Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

kinderalimentatie

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.193.427/01

zaaknummer rechtbank : C/01/299508 / FA RK 15-5412

beschikking van de meervoudige kamer van 30 maart 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B.L.A. Ruijs te Oss,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm te Veghel.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 maart 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 10 juni 2016 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 11 maart 2016.

2.2.

De vrouw heeft op 1 augustus 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 21 februari 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 12 februari 2016;

het V-formulier van de advocaat van de man van 10 februari 2017, ingekomen ter griffie op 10 februari 2017.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn op 4 maart 2008 met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is op 5 januari 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijks van partijen is geboren::

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2009.

[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

Partijen geven uitvoering aan een zorgregeling waarbij [minderjarige] , kort gezegd, één weekend in de veertien dagen en de helft van de vakanties bij de man verblijft.

3.3.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 6 november 2014 heeft rechtbank – voor zover thans relevant – bepaald dat de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te worden vastgesteld op € 102,31 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging van de echtscheidings-beschikking uitsluitend voor zover het de kinderalimentatie betreft, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] als volgt vastgesteld:

op een bedrag van € 41,82 per maand met ingang van 5 januari 2015;

op een bedrag van € 62,44 per maand met ingang van 1 januari 2016.

Tevens heeft de rechtbank bepaald dat op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust voor zover de man met betrekking tot de periode vanaf 5 januari 2015 meer heeft betaald aan kinderalimentatie dan hij op grond van de thans vastgestelde onderhoudsverplichting dient te betalen.

4.2.

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 5 januari 2015 op nihil wordt gesteld en dat het door de man aan de vrouw teveel betaalde bedrag aan kinderalimentatie door haar dient te worden terugbetaald aan de man binnen veertien dagen na de te geven beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente over het aan de man verschuldigde bedrag, vanaf de eerste dag dat de hiervoor genoemde betalingstermijn is verstreken, tot de dag van algehele voldoening.

4.3.

Het hof constateert dat partijen het in hoger beroep eens zijn over de volgende uitgangspunten:

de ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdrage, zijnde 5 januari 2015;

de behoefte van [minderjarige] die € 202,14 per maand bedraagt in 2014;

de draagkracht van de vrouw van € 163,66 per maand in 2015 en € 130,= per maand in 2016;

het reguliere salaris van de man van € 1.507,80 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van € 45,23 bruto per maand;

een zorgkorting van 25 %, zijnde € 50,54 per maand in 2015 en € 51,60 per maand in 2016.

De grieven van de man in hoger beroep zien uitsluitend op aanvullende inkomsten van € 500,= per vier weken waarmee de rechtbank, naar de mening van de man ten onterechte, rekening heeft gehouden ter becijfering van zijn draagkracht.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De man betwist dat er sprake is van een extra inkomen van € 500,= per vier weken. In zijn appelschrift voert hij aan dat hij is gestopt met zijn werkzaamheden bij de shoarmazaak toen hij in september 2015 ernstig werd mishandeld door zijn werkgever. In oktober 2015 heeft de man zich door een tandarts laten behandelen in verband met letsel ten gevolge van deze mishandeling. De contante bedragen die weleens op zijn bankrekening worden gestort en de overschrijvingen ten gunste van hem, zijn afkomstig van zijn zoon.

De man is van mening dat hij niet in staat is om de verlaagde kinderalimentatie te voldoen en wijst er voorts op dat hij tijdens het huwelijk geen extra inkomsten had uit zijn werkzaamheden bij de shoarmazaak ter hoogte van € 250,= netto per week; dit was ongeveer € 55,= per weekend.

5.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man in haar verweerschrift in hoger beroep en ter zitting van het hof gemotiveerd betwist. Zij stelt dat de man tijdens het huwelijk wekelijks van vrijdag tot en met zondag in de shoarmazaak werkte en dat hij daarmee € 250,= per week verdiende aan zwarte inkomsten. Deze werkzaamheden werden èn worden door de man aangevangen op vrijdag 17.00 uur tot sluitingstijd van de zaak, 02.25 uur. In eerste aanleg heeft de man niet betwist dat hij € 250,= per weekend verdiende. Ook na het huwelijk is de man volgens de vrouw deze werkzaamheden blijven verrichten, ook in de weekenden dat [minderjarige] bij hem verblijft. De rechtbank heeft naar de mening van de vrouw terecht geoordeeld dat de extra inkomsten die de man genereert € 500,= netto per vier weken bedragen.

Het hof overweegt als volgt.

5.3.

Het hof stelt vast dat de man nihilstelling van de kinderalimentatie verzoekt. Krachtens art. 150 Rv rust op hem de stelplicht van de rechtsfeiten die tot dit beoogde rechtsgevolg kunnen leiden en, indien hij aan deze stelplicht heeft voldaan en de vrouw deze rechtsfeiten voldoende gemotiveerd heeft betwist, de bewijslast hiervan.

Bezien in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, is het hof van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat de man over onvoldoende draagkracht beschikt om nog langer de alimentatie voor [minderjarige] te voldoen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Hoewel de man betoogt dat hij nooit zwart heeft gewerkt, heeft hij – hetgeen wel op zijn weg had gelegen, mede gelet op de onderbouwde betwisting hiervan door de vrouw– nagelaten een arbeidsovereenkomst te overleggen en bankafschriften waaruit salarisbetalingen blijken om de juistheid van zijn stellingen aan te tonen. Ook anderszins heeft de man geen verificatoire bescheiden in het geding te gebracht waaruit de juistheid van zijn betoog blijkt.

Bovendien heeft de man gedurende deze gerechtelijke procedure tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het einde van zijn dienstverband maar ook over de inkomsten die hij heeft gegeneerd bij de shoarmazaak. In zijn appelschrift betoogt hij dat hij € 110,= per week heeft verdiend. Ter zitting van het hof heeft de man evenwel verklaard dat hij € 110,= netto per maand (niet per week) verdiende. De man heeft eveneens ter zitting betoogd dat hij, in verband met de zorg voor [minderjarige] , om het weekend heeft gewerkt (en niet ieder weekend), zodat er hoogstens rekening gehouden dient te worden met inkomsten van € 55,= per maand. Verder heeft de man verklaard dat hij nooit salaris heeft ontvangen van zijn werkgever. Op vragen van het hof – waarbij het hof de man heeft voorgehouden dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 12 februari 2016 blijkt dat de man ten overstaan van de rechtbank heeft verklaard dat hij zijn salaris bij de shoarmazaak deels contant ontving– heeft de man vervolgens het standpunt ingenomen dat hij € 300,= contant heeft ontvangen voor een heel jaar werken in de shoarmazaak en dat het overige gedeelte van zijn salaris op zijn bankrekening is gestort.

Ten slotte stelt het hof ten aanzien van het einde van het dienstverband bij de shoarmazaak, op grond van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de man eveneens ambivalent is in zijn standpunt door wie hij is mishandeld en door hoeveel personen dit is gebeurd.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat de man onvoldoende inzicht in zijn financiële positie heeft gegeven, de gesignaleerde tegenstrijdigheden en discrepanties in de door de man afgelegde verklaringen niet zijn opgehelderd en hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is een inkomen te genereren waarmee hij aan zijn wettelijke onderhoudsverplichting zou kunnen voldoen. Daarmee heeft de man niet voldaan aan de verplichting van art. 21 Rv tot een juiste en volledige voorlichting van de rechter en de wederpartij. Het hof verbindt daaraan de gevolgtrekking dat de man in staat wordt geacht de bijdrage voor [minderjarige] , zoals vastgesteld bij de bestreden beschikking, met ingang van 5 januari 2015 te voldoen.

5.4.

Nu het hof van oordeel is dat de man niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, komt het hof niet toe aan een bewijslevering, zodat het hof voorbijgaat aan het bewijsaanbod van de man. Aan het verzoek van de man dat ziet op de terugbetalingsverplichting, komt het hof evenmin toe.

6 De slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en M.A. Ossentjuk, bijgestaan door mr. D. van der Horst en is op 30 maart 2017 in tegenwoordigheid van de griffier


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature