Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

partneralimentatie

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.196.168/01

zaaknummer rechtbank : C/03/213774/FA RK 15-3923

beschikking van de meervoudige kamer van 20 april 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.J. Sleegers te Someren,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.S.J.H. van den Bronk te Maastricht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 14 april 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 12 juli 2016 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 14 april 2016.

2.2.

De vrouw heeft op 13 december 2016 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met bijlagen ingediend.

2.3.

De man heeft op 12 januari 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep met bijlagen ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een V6-formulier van de zijde van de man van 15 december 2016 met bijlagen, ingekomen op 20 december 2016;

- een V6-formulier van de zijde van de man van 21 december 2016, ingekomen op 21 december 2016;

- een V6-formulier van de zijde van de vrouw van 9 januari 2017 met bijlagen, ingekomen op 10 januari 2017.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 17 januari 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.6.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een V5-formulier van de zijde van de vrouw van 17 februari 2017 en een V8-formulier van de zijde van de man van 23 februari 2017.

2.6.1.

Voorts is na de mondelinge behandeling ingekomen een V8-formulier van de zijde van de vrouw van 7 maart 2017 met bijlagen. Echter de inhoudelijke behandeling van de zaak is met de zitting afgerond, waarna het hof de beslissing in de zaak nog een korte periode heeft aangehouden in afwachting van schikkingsonderhandelingen tussen de partijen. Dit schikkingsoverleg heeft, zoals blijkt uit voormeld schrijven van de advocaat van de man van 23 februari 2017 niet tot enig resultaat geleid. De zaak staat vanaf dat moment voor uitspraak en het hof ziet geen aanleiding de behandeling te heropenen. De stukken gevoegd bij het V8-formulier van 7 maart 2017 worden derhalve niet toegelaten.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat het huwelijk van partijen op 16 november 2016 is ontbonden door echtscheiding.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zijnde 16 november 2016, bepaald op € 1.400,-- per maand.

4.2.

De grieven van de man zien op de (aanvullende) behoefte van de vrouw en op zijn draagkracht. De man verzoekt voornoemde beschikking te vernietigen en het verzoek van de vrouw inzake partneralimentatie alsnog af te wijzen.

4.3.

De grief van de vrouw ziet op de vastgestelde partneralimentatie in het geval zij niet meer (een deel van de) voormalig echtelijke woning bewoont. De vrouw verzoekt voornoemde beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat de man een partneralimentatie van € 3.500,-- per maand dient te voldoen, indien en voor zover zij geacht wordt geheel zelfstandig in haar eigen levensonderhoud te voorzien, althans een partneralimentatie van € 1.400,-- per maand, indien en voor zover de man de hypothecaire en overige eigenaarslasten alsmede de gebruikerslasten van haar woonruimte voor zijn rekening neemt en ten gunste van haar voldoet, althans een partneralimentatie die het hof juist acht.

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum

5.1.

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, te weten datum inschrijving echtscheidingsbeschikking (welke inschrijving inmiddels op16 november 2016 heeft plaatsgevonden), is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Het hof ziet om proceseconomische redenen aanleiding om hierna eerst de draagkracht van de man te bespreken.

Draagkracht van de man

5.2.

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enig alimentatiebedrag te betalen. Ter onderbouwing hiervan voert de man aan dat de winst uit zijn onderneming [carnavalskleding] Carnaval sinds 2012 steeds verder is afgenomen, alsook dat de daarnaast genoten inkomsten uit verhuur van een bedrijfspand sedert medio 2013 met een bedrag van € 35.000,-- op jaarbasis zijn gereduceerd.

De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij stelt dat de man onvoldoende inzage verschaft in zijn financiële situatie, hetgeen des te meer klemt nu de stellingen van de man omtrent zijn inkomsten haaks staan op het feitelijk bestedingspatroon van partijen.

5.3.

Het hof overweegt als volgt.

De man drijft een winkel – een eenmanszaak – in carnavalskleding, [carnavalskleding] Carnaval. Daarnaast heeft de man een bedrijfspand (box III-vermogen). Het grootste deel van het bedrijfspand verhuurt de man sinds jaren aan Intertoys Holland BV, die aldaar een speelgoedwinkel exploiteert. In een kleiner gedeelte van het bedrijfspand is [carnavalskleding] Carnaval gevestigd.

Vaststaat dat tijdens het huwelijk van partijen gemiddeld € 4.600,-- per maand van de zakelijke rekening van [carnavalskleding] Carnaval, waarop naar de stelling van de man ook de huurinkomsten van zijn box-III bedrijfspand binnenkwamen, werd overgemaakt naar de huishoudrekening van partijen. Van deze gezamenlijke rekening werden onder meer de huishoudelijke kosten voldaan, maar niet de hypothecaire en overige eigenaarslasten betreffende de echtelijke woning. Het gezinsinkomen werd aangevuld met een persoonsgebonden budget van € 18.000,-- per jaar dat de vrouw ontving voor de door haar verleende zorg aan de zoon van partijen.

De man stelt aan de hand van de overgelegde stukken, kort gezegd, het volgende.

Van 2012 tot en met 2015 is de winst uit [carnavalskleding] Carnaval afgenomen van € 25.693,-- in 2012 en € 6.793,-- in 2013 naar € 378,-- in 2014. Het jaar 2015 geeft blijkens de IB aangifte een verlies uit onderneming ( [carnavalskleding] Carnaval) te zien van ruim € 7.000,--.

Daarnaast zijn medio 2013 de (afzonderlijk van [carnavalskleding] Carnaval genoten) inkomsten uit de verhuur van het bedrijfspand (box III vermogen van de man) verminderd van € 130.000,-- per jaar naar € 95.000,-- bruto per jaar, omdat Intertoys anders het huurcontract niet wenste te verlengen.

Het PGB voor de zoon is eind 2014 geëindigd toen hij op zichzelf ging wonen.

Het voorgaande komt er op neer dat er bij partijen tezamen thans ongeveer (€ 25.693,-- + € 35.000,-- + (evt.) het verlies van de eenmanszaak van € 7.000,-- =) 60.000,-- à € 70.000,-- per jaar (ofwel omstreeks € 5.000,-- per maand) minder aan inkomsten binnenkomt dan in de jaren tot 2013.

Het hof is van oordeel dat uit de door de man overgelegde jaarstukken van [carnavalskleding] Carnaval over 2012 t/m 2014, de aangiften IB over 2012 t/m 2015, de aanslagen IB over 2012 t/m 2014 en de toelichting van de man ter zitting, voldoende gebleken is dat de eenmanszaak van de man inmiddels verlieslatend is en dat het perspectief ongunstig is. De substantiële vermindering van de huurinkomsten (van € 130.000,-- naar € 95.000,-- per jaar) is niet in geschil. Voorts is komen vast te staan dat daar tegenover een grotendeels niet aftrekbare hypotheekrentelast staat van ruim € 69.000,- per jaar en dat de man met een bedrag van ten minste € 6.000,-- per jaar (€ 500,-- per maand) bijdraagt in de kosten van levensonderhoud en studie van de studerende zoon van partijen. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat deze kosten buiten beschouwing dienen te worden gelaten, echter heeft ingevolge artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek de alimentatie ten behoeve van de zoon voorrang boven partneralimentatie.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de man de draagkracht tot het betalen van enige alimentatie aan de vrouw ontbreekt. Hetgeen de vrouw overigens nog heeft aangevoerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Het hof komt aldus niet toe aan bespreking van de overige grieven van partijen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en het inleidend alimentatieverzoek van de vrouw alsnog afwijzen.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 14 april 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst alsnog af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en G.J. Vossestein en is op 20 april 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature