Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Invordering dwangbevel. Belastingrecht. Nietigheid dwangbevel. Ontbreken rechtsmiddelenaanwijzing. Verjaring. Hernieuwd bevel. Kosten en rente.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.179.157/01

arrest van 1 november 2016

in de zaak van

[appellante] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. X.P.C. Wynands te Eindhoven,

tegen

De Ambtenaar belast met de invordering,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als De Ambtenaar,

advocaat: mr. P.J.W.M. Theunissen te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 september 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 augustus 2015, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en De Ambtenaar als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/290309/HAZA 15-148)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het comparitievonnis van 11 maart 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven met zes grieven, met drie producties en een eiswijziging;

de memorie van antwoord met zeven producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

1. Aan de besloten vennootschap [Recycling 2] Recycling B.V. is op 31 december 2000 (met als laatste vervaldag 31 maart 2001) een aanslag baatbelasting over het jaar 1998, groot fl. 843.152,44, opgelegd.

2. Op 17 maart 2003 is door De Ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd tegen [Recycling 2] Recycling dat op 15 mei 2003 aan haar is betekend. In de eerste bladzijde van het slecht leesbare afschrift van dit stuk (productie 2 bij inleidende dagvaarding) staat onder het dwangbevel voorgedrukt ‘De ambtenaar belast met de invordering’ van de gemeente Venlo met daaronder getypt ‘Het hoofd belastingen’ met daaronder een handgeschreven handtekening.

3. [appellante] is per 31 oktober 2007 de rechtsopvolgster van [Recycling 2] Recycling.

4. Met het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 25 april 2014 (nr. 13/01831) is met toepassing van artikel 81 RO het cassatieberoep tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 maart 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013: BZ4322, van [appellante] ongegrond verklaard waarmee de procedure die [Recycling 2] Recycling was gestart tegen de aanslag, is beëindigd.

5. Op 5 december 2014 is door de belastingdeurwaarder aan [appellante] een hernieuwd bevel tot betaling ex artikel 503 Rv , voor een bedrag groot € 324.055,68 inclusief de kosten van vervolging en van de invorderingsrente tot en met 5 december 2014 ad € 111.666,92, betekend.

3.2.

[appellante] heeft in eerste aanleg bij verzetdagvaarding ex artikel 17 Invorderingswet 1990 gevorderd om, uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat eiseres goed opposant is tegen de tenuitvoerlegging van het op 17 maart 2003 uitgevaardigde dwangbevel en de tenuitvoerlegging daarvan, welk dwangbevel op 15 mei 2003 werd betekend en waarvoor door eiseres op 5 december 2014 een hernieuwd bevel tot betaling werd ontvangen, ter zake van de aanslag baatbelasting 1998 met aanslagnummer [aanslagnummer] en dat dit dwangbevel dientengevolge buiten effect is gesteld;

2. te verklaren voor recht dat het recht tot dwanginvordering is verjaard;

3. gedaagde te veroordelen in de (proces)kosten van dit geding en voor zover voldoening niet binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening en een bijdrage in de nakosten te begroten volgens het gebruikelijke tarief.

3.3.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen afgewezen en [appellante] in de proces- en nakosten veroordeeld.

3.4.

[appellante] vordert in hoger beroep, na wijziging/ vermeerdering van eis, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

1. het verzet gegrond te verklaren, zodat het dwangbevel niet ten uitvoer kan worden gelegd, omdat het dwangbevel en/of het hernieuwd bevel (i) een bevoegdheidsgebrek kent, (ii) nietig is, en/of (iii) anderszins strijdig is met de wet of het recht;

2. het verzet gegrond te verklaren, zodat het dwangbevel niet ten uitvoer kan worden gelegd, omdat het recht tot dwanginvordering is verjaard;

3. de Invorderingsambtenaar te veroordelen om al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het vonnis reeds aan de Ontvanger heeft voldaan aan [appellante] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van betaling door [appellante] tot aan de dag van restitutie;

4. de Invorderingsambtenaar te veroordelen in de kosten van beide instanties, eventuele beslagkosten daaronder begrepen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en, indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest;

5. de Invorderingsambtenaar te veroordelen in de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv tot een bedrag van € 131,- zonder betekening, verhoogd met een bedrag van € 68,- ingeval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na betekening van het arrest wettelijke rente is verschuldigd.

3.5.

Grief 1 (nietigheid, althans ongeldigheid van het dwang- en betalingsbevel)

3.5.1.

In deze grief wordt opgekomen tegen het afwijzende oordeel van de rechtbank op de in punt 9 van de inleidende dagvaarding van [appellante] betrokken stelling dat zowel het dwangbevel als hernieuwd bevel nietig, althans ongeldig zijn, omdat deze niet voldoen aan de essentiële (vorm)vereisten.

Dit oordeel van de rechtbank is hierop gegrond dat [appellante] – nadat De Ambtenaar bij conclusie van antwoord de bevoegdheid met stukken onderbouwd had toegelicht – ter comparitie heeft verklaard ten aanzien van dit onderwerp geen opmerkingen te hebben. De rechtbank heeft op grond daarvan vastgesteld dat het dwangbevel en het hernieuwde bevel bevoegdelijk zijn uitgevaardigd en dat het beroep op nietigheid of ongeldigheid van het dwangbevel en het hernieuwde bevel faalt. Wat hier ook van zij, het hof zal het beroep op de nietigheid, althans de ongeldigheid opnieuw beoordelen.

3.5.2.

Blijkens punt 11 van de inleidende dagvaarding stelt [appellante] dat aangetoond dient te worden dat ‘het hoofd belastingen’, dat is degene die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, de gemeenteambtenaar was belast met de invordering van de gemeentelijke belasting. [appellante] betwist – op de grond dat haar dat niet is gebleken – dat ‘het hoofd belastingen’ bevoegd was het dwangbevel uit te vaardigen.

In het begeleidend schrijven – afkomstig van de belastingdeurwaarder die het dwangbevel heeft betekend – staat dat de gemeente/ het waterschap de invordering uit handen heeft gegeven aan Mandaat B.V.

3.5.3.

Dat de aanslag bevoegdelijk is opgelegd (door het hoofd financiën van Belastingen gemeente Venlo), staat overigens in hoger beroep niet meer ter discussie (23 mvg). In punt 25 van de memorie van grieven stelt [appellante] dat zij voldoende aannemelijk acht dat de ondertekenende gemeenteambtenaar de ambtenaar is namens wie beoogd is het dwangbevel te nemen, maar betoogt dat dan nog steeds de vraag moet worden beantwoord wie het dwangbevel heeft genomen: het hoofd belastingen of Mandaat B.V. en of deze laatste deugdelijk was gemandateerd.

3.5.4.

Het antwoord volgt aanstonds uit het dwangbevel, dat overigens in overeenstemming is met de toelichting door De Ambtenaar. Het dwangbevel is immers ondertekend door ‘het hoofd belastingen’ (dat de geplaatste schriftelijke handtekening niet de handtekening zou zijn van het hoofd belastingen wordt niet gesteld en is het hof ook niet gebleken). Dat gedeelte van het betreffende stuk is dus niet afkomstig of ondertekend door de belastingdeurwaarder of iemand van Mandaat B.V. Dat valt ook niet af te leiden uit de begeleidende brief van de belastingdeurwaarder., Die brief behoort kennelijk bij het andere gedeelte, namelijk de ‘Akte van Betekening’, geplaatst onder het dwangbevel, waarin niet meer staat dan dat de invordering (niet: het uitvaardigen van dwangbevel) uit handen is gegeven aan Mandaat B.V. Het uitvaardigen van een dwangbevel gaat in tijd aan de taak van belastingdeurwaarder vooraf.

3.5.5.

[appellante] stelt dat de mandaatverlening niet deugdelijk was (punt 28 mvg). Volgens haar heeft het College van B&W mandaat verleend aan het ‘Hoofd belastingen’. Niet het College van B&W maar alleen de ontvanger, dat is ‘de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen’ (dat is degene die het dwangbevel ondertekende) is bevoegd om mandaat aan ‘het hoofd belastingen’ te verlenen, aldus [appellante] .

Dit betoog faalt. Het College van B&W is bevoegd het ‘Hoofd belastingen’, en dat is ‘de gemeenteambtenaar belast met de invordering’ aan te wijzen en te mandateren terzake van de heffing en invordering van gemeentebelastingen. Deze ambtenaar zoals alle anderen wordt door een orgaan belast met een taak en dat orgaan is bij de gemeente, bij gebreke van een andere regeling, het College van B&W (artikel 160 Gemeentewet).

De stelling van [appellante] berust op een verkeerde lezing van artikel 231 lid 2 Gemeentewet : ‘de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen’ heet en is: de ontvanger.

3.5.6.

Voor zover [appellante] betoogt dat de betreffende belastingdeurwaarder [belastingdeurwaarder 1] niet bevoegd zou zijn geweest het dwang- en betalingsbevel te betekenen faalt het. Hij was bevoegd op grond van het besluit van het College van B & W, in kopie overgelegd als productie 8 bij conclusie van antwoord. Niet relevant is of hij zijn werkzaamheden (mede) heeft verricht onder de vlag van Mandaat B.V., de vennootschap belast met de (administratieve afhandeling van de) invordering.

3.5.7.

In punt 30 van de memorie van grieven beklaagt [appellante] zich erover dat na de verminderingsaanslag van 30 juni 2006 geen herstelaanslag is opgelegd. Een wettelijke grond voor de verplichting daartoe wordt niet gesteld en is ook niet gebleken.

3.5.8.

In de punten 31 en verder van de memorie van grieven stelt [appellante] de rechtsgeldigheid van het hernieuwd bevel tot betaling van 5 december 2014 aan de orde (prod. 6 bij inl. dagv.), zij het op een andere grond dan die genoemd in grief 4.

Dat bevel is ondertekend door de belastingdeurwaarder [belastingdeurwaarder 2] . [appellante] stelt dat hij het hernieuwd bevel niet heeft kunnen doen namens de Invorderingsambtenaar, dat hij niet bevoegd was om hem te verzoeken een hernieuwd bevel te doen en dat ook niet blijkt dat De Ambtenaar dit verzoek heeft gedaan.

In dit verband wijst [appellante] erop dat is betekend door BsGW (Belastingsamen-werking Gemeenten en Waterschappen Limburg) dat daartoe gemandateerd was.

De grief faalt ook in zoverre. Dat er een organisatie bestaat belast met de uitvoering van de invordering brengt niet mee dat De Ambtenaar niet langer bevoegd is. BsGW en de belastingdeurwaarder handelen in opdracht van De Ambtenaar. Aanwijzingen voor het tegendeel zijn gesteld noch gebleken.

3.5.9.

De grief faalt, ook als alle onderdelen in samenhang worden beschouwd. Het dwangbevel en het hernieuwd betalingsbevel zijn niet nietig, nog niet rechtsgeldig of anderszins in strijd met de wet of het recht.

3.6.

Grief 2 (het ontbreken van een rechtsmiddelaanwijzing)

3.6.1.

In deze grief komt [appellante] op tegen de afwijzing (in rov. 4.2) van de stelling dat het dwangbevel en het hernieuwde bevel nietig dan wel ongeldig zijn. Hiertoe beroept hij zich op het ontbreken van de mededeling dat verzet mogelijk is, als bepaald in artikel 13 lid 1 laatste zin Invorderingswet, zoals dat thans luidt: Het dwangbevel vermeldt dat de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen.

De rechtbank heeft deze stelling verworpen omdat de toepasselijke Invorderingswet 1990 (oud) dit vereiste ten tijde van het uitvaardigen van het dwangbevel niet stelde. Dit oordeel wordt niet bestreden. Gesteld wordt dat met het hernieuwde bevel tot betaling, betekend op 5 december 2014, het dwangbevel wordt vernieuwd zodat ervoor gezorgd had moeten worden dat aan de sedertdien geldende eisen wordt voldaan.

3.6.1.

Het hof stelt eerst vast dat het dwangbevel (dat is de executoriale titel) is betekend op 15 mei 2003 en dat toen de hiervoor geciteerde passage nog niet in de Invorderingswet 1990 (oud) stond. Anders dan [appellante] kennelijk betoogt is een bevel tot betaling, evenals een hernieuwd bevel tot betaling ex artikel 503 Rv , niet de executoriale titel zelf, maar een daad van tenuitvoerlegging van die titel. Verzet wordt niet ingesteld tegen de tenuitvoerlegging maar tegen de executoriale titel zelf. De tenuitvoerlegging van de executoriale titel raakt die titel niet zelf. Geen rechtsregel bepaalt dat bij de tenuitvoerlegging (bevel tot betaling) het dwangbevel aangepast moet worden, aldus dat het met de betreffende mededeling over de mogelijkheid van verzet moet worden aangevuld. Evenmin moet bij een hernieuwd bevel tot betaling worden aangegeven dat de wet inmiddels is veranderd in de hier bedoelde zin. Het vernieuwde bevel is derhalve niet nietig of niet rechtsgeldig. Reeds hierom faalt het betoog.

3.6.2.

Daarbij komt dat het ontbreken van de rechtsmiddelaanwijzing niet tot nietigheid of ongeldigheid van het dwangbevel of de betalingsbevelen leidt. Daarvoor wordt geen grond genoemd. Bovendien moet een eventuele nietigheid of ongeldigheid met analoge toepassing van artikel 122 Rv voor gedekt worden gehouden nu [appellante] tijdig verzet heeft ingesteld en niet in enig recht is benadeeld.

3.6.3.

Grief 2 kan mitsdien niet leiden tot een andere beslissing.

3.7.

Grief 3 (verjaring)

3.7.1.

In deze grief komt [appellante] op tegen de verwerping (in rov 4.3) van zijn beroep op verjaring op grond van artikel 27 Invorderingswet 1990 (oud). Het hof overweegt als volgt.

3.7.2.

De aanslag was invorderbaar vanaf 31 maart 2001, de laatste vervaldag. Het dwangbevel is op 15 mei 2003 aan de rechtsvoorganger van [appellante] (rechtsgeldig, zoals hiervoor geoordeeld) betekend. Deze betekening heeft stuitende werking. De stelling van [appellante] dat de vordering op 1 april 2006 verjaarde, vijf jaar na 31 maart 2001 (punt 47 mvg), wordt verworpen. Bovendien moet nog rekening worden gehouden met de hierna te noemen verlenging van de betalingstermijn voor de periode van 20 maart 2001 tot 2 januari 2003, zodat de vordering in ieder geval op 6 juni 2006 nog niet verjaard was, maar eerst ruim 21 maanden later (begin 2008, en ook niet vóór 15 mei 2008) zou kunnen verjaren.

3.7.3.

Ingevolge artikel 27 lid 2 aanhef en onder a Invorderingswet 1990 (oud) wordt de verjaringstermijn verlengd met de tijd dat de belastingschuldige uitstel van betaling heeft. Uitstel van betaling is verleend op 20 maart 2001 (ingetrokken op 2 januari 2003, productie 2 cva) en op 6 juni 2003 (productie 4 cva). In deze laatste brief wordt uitstel van betaling verleend tot het tijdstip dat de belastingrechter onherroepelijk heeft beslist (zoals zal blijken: tot en met 25 april 2014).

3.7.4

Het beroep op verjaring, waartoe [appellante] verwijst naar artikel 27 lid 2 aanhef en onder a Invorderingswet 1990 (oud) is eerst gegrond op de stelling dat het op 6 juni 2003 verleende uitstel van betaling niet rechtsgeldig is verleend (punt 46 mvg) zodat de verjaring daardoor niet is gestuit. [appellante] stelt daartoe, kort gezegd, dat mevrouw [hoofd afdeling belastingen] , die de betreffende uitstelbrief van 6 juni 2003 (prod. 4 cva) als ‘Hoofd afdeling Belastingen’ deed uitgaan (waarbij uitstel werd verleend tot dat de belastingrechter onherroepelijk heeft beslist over de baatbelasting), niet is de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belasting (punt 53 mvg).

Het hof verwerpt dit betoog. Ingevolge het mandaatsbesluit, overgelegd als productie 7 bij conclusie van antwoord is het Hoofd (afdeling) belastingen belast met de uitvoering van de heffing en invordering van de belastingverordeningen (zoals die van de baatbelasting) en is derhalve ‘de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen’.

Terzijde merkt het hof op dat de verjaring eveneens is geschorst ingevolge het lopende rechtsgeding dat leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad.

3.7.5.

[appellante] stelt voorts dat in afwijking van artikel 10:10 Awb niet vermeldwordt welk bestuursorgaan het besluit (tot het verlenen van uitstel) heeft genomen. Deze stelling is onbegrijpelijk: het besluit is genomen door het Hoofd afdeling belastingen.

3.7.6.

Dan stelt [appellante] dat er eigener beweging uitstel is verleend, niet op verzoek. Deze laatste eis stelt artikel 27 Invorderingswet ook niet. Bovendien blijkt uit productie 3 bij conclusie van antwoord dat wel degelijk om uitstel is verzocht.

3.7.7.

Dan stelt [appellante] dat De Ambtenaar op 28 september 2006 ten onrechte een aanmaning heeft gestuurd. Vanaf die dag zou het uitstel van betaling zijn geëindigd. Dit betoog faalt. Uit de aanmaning volgt niet dat het uitstel van betaling is geëindigd. Het hof wijst erop dat er na 28 september 2006 ook geen executiemaatregelen zijn genomen waaruit [appellante] zou hebben mogen afleiden dat er geen verder uitstel wordt verleend. Bovendien heeft [appellante] begrepen dat het om een administratieve vergissing ging, zonder rechtsgevolgen, blijkens productie 5 bij conclusie van antwoord.

3.7.8.

Ten slotte betoogt [appellante] dat iedere vijf jaar een daad van rechtsvervolging zal moeten worden ingesteld. Deze stelling is onbegrijpelijk. [appellante] en haar rechtsvoorganger hebben sedert de oplegging van de aanslag in bezwaar en bij de rechter de aanslag bestreden. De Ambtenaar hoefde daarnaast niet eigener beweging daden van rechtsvervolging in te stellen.

3.7.9.

De grief faalt.

3.8

Grief 4 (hernieuwd bevel tot betaling)

3.8.1.

Deze grief heeft betrekking op hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist (in rov. 4.4.1) ten aanzien van het hernieuwde bevel tot betaling van 5 december 2014. [appellante] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, betoogd dat sprake is van rechtsverwerking omdat eerst na ruim 11 jaar na het dwangbevel (17 maart 2003) het hernieuwd bevel tot betaling ex artikel 503 Rv (5 december 2014) is uitgebracht. In hoger beroep heeft hij betoogd dat deze bepaling niet van toepassing is. Dit betoog grondt [appellante] op de tekst van artikel 503 Rv . Nu na 17 maart 2003 meer dan een jaar was verstreken had De Ambtenaar een nieuw dwangbevel moeten nemen en laten betekenen, aldus [appellante] .

3.8.2.

Naar het oordeel van het hof kan uit de strekking en de tekst van artikel 503 Rv niet worden afgeleid dat De Ambtenaar na verloop van het daarin genoemde jaar gehouden zou zijn een nieuw dwangbevel te nemen. Deze bepaling heeft immers alleen betrekking op de executie, niet op de executoriale titel (het dwangbevel). Overigens wordt door [appellante] niet onderbouwd wat de ratio zou kunnen zijn om telkenmale het dwangbevel te vernieuwen, in een periode waarin omtrent het (oorspronkelijke) betalingsbevel wordt geprocedeerd. Evenmin valt in te zien wat de ratio zou kunnen zijn van het jaarlijks vernieuwen van het betalingsbevel, noch daargelaten dat uitstel van betaling was verleend, zodat zo’n nieuw bevel geen rechtsgevolg kan hebben.

Het hof deelt bovendien de opvatting van de rechtbank dat artikel 503 Rv niet meer inhoudt dan dat na het verstrijken van een jaar het bevel moet worden vernieuwd, maar dat de termijn waarop dat gedaan moet worden daarin niet wordt bepaald. Deze bepaling was mitsdien in 2014 (na de uitspraak van de Hoge Raad) nog onverkort van toepassing.

Voorts geldt dat enkel ‘stilzitten’, wat [appellante] De Ambtenaar kennelijk verwijt, geen rechtsverwerking bewerkstelligt (er werd overigens niet stilgezeten maar geprocedeerd).

3.8.3.

De grief faalt.

3.9.

Grief 5 (kosten en rente)

3.9.1.

Deze grief heeft betrekking op hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist (in rov. 4.4.2) ten aanzien van de kosten en rente.

3.9.2.

[appellante] voert eerst aan (onder i) dat de rechtbank niet heeft onderkend dat haar betoog niet enkel betrekking heeft op het hernieuwde bevel tot betaling, maar zich tevens richt tegen het dwangbevel. Zij stelt dat ten onrechte wordt geprobeerd om het dwangbevel betrekking te laten hebben op de invorderingsrente en de kosten.

De grief mist in zoverre feitelijke grondslag. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen – en door de grief niet wordt bestreden – zijn de kosten van vervolging en de invorderingsrente verschuldigd op grond van de wet, waarvoor geen nieuw of afzonderlijk dwangbevel behoeft te worden afgegeven.

Overigens verschaft het dwangbevel ook de executoriale titel voor de invordering, zij het dat de aard van deze vordering (zij is immers afhankelijk van toekomstige omstandigheden zoals de te maken kosten en de duur van de rente) meebrengt dat nog afzonderlijk moet worden beslist over de verschuldigdheid en de hoogte van dit deel van de vordering.

3.9.3.

[appellante] voert ten tweede aan (onder ii) dat de rechtbank heeft miskend dat haar vorderingen zich ook richten tegen het hernieuwd bevel. De grief berust ook in zoverre op een verkeerde lezing van rechtsoverweging 4.4.2. Die overweging begint met de woorden:

‘ [appellante] heeft gesteld dat het hernieuwde dwangbevel (hof: dat is het hernieuwde betalingsbevel) niet transparant is (…)’

De rechtbank heeft aldus het hernieuwd bevel in de beoordeling betrokken.

3.9.4.

[appellante] voert ten derde aan (onder iii) dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het de Invorderingsambtenaar niet is toegestaan om de werking van het dwangbevel via het hernieuwd bevel uit te breiden, opdat het dwangbevel tevens alvast betrekking heeft op de invorderingsrente en kosten. Voor zover de grief voortbouwt op hetgeen onder (i) werd gesteld, deelt het het lot daarvan.

De grief faalt ook overigens. Het (betekende) dwangbevel geeft een executoriale titel ook voor zowel de verschuldigde belasting als de rente en kosten. Daaraan doet niet af dat na die betekening van het dwangbevel er nog een besluit moet worden genomen waarin de hoogte van de rente en kosten moet worden vastgesteld.

[appellante] voert nog aan dat zij in het dwangbevel niet heeft kunnen lezen dat het mede betrekking heeft op de kosten. Dat het dwangbevel mede betrekking heeft op de kosten en rente (en daarvoor een executoriale titel verschaft), en daarmee de verschuldigdheid daarvan, volgt uit de wet en behoeft niet in het dwangbevel expliciet te worden vermeld.

3.9.5.

Het vierde deel van deze grief (onder iv) heeft betrekking op de hoogte van de kosten en rente van € 111.666,92 (tot en met 5 december 2014). [appellante] stelt dat is nagelaten te motiveren op welke wijze dit bedrag is opgebouwd en hoe de kosten en rente zijn berekend. Maar een eigen berekening van rente en kosten legt [appellante] niet over, hoewel zij dat wel had kunnen doen, nu die bedragen uit de wet voortvloeien en daarover tussen partijen is gecorrespondeerd (prod. 5 bij inl. dagv.).

De Ambtenaar heeft gesteld dat over de samenstelling van het bedrag tussen partijen is gecommuniceerd, zodat daarover geen misverstand kan bestaan. Voorts heeft zij gesteld dat bezwaar tegen de rentebeschikking openstaat, na ontvangst van een (deel)betaling. Terzake de kosten is in rekening gebracht het maximale bedrag van € 6.807,- op grond van artikel 2 van de Kostenwet. De grief keert zich niet tegen toepassing van de Kostenwet.

Uit een en ander (in samenhang met de samenvatting in punt 66 mvg) leidt het hof af dat de grief kennelijk (alleen) betrekking heeft op de stelling dat in het hernieuwde bevel tot betaling ten onrechte geen rekening is gehouden met artikel 28 lid 3 Invorderingswet 1990 dat bepaalt dat in bepaalde gevallen van uitstel van betaling geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht. Daaruit leidt [appellante] af dat zij geen rente verschuldigd is over de periode vanaf de uitstelbrief van 6 juni 2003 tot de datum van de uitspraak van de Hoge Raad, 25 april 2014. De Ambtenaar meent dat de rente wel verschuldigd is, nu de gronden van artikel 25 de rde, vijfde, achtste, negende, elfde, zeventiende, achttiende en negentiende lid, waarnaar artikel 28 lid 3 Invorderingswet 1990 verwijst, niet van toepassing zijn. Dat (één van) deze gronden wel van toepassing zou zijn, wordt door [appellante] niet gesteld of onderbouwd. Het beroep op artikel 28 lid 3 Invorderingswet 1990 faalt derhalve. Van een onrechtmatigheid, zoals door [appellante] ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg gesteld, is het hof niet gebleken.

Naar het oordeel van het hof leidt het niet nader onderbouwen van de vordering betrekkelijk tot de kosten en de rente, zoals dat het geval is, bovendien niet tot nietigheid van het dwangbevel of het hernieuwde betalingsbevel, noch met strijdigheid met de wet of het recht, zodat de gewijzigde eis, petitum onder 1, ook aldus niet toewijsbaar is. Een vordering tot verlaging van hetgeen verschuldigd is, is bovendien niet ingesteld. Overigens gaat het hof ervan uit dat eventueel herstel in de bezwaarprocedure kan worden gelast.

Ook dit deel van de grief kan mitsdien niet tot een andere beslissing leiden.

3.9.6.

Als laatste deel van deze grief (deel v) betoogt [appellante] dat de verminderingsaanslag wel tot gevolg heeft, uit oogpunt van rechtszekerheid, dat een nieuw dwangbevel dient te worden genomen en betekend. Artikel 503 Rv behelst volgens [appellante] de verplichting om een dwangbevel te vernieuwen. Dat is niet gebeurd.

De verminderingsaanslag dateert van 30 juni 2006 en behelst een bedrag van € 170.217,14 (prod. 9 bij inl. dagv.).

Naar het oordeel van het hof volgt noch uit de rechtszekerheid, noch uit artikel 503 Rv dat na een verminderingsaanslag een nieuw dwangbevel moet worden genomen en betekend.

Ten aanzien van de rechtszekerheid overweegt het hof nog in het bijzonder dat het enkele tijdsverloop (de aanslag dateert uit 2000, de verlaging uit 2006 en het hernieuwd bevel uit 2014) evenmin noopt tot het uitbrengen van een nieuw dwangbevel. [appellante] (althans haar rechtsvoorgangster) was in deze periode steeds op de hoogte van de aard en omvang van de vordering van (De Ambtenaar van) de gemeente. Zij procedeerde immers al die tijd daarover.

3.9.7.

Ook in onderlinge samenhang beschouwd leiden de onderdelen van deze grief niet tot een andere beslissing.

3.10.

Grief 6 (het vertrouwensbeginsel)

3.10.1.

In deze grief betoogt [appellante] dat haar op grond van de – volgens haar onvoorwaardelijk geformuleerde - passage

‘zullen verdere executiemaatregelen achterwege blijven, Mandaat B.V. zal geen vervolgactie ondernemen’

uit de brief van mevrouw [hoofd afdeling belastingen] , hoofd afdeling belastingen, van 6 juni 2003 (prod. 4 bij cva) een beroep op het vertrouwensbeginsel dient toe te komen.

3.10.2.

Naar het oordeel van het hof kan uit de betreffende passage, beschouwd in samenhang met hetgeen in de brief verder staat opgenomen, niet worden afgeleid dat executiemaatregelen in de toekomst steeds achterwege zullen blijven. Uit de brief blijkt niet meer dan dat een verzetdagvaarding van de zijde van [appellante] achterwege kan blijven - en wel omdat (vooralsnog) geen executiemaatregelen zullen worden genomen – en dat uitstel van betaling wordt verleend tot het tijdstip dat de belastingrechter onherroepelijk heeft beslist.

3.10.3.

[appellante] heeft er bovendien niet op vertrouwd dat de vordering niet meer zou worden geïnd. Zij heeft immers de procedures voortgezet tot de Hoge Raad op 25 april 2014 onherroepelijk heeft beslist.

3.10.4.

De grief faalt mitsdien.

3.11.

Vermeerdering van eis

3.11.1.

Op grond van het vorenstaande dienen ook alle onderdelen van de gewijzigde eis te worden afgewezen. Het dwangbevel noch het hernieuwde bevel tot betaling zijn nietig of niet rechtsgeldig of in strijd met de wet of het recht, en staan aan tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet in de weg, terwijl de vordering evenmin verjaard is. Het verzet is ongegrond. Uit deze vaststelling volgt tevens dat ook de overige vorderingen (de vordering tot ongedaanmaking en tot betaling van de proces- en nakosten) dienen te worden afgewezen.

3.12.

Bewijsaanbod

[appellante] heeft een algemeen geformuleerd bewijsaanbod gedaan. Zij heeft geen concrete feiten en omstandigheden genoemd die, mits na betwisting zouden zijn bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Nu de stellingen en grieven worden verworpen op grond van vaststaande feiten komt het hof niet toe aan een bewijsfase.

3.13.

De proceskosten

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen (1 punt, tariefgroep VI).

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd in hoger beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van De Ambtenaar op € 711,- aan griffierecht en op € 2.000,- aan salaris advocaat,

en

voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en

bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

en

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, P.M. Arnoldus-Smit en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 november 2016.

griffier rolraadsheer


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature