Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

partneralimentatie.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.192.557/01

zaaknummer rechtbank : C/01/302152/FA RK 15-6735

beschikking van de meervoudige kamer van 9 februari 2017

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Poort-van der Meeren te Eindhoven,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B.A. van Mens te 's-Hertogenbosch.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 4 mei 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 3 juni 2016 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 4 mei 2016.

2.2.

De man heeft op 28 juli 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 april 2016;

een V8-formulier van de zijde van de man van 14 december 2016 met bijlagen, ingekomen op 15 december 2016;

een V6-formulier van de zijde van de vrouw van 20 december 2016 met bijlagen, ingekomen op 20 december 2016.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 5 januari 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het huwelijk van partijen is op 25 februari 2015 ontbonden door echtscheiding.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de man (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van 9 december 2015 bepaald op € 1.173,-per maand.

4.2.

De grieven van de vrouw zien op de huwelijksgerelateerde behoefte van de man, de aanvullende behoefte van de man, haar draagkracht, de draagkracht van de man, de ingangsdatum en de limitering van de partneralimentatie.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

primair

het inleidende verzoek van de man tot vaststelling van partneralimentatie af te wijzen;

subsidiair

haar alimentatieverplichting te bepalen op nihil, dan wel primair haar alimentatieverplichting te limiteren tot twee jaar en subsidiair de partneralimentatie binnen vijf jaar na de ingangsdatum met 20% per jaar af te bouwen, waarna de bijdrage nihil zal zijn, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

De man verzoekt de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans dit beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum (grief 5)

5.1.

De vrouw betwist de door rechtbank vastgestelde ingangsdatum. Zij stelt dat door met ingang van 9 december 2015 de alimentatie vast te stellen er in feite reeds een achterstand in de betaling is ontstaan, die door haar niet zo maar ingehaald kan worden.

De man meent dat er alle redenen voor zijn de ingangsdatum van de alimentatie vast te stellen op 1 juli 2015, althans 1 oktober 2015, doch acht het redelijk dat de rechtbank de ingangsdatum heeft bepaald op de datum van binnenkomst van het verzoekschrift. Reeds geruime tijd daarvoor had de vrouw rekening moeten en kunnen houden met een claim, zo stelt de man.

5.2.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden die het hof - na eigen beoordeling en waardering - overneemt en tot de zijne maakt, de ingangsdatum op 9 december 2015 heeft bepaald. Grief 5 slaagt derhalve niet.

Behoefte man (grief 1)

5.3.

De vrouw stelt de hoogte van de behoefte van de man ter discussie.

Zij stelt dat de rechtbank door bij de vaststelling van de behoefte enkel uit te gaan van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen van partijen aan het eind van hun huwelijk heeft miskend dat de man zijn welstandsgerelateerde behoefte dient te concretiseren en bij betwisting te onderbouwen. Nu de man dit ondanks het door de vrouw dienaangaande gevoerde verweer heeft nagelaten is de conclusie gerechtvaardigd dat de man geen behoefte heeft, zodat zijn verzoek dient te worden afgewezen.

De man betwist dat en stelt dat partijen in artikel 1 van het echtscheidingsconvenant met verwijzing naar de 60 % hofregel zelf de huwelijksgerelateerde behoefte hebben bepaald.

Voor het geval het hof de vrouw volgt in haar grief heeft de man een behoefteoverzicht overgelegd.

5.4.

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de man is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.5.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat partijen blijkens het door hen op 29 december 2014 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat de huwelijksgerelateerde behoefte van partijen € 3.239,- netto per maand bedraagt, berekend op basis van 60% van het netto gezinsinkomen. De vrouw stelt weliswaar dat het niet de bedoeling van partijen was de behoefte conform de hofnorm vast te stellen, doch de man betwist dit, onder verwijzing naar de schriftelijk vastgelegde afspraak hieromtrent. Waar partijen onder begeleiding van een scheidingsplanner tot afspraken omtrent partneralimentatie zijn gekomen en de behoefte daarbij nadrukkelijk is bepaald op basis van een bekend forfaitair uitgangspunt heeft de vrouw onvoldoende aangevoerd en onderbouwd waarom deze overeenkomst terzijde zou moeten worden geschoven. Het hof ziet evenmin als de rechtbank aanleiding van het bedrag dat partijen zijn overeengekomen af te wijken. Grief 1 slaagt niet.

Gelet op de wettelijke indexering bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte per 1 januari 2016 € 3.307,35 netto per maand, hetgeen neerkomt op € 5.379,- bruto per maand.

Behoeftigheid (grieven 2 en 4)

5.6.

De vrouw voert omtrent de behoeftigheid van de man het volgende aan.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de man zelf gekozen voor vervroegd ouderdomspensioen. De vrouw heeft daar uitdrukkelijk niet mee ingestemd. Zij heeft slechts anticiperend op de op dat moment op handen zijnde wetswijziging partnerpensioen, afgezien van haar aanspraak hierop. De man is aldus geheel zelf verantwoordelijk voor zijn beslissing om met pensioen te gaan. De gevolgen van zijn keuze dient de man zelf te dragen en mag hij niet afwentelen op de vrouw.

De man heeft nagelaten alles in het werk te stellen om actief te blijven op de arbeidsmarkt en zodoende voldoende inkomen te generen. Thans kan de man gebruik maken van de spijtoptantenregeling of naast zijn pensioen gaan werken.

De man heeft geen economisch nadeel geleden door het huwelijk, zodat de grondslag voor de partneralimentatie ontbreekt.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist, waarbij hij onder meer heeft aangevoerd dat hij thans geen tijdelijke arbeidsovereenkomst kan aangaan, omdat het niet alleen fiscale consequenties heeft als hij eerder dan vijf jaar voorafgaand aan de pensioengerechtigde leeftijd gaat werken, maar hij ook na afloop van een tijdelijk arbeidscontract geen aanspraak meer kan maken op het vervroegd pensioen, en hij momenteel nauwelijks WW-rechten heeft opgebouwd. Zou de man vervolgens werkeloos raken, dan zal hij aangewezen zijn op een bijstandsuitkering, welke hem wegens vrijwillig inkomensverlies ook nog eens kan worden geweigerd. De man heeft de ervaring dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor hem niet tot de mogelijkheden behoort.

5.7.

Het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat de man genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat hij in samenspraak met de vrouw heeft besloten om vervroegd ouderdomspensioen aan te vragen opdat partijen hun maandelijkse lasten konden blijven voldoen. Hetgeen de vrouw daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Van behoeftigheid is sprake als de man niet over voldoende inkomsten beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. Naar het oordeel van het hof heeft het vervroegd pensioen in redelijkheid als consequentie dat de man thans wordt belemmerd in het aangaan van een arbeidsovereenkomst waardoor hij niet de mogelijkheid heeft zijn pensioenuitkering ad € 1.836,16 bruto per maand aan te vullen. Dit betekent dat de man vooralsnog behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de vrouw in zijn kosten van levensonderhoud van € 3.542,84 bruto per maand. In zoverre faalt grief 2.

Het hof onderschrijft evenwel de overweging van de rechtbank dat de man vanaf het moment dat hij naast zijn vervroegd ouderdomspensioen weer inkomsten mag genereren, welk moment zich volgens de thans geldende regelgeving voordoet op 13 oktober 2018, de datum waarop de man 62 jaar en drie maanden oud zal zijn, zich tot het uiterste dient in te spannen om betaalde arbeid te vinden om aldus zijn behoefte aan een aanvullende bijdrage van de vrouw te verlagen.

Draagkracht van de vrouw (grief 3)

5.8.

De vrouw stelt dat haar draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde alimentatie van € 1.173,- per maand te betalen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking rekening gehouden met een door de vrouw te betalen Hypotheekrente van € 514,- per maand, terwijl de daadwerkelijke Hypotheekrente en -aflossing € 919,- per maand bedraagt. Haar werkelijke woonlast in aanmerking genomen, heeft de vrouw een draagkracht van € 969,- bruto per maand. Na jusvergelijking bedraagt de maximale partneralimentatie € 757,- per maand.

De man betwist dat sprake is van een daadwerkelijke Hypotheekrente en -aflossing van

€ 919,- per maand.

5.9.

Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken genoegzaam is gebleken dat de daadwerkelijke door de vrouw te betalen Hypotheekrente en -aflossing niet € 514,- per maand, doch € 919,- per maand bedraagt. Het hof gaat derhalve uit van de door de vrouw op basis van de daadwerkelijke woonlasten becijferde - en in zoverre niet betwiste - draagkracht ad € 969,- bruto per maand, en een daaruit, na jusvergelijking, voortvloeiende partneralimentatie van € 757,- bruto per maand.

Het hof zal de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage dan ook vaststellen op € 757,- bruto per maand. Grief 3 slaagt aldus.

Limitering van de alimentatieverplichting (grief 6)

5.10.

De vrouw stelt dat de rechtbank het verzoek van de vrouw tot limitering ten onrechte en zonder deugdelijke motivering heeft afgewezen. De man heeft zich door het huwelijk geen opofferingen hoeven getroosten en zijn verdiencapaciteit is niet negatief beïnvloed door het huwelijk. Gelet op het feit dat partijen over enkele jaren AOW-gerechtigd zijn, hetgeen voor hen beiden inkomenswijzigingen teweegbrengt, kan een alimentatieplicht voor de duur van 12 jaar niet worden opgelegd.

De man verzet zich tegen een eventuele limitering onder verwijzing naar het echtscheidingsconvenant waarin ten aanzien van de duur van de alimentatieplicht is opgenomen dat partijen ervan op de hoogte zijn dat deze duur volgens de wettelijke bepalingen maximaal twaalf jaar duurt vanaf de datum van de ontbinding van het huwelijk.

5.11.

Ingevolge artikel 1:157 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn.

5.12.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden die het hof - na eigen beoordeling en waardering - overneemt en tot de zijne maakt, het verzoek van de vrouw de duur van de alimentatie te limiteren dan wel de hoogte daarvan te matigen, heeft afgewezen. Grief 6 slaagt niet.

Indien de financiële situatie van één van partijen daartoe aanleiding geeft, staat het hen vrij, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, een procedure tot wijziging van de alimentatie bij de rechtbank aanhangig te maken voor zover het partijen niet lukt in onderling overleg tot overeenstemming te komen.

In dit kader heeft de vrouw aangegeven dat zij, gelet op haar leeftijd, op termijn minder uren wil gaan werken. Door haar alimentatieverplichting jegens de man voelt zij zich evenwel belemmerd in de mogelijkheden daartoe.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Partijen zijn ruim 28 jaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijk zijn thans meerderjarige kinderen geboren. De vrouw is niet veel jonger dan de man. Beiden naderen zij de pensioengerechtigde leeftijd. De vrouw heeft een fulltime baan, terwijl de man sedert enkele jaren door hiervoor genoemde omstandigheden niet meer werkt.

In het licht van het voorgaande en in aanmerking genomen hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 5.7. heeft overwogen met betrekking tot de inspanningsverplichting van de man om betaalde arbeid te verrichten zodra dit weer mogelijk is, hetgeen vooralsnog op 13 oktober 2018 zal zijn, acht het hof het voorshands redelijk dat de vrouw op genoemde datum, indien zij dat wenst, minder uren per week gaat werken. Voor zover dit haar draagkracht negatief zal beïnvloeden, is hierin dan naar het oordeel van het hof alsdan, onder de thans bekende omstandigheden, een grondslag gelegen de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in zijn levensonderhoud te wijzigen.

Het hof ziet echter geen aanleiding de duur reeds thans te bekorten.

Terugbetaling

5.13.

Nu het hof de onderhoudsverplichting met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum heeft verlaagd, dient het hof aan de hand van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de vrouw sedert 7 december 2015 maandelijks een bedrag van € 757,- als uitkering tot zijn levensonderhoud aan de man heeft voldaan. Nu dit bedrag gelijk is aan het door het hof vastgestelde bedrag, is een terugbetalingsverplichting van de man niet aan de orde.

6 De slotsom

in het hoger beroep

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 4 mei 2016, behoudens de proceskostencompensatie en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 7 december 2015 als uitkering tot zijn levensonderhoud € 757,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en A. Herczog en is op 9 februari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature