootschap en bij Stichting AK te zeer wordt beheerst door [verzoeker 1], [verzoeker 3] en [verzoeker 2] en dat deze personen het bij voortduring en steeds verdergaand ertoe hebben geleid dat zij met betrekking tot de gang van zaken in de uitoefening en het bestuur van de onderneming van de vennootschap hun positie hebben versterkt, zulks ten koste van de statutaire en contractuele positie van de certificaathouders-taxiondernemers. Hetgeen daarover hiervoor is opgenomen over de ontwikkelingen in de loop der tijd bij de vennootschap en Stichting AK getuigt daarvan. De Ondernemingskamer is voorts van oordeel dat in de verhouding tussen de vennootschap en haar certificaathouders, die feitelijk wordt beheerst door de franchisevoorwaarden, allengs een volstrekte eenzijdigheid is geslopen in dier voege dat welhaast een situatie is ontstaan dat de taxiondernemers, die toch uiteindelijk de (middellijke) aandeelhouders van de vennootschap zijn, zich een door het bestuur van de vennootschap gedicteerd keurslijf moeten laten welgevallen met slechts het verbreken van de banden met de vennootschap als alternatief."

In rechtsoverweging 3.28 heeft Ondernemingskamer onder meer de volgende passage uit het verslag van de onderzoekers geciteerd, over de achtergronden van de juridische structuur van de vennootschap en de met haar verbonden (rechts)personen:

"De oorspronkelijke TCA-structuur is in de loop der jaren - in het bijzonder na het vertrek van de eerste drie externe bestuurders van de Stichting AK - aanzienlijk gewijzigd. Door wijzigingen in statutaire en contractuele regelingen (welke overeenkomsten overigens veelvuldig niet ondertekend zijn), door wijzigingen in certificeringsvoorwaarden en zeer zeker ook door de feitelijke invulling daarvan, is de oorspronkelijke TCA-structuur "verworden" tot een situatie bij TCA waarbij onder meer een groot aantal van de oorspronkelijke "checks and balances" is verwijderd en wel ten nadele van de aangesloten taxiondernemers/certficaathouders en ten voordele van de positie van de beleidsbepalers binnen de TCA-groep."

3.5 Ik versta de subonderdelen 1.1, 1.2 en 1.3 zo dat deze een inleiding bevatten en geen zelfstandige klachten.

3.6 De subonderdelen 1.4 tot en met 1.6 keren zich tegen rov. 3.14, waarin de Ondernemingskamer overweegt dat de statuten van Stichting AK tweemaal zijn gewijzigd, in 2000 en 2003, en voorts de inhoud van de respectieve wijzigingen toelicht.

3.7 Omdat rechtsoverweging 3.14 alleen een feitelijke weergave bevat van de wijzigingen die zijn doorgevoerd in de statutenwijzigingen van Stichting AK in 2000 en in 2003, begrijp ik de subonderdelen 1.4 tot en met 1.6 zo dat deze zich mede keren tegen rov. 3.29, waarin de Ondernemingskamer tot het oordeel komt dat [verzoeker] c.s., Stichting AK en de vennootschap teveel zijn gaan beheersen. Is men minder welwillend, dan falen de onderdelen 1.4 tot en met 1.6 nu het vaststellen van de feiten is voorbehouden aan de feitenrechter.

3.8 Subonderdeel 1.4 voert aan dat uit de beschikking van de Ondernemingskamer niet blijkt dat is meegewogen dat met betrekking tot de statutenwijziging in 2000 van de zijde [verzoeker] c.s. gemotiveerd is aangegeven welke gronden er waren voor het beëindigen van het voordrachtsrecht van de VVOT en VZTE.

3.9 Subonderdeel 1.5 bevat een uitwerking van subonderdeel 1.4 en voert aan dat deze gronden er uit bestonden dat de betreffende (onder)verenigingen niet meer over voldoende leden beschikten om geldige besluiten te kunnen nemen.

3.10 De beide subonderdelen falen bij gebrek aan belang. Het moge verder zo zijn dat de VVOT en de VZTE niet langer over voldoende leden beschikte in 2000 om nog geldig besluiten te kunnen nemen, niet valt in te zien hoe hierin een rechtvaardiging kan worden gevonden voor een wijziging van de statuten van de Stichting AK waarbij de invloed van de certificaathouders (de taxiondernemers, zie rov. 3.8) wordt verminderd ten gunste van het bestuur. Nu het onderdeel dit verder ook niet inzichtelijk maakt, faalt het. Ik merk nog op dat de invoering van de nieuwe structuur (het oprichten van een besloten vennootschap en het certificeren van de aandelen) juist tot doel had de zeggenschap op de gang van zaken op de onderneming aan de VVOT en VZTE te ontnemen, ter voorkoming van deadlock-situaties.(4) Volledigheidshalve merk ik op dat wat betreft de statutenwijziging van 2000 de Ondernemingskamer in rov. 3.14 nog het volgende heeft overwogen.

"Bij de statutenwijziging van 2000 is een einde gekomen aan het recht van de certificaathoudersvergadering om uit een voordracht van kandidaten door het bestuur van Stichting AK een te benoemen bestuurder van de stichting te kiezen. Bestuurders van Stichting AK worden sindsdien uitsluitend benoemd door het bestuur van Stichting AK, derhalve volledig bij coöptatie. Voorts kwam bij die gelegenheid de maximale bestuurstermijn te vervallen. Bestuurders van Stichting AK worden sinds deze statutenwijziging benoemd voor een periode van twee jaar zonder maximering van het aantal herbenoemingen in de functie. Verder wordt sinds bedoelde wijziging niet meer de voorwaarde gesteld dat een bestuurder gedurende zekere periode geen bestuurder van Stichting AK is geweest."

Dat de Ondernemingskamer hieraan de conclusie heeft verbonden dat ten gevolge van de statutenwijziging van 2000 de invloed van de certificaathouders is afgenomen ten gunste van het bestuur van Stichting AK (in rov. 3.28 en 3.29) acht ik niet onbegrijpelijk.

3.11 Ook onderdeel 1.6 keert zich tegen rov. 3.14 (en rov. 3.29 naar ik aanneem) en ziet op hetgeen de Ondernemingskamer heeft overwogen over de statutenwijziging van 2003:

"De statutenwijziging van 2003 hield onder meer het volgende in. Het vaste aantal bestuursleden van Stichting AK van zeven werd gewijzigd in een flexibel aantal van minimaal drie en maximaal zeven leden, waarbij de meerderheid te allen tijde interne bestuursleden dienden te zijn. Indien op enig moment minder dan drie bestuursleden in functie zijn, vindt benoeming van aanvullende bestuursleden plaats op bindende voordracht door een benoemingscommissie. Deze commissie bestaat uit drie door het bestuur van Stichting AK te benoemen leden. Voorts werd aan de statuten een bepaling toegevoegd ingevolge welke het bestuursleden van Stichting AK werd toegestaan tegen betaling werkzaamheden te verrichten voor de vennootschap. Ten slotte werd bij deze statutenwijziging een verplichting ingevoerd voor Stichting AK om ten minste eenmaal per jaar een vergadering van certificaathouders bijeen te laten komen. Tegelijkertijd werden bepalingen opgenomen waarbij de toegang tot deze vergaderingen, het stemrecht en volmachtverlening van en door certificaathouders werden beperkt."

3.12 Het onderdeel voert aan dat de Ondernemingskamer ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken het verweer van [verzoeker] c.s. dat het hof Amsterdam in zijn arrest van 22 april 2004 heeft overwogen:

"[Verzoeker 2] en [betrokkene 8] c.s. hebben op de zitting van 27 januari 2004 een exemplaar van de statutenwijziging van SAK [Stichting AK, LT], die in maart 2003 tot stand zou zijn gekomen, overgelegd. (...) Het hof is van oordeel dat SK aldus een thans als redelijk aan te merken poging heeft ondernomen om waarborgen te bieden tegen het in 4.17 geconstateerde gevaar van belangenvermenging."(5)

Uit de betreffende overweging blijkt dat het hof daarbij onder meer het oog heeft gehad op het feit dat bij de statutenwijziging van 2003 is bepaald dat (i) hooguit twee bestuursleden werkzaamheden voor de SAK mogen verrichten, en (ii) dat de honorering hiervoor in een redelijke verhouding dient te staan ten opzichte van de door het desbetreffende bestuurslid te verrichten werkzaamheden.(6)

3.13 Het onderdeel faalt, nu de overweging van de Ondernemingskamer geenszins onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen het hof heeft overwogen in zijn arrest van 22 april 2004. Het onderdeel citeert de overweging van het hof onvolledig, de overweging gaat voort als volgt:

"Of deze waarborgen voldoende effect zullen hebben, is thans niet aan de orde, maar zal in de praktijk moeten blijken."

Blijkens het oordeel van de Ondernemingskamer (in rov. 3.29) hebben de wijzigingen niet voldoende effect gesorteerd. Ook overigens is het oordeel van de Ondernemingskamer dat de statutenwijziging van 2003 heeft bijgedragen aan een verstoring van de checks en balances ten nadele van de certificaathouders niet onbegrijpelijk te noemen. Bij de statutenwijziging van 2003 zijn weliswaar de bestuursbevoegdheden van het bestuur enigszins geclausuleerd, maar anderzijds is - zie rov. 3.14 - (i) het aantal bestuursleden teruggebracht (hetgeen concentratie van de macht bij enkele bestuursleden tot gevolg heeft gehad), en (ii) zijn de rechten van de certificaathouders beperkt.

3.14 De onderdelen 1.7 en 1.8 bestrijden de vaststelling van de Ondernemingskamer in rov. 3.25 dat de vennootschap niet heeft voldaan aan het verzoek van de onderzoekers om bankafschriften en deposito's waarop het spaarfonds is ondergebracht over te leggen:

"(...) De onderzoekers hebben de vennootschap verzocht bankafschriften van de deposito's waarop het spaarfonds is ondergebracht over te leggen. De vennootschap heeft aan dit verzoek niet voldaan."

De onderdelen verwijzen naar sub 25 van het verweerschrift:

"Het voormelde klemt temeer gelet op het feit dat in het verslag wordt vermeld dat de bankafschriften ter zake van het spaarfonds niet zijn overgelegd. Zoals ook blijkt uit de bijlagen 1 en 2 bij het verslag, is echter nimmer door de onderzoekers verzocht om afschriften van de bankafschriften! Helaas is dit niet opgenomen in het verslag waardoor een verkeerde indruk zou kunnen ontstaan."

3.15 Voor zover de onderdelen niet reeds falen bij gebrek aan belang, nu onbestreden blijft het oordeel van de ondernemingskamer dat de vennootschap tekort is geschoten in de verantwoording van de door de certificaathouders in het spaarfonds bijeengebrachte gelden (rov. 3.32 en 3.33), geldt het volgende.

3.16 Uit bijlage 2 bij het verslag(7) (een brief van de onderzoekers aan de advocaat van de vennootschap) blijkt dat namens de onderzoeker is verzocht om:

"28. Alle bankafschriften van de bankrekening waarop het spaarfonds wordt gehouden vanaf 1 januari 1999".

Hetgeen de Ondernemingskamer overwogen heeft in rov. 3.25 is dus in overeenstemming met de gedingstukken. De onderdelen falen.

- Onvoldoende verantwoording uitgaven spaarfonds

3.17 De onderdelen 1.9 tot en met 1.14 keren zich tegen de rechtsoverwegingen 3.27 en 3.33. In rov .3.27 overweegt de Ondernemingskamer als volgt:

"3.27 Een en ander heeft er toe geleid dat de onderzoekers geen duidelijk of sluitend beeld met betrekking tot de uitgaven van het spaarfonds hebben kunnen krijgen. Wel constateren de onderzoekers in verband met de vorenstaande gegevens dat de vennootschap van mening is dat ook de daadwerkelijke inkomsten in het spaarfonds hoger zijn geweest dan is geregistreerd en dat de advocaat in correspondentie die over deze kwestie met de onderzoekers heeft plaatsgevonden tot de conclusie komt dat een bedrag van EUR 984.274 van de (beredeneerde) uitgaven van het spaarfonds niet met facturen kan worden gestaafd."

Rov. 3.33 luidt als volgt:

"3.33 Hetgeen de onderzoekers aldus rapporteren houdt in dat het ervoor moet worden gehouden dat de vennootschap tekortschiet als het gaat om de verantwoording van de door de certificaathouders in het spaarfonds bijeengebrachte gelden. De regels die inzake het spaarfonds zijn opgesteld, vergen immers dat hetgeen daarin aanwezig is en welke bestedingen daaruit hebben plaatsgevonden, op eenvoudige en transparante wijze moet kunnen worden vastgesteld. Immers, er zou sprake (moeten) zijn van afzonderlijke (deposito)rekeningen, de mogelijke bestemming van de middelen is beperkt en zorgvuldige registratie, los van de overige liquiditeiten van de vennootschap, zou vereist zijn met het oog op een eventuele restitutie van gestorte gelden aan de certificaathouders. Gedurende de duur van het onderzoek heeft de vennootschap de onderzoekers een zodanige eenvoudige en transparante vaststelling niet kunnen aanreiken. Nu omtrent een juiste gang van zaken rond het spaarfonds zoveel vraagtekens zijn blijven bestaan, die ook ter terechtzitting door de vennootschap niet konden worden weggenomen, moet zozeer als vaststaand worden aangenomen dat de vennootschap haar zorgplicht jegens de certificaathouders met betrekking tot de vastlegging van gegevens over het spaarfonds en de aanwending van de daarin bijeengebrachte middelen heeft verwaarloosd, dat ervan de conclusie geen andere kan zijn dan dat de vennootschap te dezen in ernstige mate onzorgvuldig heeft gehandeld.

3.18 De onderdelen voeren aan dat het oordeel van de Ondernemingskamer dat de vennootschap tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens de certificaathouders, onvoldoende is gemotiveerd. [Verzoeker] c.s. voeren aan dat het ontbrekende saldo van de (beredeneerde) uitgaven van het spaarfonds wel met facturen kan worden gestaafd en de juistheid van de bevindingen van de onderzoekers op dit punt uitvoerig en gestaafd met onderliggende bescheiden is bestreden.

3.19 Het verweer van [verzoeker] c.s. komt er in de kern op neer dat de uitgaven van het spaarfonds wèl (op een kleine EUR 1.000,-- na) volledig kunnen worden verantwoord.(8) Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen [verzoeker] c.s. naar het bij verweerschrift ingediende rapport van N&S groep.(9) Ik meen dat rapport van N&S groep [verzoeker] c.s. niet de steun kan bieden voor hun stellingen die zij daarin lezen. Het rapport vermeldt uitdrukkelijk dat het louter ziet op de vraag naar de aanwezigheid van bewijsstukken voor uitgaven van het spaarfonds zonder dat een accountantscontrole is verricht (zo wordt uitdrukkelijk vermeld in zowel de brief als in de bijlagen). Daarnaast laat het rapport onverlet dat de accountants waarmee de onderzoekers hebben gesproken geen opheldering hebben kunnen verschaffen over het ontbreken van facturen over EUR 885.731,--, ook na daartoe ruim in de gelegenheid te zijn gesteld.(10) Mijns inziens heeft de Ondernemingskamer dan ook voorbij mogen gaan aan de stellingen van [verzoeker] c.s. terzake.

- Onderdeel 2

3.20 De onderdelen 2.1 tot en met 2.7 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Aangevoerd wordt dat de Ondernemingskamer ten onrechte voorbij is gegaan aan klachten omtrent feitelijke onjuistheden, waarop [verzoeker] c.s. onderzoekers n.a.v. het concept verslag en vervolgens ook de Ondernemingskamer in het verweerschrift hebben gewezen.

3.21 Ik merk op dat alleen onderdeel 2.5 dit verwijt concreet maakt. Aangevoerd wordt dat [verzoeker] c.s. hebben betoogd dat de redenen voor de doorgevoerde wijzigingen in de contractuele relaties met de certificaathouders waren vereist om adequaat in te kunnen spelen op de veranderende marktomstandigheden en deze steeds zijn gedaan in het belang van de vennootschap en de gezamenlijke certificaathouders.

3.22 Onderdeel 2.5 faalt. Dat het vennootschappelijk belang vereiste dat de positie van [verzoeker] c.s. moest worden versterkt ten koste van de positie van de certificaathouders wordt in het onderdeel onderbouwd door te verwijzen naar hetgeen hierover is opgemerkt in het verweerschrift onder 15. Ik meen dat hetgeen daar is aangevoerd zo weinig specifiek en draagkrachtig is dat de Ondernemingskamer niet gehouden was aandacht aan deze verweren te besteden bij het motiveren van het oordeel dat [verzoeker] c.s. uiteindelijk de gang van zaken bij de vennootschap en bij Stichting AK te zeer zijn gaan beheersen (rov. 3.29).

3.23 Voor het overige geldt dat anders dan de onderdelen betogen op de Ondernemingskamer niet gehouden is om in algemene zin aan te geven in hoeverre de correcties op het verslag zoals die namens [verzoeker] c.s. zijn aangevoerd, zijn verwerkt in het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid. Op de Ondernemingskamer rust de plicht het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid op een voldoende begrijpelijke wijze te motiveren, mede in het licht van de door [verzoeker] c.s. gevoerde verweren en overgelegde producties. Nu de onderdelen verzuimen te concretiseren (i) welke onjuistheden of onvolledigheden het betreft, en (ii) op welke wijze deze kunnen afdoen aan het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid, voldoen de onderdelen niet aan de daaraan te stellen eisen (426a Rv) en falen zij.

3.24 De onderdelen 2.8, 2.9 en 2.10 keren zich tegen rechtsoverweging 3.29:

"3.29 De Ondernemingskamer is op grond van de bevindingen van de onderzoekers en hetgeen overigens in het geding daarover is gebleken, van oordeel dat de TCA-structuur zoals die in de loop der jaren inhoud heeft gekregen, zowel wat betreft de personele bezetting als de formele inbedding, heeft geleid tot een toestand van de vennootschap en haar organen die uit een oogpunt van goede corporate governance de toets der kritiek niet (meer) kan doorstaan. Met de onderzoekers is de Ondernemingskamer van oordeel dat de gang van zaken bij de vennootschap en bij Stichting AK te zeer wordt beheerst door [verzoeker 1], [verzoeker 3] en [verzoeker 2] en dat deze personen het bij voortduring en steeds verdergaand ertoe hebben geleid dat zij met betrekking tot de gang van zaken in de uitoefening en het bestuur van de onderneming van de vennootschap hun positie hebben versterkt, zulks ten koste van de statutaire en contractuele positie van de certificaathouders-taxiondernemers. Hetgeen daarover hiervoor is opgenomen over de ontwikkelingen in de loop der tijd bij de vennootschap en Stichting AK getuigt daarvan. De Ondernemingskamer is voorts van oordeel dat in de verhouding tussen de vennootschap en haar certificaathouders, die feitelijk wordt beheerst door de franchisevoorwaarden, allengs een volstrekte eenzijdigheid is geslopen in dier voege dat welhaast een situatie is ontstaan dat de taxiondernemers, die toch uiteindelijk de (middellijke) aandeelhouders van de vennootschap zijn, zich een door het bestuur van de vennootschap gedicteerd keurslijf moeten laten welgevallen met slechts het verbreken van de banden met de vennootschap als alternatief."

3.25 De onderdelen voeren in de kern aan dat uit de bestreden overweging onvoldoende blijkt waarop de Ondernemingskamer haar oordeel heeft gebaseerd. Tevens voeren de onderdelen aan dat uit de bestreden beschikking niet valt af te leiden in hoeverre de Ondernemingskamer de door [verzoeker] c.s. aangevoerde verweren in haar oordeel heeft betrokken.

3.26 De onderdelen falen. De onderdelen zien er in de eerste plaats aan voorbij dat de Ondernemingskamer in rov. 3.28 uitvoerig de conclusie uit het verslag heeft geciteerd, waarmee de bestreden rechtsoverweging in beginsel voldoende is onderbouwd. Onder meer de volgende passage uit het verslag wordt geciteerd:

"Kort gezegd is er sprake (geweest) van een versterking van de macht van het bestuur ten koste van de certificaathouders, waarbij steeds dezelfde drie personen, te weten de heren [verzoeker 3], [verzoeker 2] en [verzoeker 1] (als een soort van "driemanschap") het beleid bepalen en uitvoeren zonder een voldoende inzicht te geven aan alle betrokkenen. Naar de mening van de Onderzoekers is er op dit moment dan ook sprake van een ongezonde situatie in de verhouding tussen de certificaathouders enerzijds en TCA anderzijds, met name in het licht van de (toentertijd bestaande) gedachte dat de centrale er "slechts" is ten behoeve van de certificaathouders en niet andersom."

Ik merk op dat de Ondernemingskamer bovenstaande overweging in rov. 3.30 nog nader heeft toegelicht, door een vijftal omstandigheden op te sommen waaruit blijkt dat [verzoeker] c.s. bewust hebben getracht hun invloed op het beleid en de gang van zaken bij de vennootschap te versterken.

Nu de onderdelen verzuimen inzichtelijk te maken welke door [verzoeker] c.s. aangevoerde verweren verhinderen dat de Ondernemingskamer de conclusies van de onderzoekers heeft mogen overnemen, althans waarom de gegeven motivering aanvulling behoeft om begrijpelijk te zijn, falen de onderdelen.

3.27 De onderdelen 2.11 en 2.12 keren zich tegen rov. 3.30:

"3.30 De Ondernemingskamer merkt bij het vorenstaande nog op dat uit het verslag van de onderzoekers naar voren komt dat de drie genoemde personen doelbewust naar de bestaande situatie hebben toegewerkt. De Ondernemingskamer wijst op de volgende aangelegenheden:

(i) (paragraaf 126) de verklaringen van [betrokkene 9] RA, voormalig voorzitter van Stichting AK, houden in wezen in dat [verzoeker 2] op oneigenlijke wijze het vertrek van [betrokkene 9] heeft afgedwongen;

(ii) (paragraaf 125) de onderzoekers hebben geconstateerd dat gedurende de periode waarover zij de notulen hebben ingezien (juli 2000 - november 2004) alle nieuwe bestuurders van Stichting AK steeds zijn benoemd op voordracht van [verzoeker 1], [verzoeker 2] of [verzoeker 3];

(iii) (paragraaf 127) de interne bestuursleden van de Stichting AK, [verzoeker 3] en [verzoeker 2], hadden volgens verklaringen van externe bestuursleden voorafgaand aan bestuursvergaderingen van Stichting AK vooroverleg met [verzoeker 1], beschikten ook door hun regelmatige aanwezigheid op het kantoor van de vennootschap over een grote informatievoorsprong en lichtten de overige bestuursleden niet of niet volledig in, hetgeen er uiteindelijk toe leidde dat de drie betrokken externe bestuursleden in januari 1999 gezamenlijk opstapten;

(iv) (paragraaf 128) het voormalig lid van Stichting AK [betrokkene 10] heeft verklaard dat [verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3] feitelijk de dienst uitmaken binnen de vennootschap;

(v) (paragraaf 128) [betrokkene 9], hiervoor reeds genoemd, heeft de onderzoekers medegedeeld regelmatig zaken te hebben willen veranderen binnen de vennootschap, maar - naar zijn zeggen - werd hij als extern bestuurslid steeds geconfronteerd met een blok van de interne bestuursleden die steeds met elkaar meestemden."

3.28 De onderdelen voeren aan dat de Ondernemingskamer ten onrechte de onder (i) tot en met (v) aangehaalde aangelegenheden als vaststaande feiten heeft aangemerkt en voorts het oordeel van de Ondernemingskamer dat [verzoeker] c.s. "doelbewust naar de bestaande situatie hebben toegewerkt" niet kunnen dragen.

3.29 De onderdelen falen. De klacht dat de Ondernemingskamer ten onrechte de hiervoor weergegeven feiten (rov. 3.30 onder (i) tot en met (v)) als vaststaand heeft aangemerkt, wordt slechts nader onderbouwd ten aanzien van het aansturen op het vertrek van [betrokkene 9]. Aangevoerd wordt dat een - als productie 13 bij het verweerschrift ingebrachte - brief van de bestuursleden van Stichting AK een belangrijke nuancering aanbrengt op het vertrek van [betrokkene 9]. In de brief wordt onder meer aangevoerd dat (i) [verzoeker 2] geen enkele rol heeft gespeeld in de besluitvorming omtrent het vertrek van [betrokkene 9] en (ii) [betrokkene 9] zelf in het voorgaande jaar reeds meermalen had aangeven te twijfelen over zijn aanblijven, aldus het middel.

3.30 In de kern strekt het onderdeel ertoe te betogen dat de Ondernemingskamer aan de als productie overgelegde brief niet het gewicht heeft toegekend dat deze brief volgens [verzoeker] c.s. heeft. Daarmee ziet het onderdeel eraan voorbij dat de waardering van getuigenbewijs is overgelaten aan de feitenrechter. Ik acht het oordeel van de Ondernemingskamer dat [verzoeker] c.s. het vertrek van [betrokkene 9] op oneigenlijke wijze hebben afgedwongen niet onvoldoende gemotiveerd. De Ondernemingskamer verwijst verder naar het verslag (nr 126).

Ik merk nog op dat ook in de door het onderdeel aangehaalde brief, de bestuursleden van de Stichting AK erkennen dat mede "de zware druk vanuit het bedrijf" de bestuursleden heeft doen besluiten [betrokkene 9] te adviseren om geen nieuwe periode als voorzitter te aanvaarden.

3.31 Onderdeel 2.13 voert aan dat de Ondernemingskamer uit de vermelde feiten en omstandigheden in rov. 3.30 zonder nadere motivering niet heeft mogen afleiden dat [verzoeker] c.s. doelbewust naar de bestaande situatie hebben toegewerkt. Het onderdeel faalt nu ik hetgeen de Ondernemingskamer heeft overwogen in rov. 3.30 - mede beschouwd in het licht van rov. 3.29 - voldoende draagkrachtig acht.

3.32 Onderdeel 3 (de nummers 3.1 tot en met 3.3 uit het verzoekschrift) keert zich tegen rov. 3.19:

"3.19 De relatie tussen de vennootschap en de certificaathouders wordt bepaald door tussen genoemde partijen gesloten samenwerkingsovereenkomsten en, afhankelijk van de vorm van bedrijfsvoering van de certificaathouder, exploitatieovereenkomsten, licentieovereenkomsten en chauffeursovereenkomsten. Op al deze overeenkomsten zijn de algemene voorwaarden van toepassing. Deze algemene voorwaarden werden voor de eerste maal opgesteld bij gelegenheid van de overgang van de CBvT-structuur naar de TCA-structuur en bevatten regels die voorheen in de tussen de CBvT en de taxiondernemers gesloten samenwerkingsovereenkomsten waren opgenomen. Deze algemene voorwaarden werden herhaaldelijk gewijzigd en uitgebreid."

3.33 Het onderdeel voert aan de Ondernemingskamer blijkens rov. 3.19 een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van wanbeleid.

3.34 Het onderdeel faalt omdat hetgeen wordt overwogen in rov. 3.19 niet ziet op de vraag of sprake is geweest van wanbeleid. De Ondernemingskamer constateert in rov. 3.19 slechts dat de relatie van de certificaathouders en de vennootschap mede door andere overeenkomsten wordt bepaald.

Ik merk nog op dat, voor zover het onderdeel betoogt dat het bestaan van contractuele relaties tussen de certificaathouders en de vennootschap in het geheel geen rol mag spelen bij de beoordeling of sprake is geweest van wanbeleid, nu de verhouding tussen de certificaathouders en de vennootschap wordt beheerst door de certificeringsvoorwaarden, deze opvatting onjuist is. Het beleid van de vennootschap vormt het onderwerp van een enquête-onderzoek. Het bestaan van overeenkomsten met de certificaathouders kan voor de toetsing van het beleid van de vennootschap een relevant gegeven zijn.

3.35 Onderdeel 4 voert aan dat de Ondernemingskamer het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid (rov. 3.29 tot en met 3.31 en 3.33) onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo hebben de onderzoekers niet geconcludeerd dat sprake is geweest van wanbeleid. Voorts heeft de Ondernemingskamer verzuimd inzichtelijk te maken waarom de vennootschap de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap heeft overschreden en in de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid tot haar beleid heeft kunnen komen, aldus het onderdeel.

3.36 Het onderdeel faalt. De Ondernemingskamer heeft het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid onderbouwd door erop te wijzen dat (i) de TCA-structuur zoals die in de loop der jaren inhoud heeft gekregen heeft geleid tot een toestand van de vennootschap en haar organen die uit een oogpunt van goede corporate governance de toets der kritiek niet (meer) kan doorstaan, aangezien de gang van zaken bij de vennootschap en Stichting AK te zeer wordt beheerst door [verzoeker 1], [verzoeker 3] en [verzoeker 2] (rov. 3.29); en (ii) de vennootschap is tekort geschoten in de verantwoording van de door de certificaathouders in het spaarfonds bijeengebrachte gelden (rov. 3.33). Deze - niet met succes bestreden - gronden acht ik voldoende om het oordeel van de Ondernemingskamer te kunnen dragen.

3.37 Dat in het verslag niet expliciet tot wanbeleid is geconcludeerd laat zich verklaren uit het feit dat het aan de onderzoekers is het beleid van de vennootschap te onderzoeken en aan de Ondernemingskamer met name aan de hand van het verslag van het onderzoek te beoordelen of sprake is geweest van wanbeleid.

3.38 Voorzover het onderdeel betoogt dat de Ondernemingskamer onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden het gevoerde beleid de toets der redelijkheid - gelet op de het bestuur toekomende beleidsvrijheid - niet zou kunnen doorstaan, mede gezien hetgeen door [verzoeker] c.s. is aangevoerd, geldt het volgende. De Ondernemingskamer was niet gehouden op alle stellingen van [verzoeker] c.s. afzonderlijk in te gaan. In de overwegingen van de Ondernemingskamer ligt een verwerping van de door [verzoeker] c.s. aangevoerde stellingen besloten. Voor zover het onderdeel betoogt dat het oordeel aanvulling behoeft om begrijpelijk te stelt het te hoge eisen aan de motiveringsplicht van de Ondernemingskamer.

4. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het verzoek.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan de beschikking van de Ondernemingskamer te Amsterdam van 2 juni 2005 (onder 2), waarnaar ook wordt verwezen in de bestreden beschikking van 6 juli 2006 (onder 2).

2 De beschikking is besproken door Storm in Ondernemingsrecht 2007 (1), p. 26-29.

3 De beschikking is gegeven op 6 juli 2006, het verzoekschrift is op 6 oktober 2006 (per fax) ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

4 Zie hierover rov. 3.5 van de bestreden beschikking.

5 Bijlage 7 bij het verweerschrift.

6 Zie rov. 4.19, hof 22 april 2004, bijlage 7 bij het verweerschrift.

7 Waarnaar ook wordt verwezen in het verslag, noot 362, p. 126.

8 Zie onder 28 tot en met 33 van de pleitnota van Mr van Schuppen d.d. 15 juni 2006.

9 "rapport van bevindingen inzake uitgaven spaarfonds Taxicentrale Amsterdam B.V. over de periode 1998 tot en met 2004", opgesteld door N&S Groep, bijlage 5 bij het verweerschrift.

10 Zie het rapport onder 5.1.3.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature