Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

ECHTSCHEIDINGSCONVENANT EN DERDENBEDING

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 19 februari 2015

Zaaknummer: HV 200.148.566/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/183040/FA RK 13-1687

in de zaak in hoger beroep van:

[de zoon],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.C.C.M. Nadaud,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.G.W. Hendriks.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 februari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 mei 2014, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, het verzoek tot wijziging van de door de man aan hem te betalen alimentatie af te wijzen met bepaling dat de man vanaf [geboortedatum] 2011 ter zake de kosten van levensonderhoud en studie aan hem verschuldigd is € 250,- per maand.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 juli 2014, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij zijn verzoek te bepalen dat alle door hem of namens [appellant] ingevorderde bedragen ter zake kinderalimentatie vanaf [geboortedatum] 2011 als onverschuldigd betaald door [appellant] aan hem dienen te worden gerestitueerd, heeft afgewezen en [appellant] te veroordelen tot terugbetaling aan hem van het bedrag ad € 785,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande heden tot aan de dag der algehele voldoening.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 15 september 2014, heeft [appellant] verzocht het incidenteel appel van de man af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

[appellant], bijgestaan door mr. Nadaud;

de man, bijgestaan door mr. Hendriks.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 17 januari 2014;

de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 29 december 2014;

de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 30 december 2014.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

[appellant] is op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] geboren uit het huwelijk van de man en mevrouw [de vrouw] (hierna: de vrouw).

Bij beschikking van 18 mei 2011 heeft de rechtbank Maastricht tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 30 mei 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het door de man en de vrouw op 14 februari 2011 overeengekomen echtscheidingsconvenant is in de echtscheidingsbeschikking opgenomen.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man om voornoemde beschikking van 18 mei 2011 te wijzigen en te bepalen dat zijn alimentatieverplichting jegens [appellant] per [geboortedatum] 2011 op nihil wordt gesteld, alsmede te bepalen dat alle door hem of namens [appellant] ingevorderde bedragen ter zake kinderalimentatie vanaf [geboortedatum] 2011 als onverschuldigd betaald door [appellant] aan hem dienen te worden gerestitueerd, afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat tot op heden geen onderhoudsverplichting van de man jegens [appellant] is ontstaan. Nu de man geen wijziging kan verzoeken van een onderhoudsverplichting die er rechtens niets is, wordt het verzoek afgewezen, aldus de rechtbank.

3.3.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De man is van de deze beslissing in incidenteel hoger beroep gekomen.

3.4.

De grieven van [appellant] richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot (het niet bestaan van) de alimentatieverplichting van de man (grieven 1 tot en met 3) alsmede tegen het feit dat de rechtbank niet is toegekomen aan het onderzoek naar de draagkracht van de man (grief 4).

De grief van de man richt zich tegen de afwijzing van zijn verzoek [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van de sedert [geboortedatum] 2011 door of namens hem ingevorderde bedragen.

3.5.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de alimentatieverplichting van de man jegens [appellant]

3.5.1.

In het echtscheidingsconvenant van de man en de vrouw is ten aanzien van hun (toen nog) minderjarige kinderen, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen: “ De man zal (..) aan de vrouw vanaf de datum van haar verhuizing uit de echtelijke woning aan het [pand 1] te [plaats]: € 250,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding c.q. studie en levensonderhoud. Hij zal dat (geïndexeerde) bedrag blijven betalen totdat hij 65 jaar wordt, dus tot 30 oktober 2024. De man beschouwt dit als het voldoen aan een verplichting uit moraal en fatsoen, omdat hij van mening is dat de kinderen hem nodig blijven hebben, ook nadat zij meerderjarig zijn geworden”.

Gelet op de bewoordingen van voornoemde bepaling waaruit de bedoeling van de man ondubbelzinnig blijkt, acht het hof het aannemelijk dat partijen in het convenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven ter zake kinderalimentatie.

3.5.2.

In voornoemde echtscheidingsbeschikking van 18 mei 2011 is onder de beslissing opgenomen: “neemt in deze beschikking op hetgeen de man en de vrouw ten aanzien van hun onderlinge betrekkingen hebben geregeld als blijkt uit het overgelegde echtscheidingsconvenant d.d. 14 februari 2011, waarvan een door de griffier gewaarmerkt afschrift van vijf bladzijden aan deze beschikking is gehecht”.

Aldus is hetgeen de man en de vrouw omtrent de kinderalimentatie zijn overeengekomen op grond van het bepaalde in artikel 819 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering overgenomen door de rechtbank en heeft de rechtbank - anders dan in de bestreden beschikking is overwogen - de bijdrage vastgesteld.

3.5.3.

De ingangsdatum van de vastgestelde kinderalimentatie is door de man en de vrouw niet eenduidig bepaald, maar gesteld op de datum van de verhuizing van de vrouw uit de echtelijke woning aan het [pand 1] te [plaats]. Het hof acht, gelet op het door [appellant] overgelegde uittreksel uit de basisregistratie van de gemeente Vaals, zijn getuigenis ter terechtzitting en verklaring met betrekking tot de door de man overgelegde sms-berichten, alsmede de onduidelijkheid van de man ter zake, voldoende aannemelijk dat deze verhuizing van de vrouw op 1 augustus 2011 heeft plaatsgevonden.

3.5.4.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1:395b van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om uit oogpunt van doelmatigheid een ten gunste van het kind in het leven geroepen onderhoudstitel onverminderd van kracht te laten blijven na het meerderjarig worden van het kind. Dit brengt mee dat voornoemde echtscheidingsbeschikking voor [appellant] sedert [geboortedatum] 2011, de datum waarop hij 18 jaar is geworden, een voor tenuitvoerlegging vatbare titel oplevert. Voorts overweegt het hof dat de in het convenant opgenomen regeling ten aanzien van de kinderen - waaruit de bedoeling van de man om tot zijn 65e levensjaar bij te dragen in hun levensonderhoud ondubbelzinnig blijkt - een derdenbeding behelst ten gunste van - onder meer – [appellant], krachtens welk beding hij rechtstreeks een aanspraak kan ontlenen aan hetgeen de man en de vrouw ten aanzien van de (kinder)alimentatie zijn overeengekomen.

3.5.5.

Aldus staat vast dat [appellant] jegens de man aanspraak kan maken op alimentatie, hetgeen naar het oordeel van het hof echter niet betekent dat hij deze aanspraak vanaf de datum waarop hij meerderjarig is geworden ook zonder meer te gelde kan maken. Bij de uitleg van een overeenkomst gaat het immers niet alleen om een taalkundige uitleg van de bepalingen daarvan, maar komt het ook aan op de bedoeling die partijen (hier: de man en de vrouw) in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de (overige) bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-criterium). Het hof overweegt hierover als volgt.

3.5.6.

Hoewel de vrouw in de onderhavige zaak geen partij is en zij haar bedoelingen bij de totstandkoming van het convenant niet kenbaar heeft gemaakt, acht het hof voldoende aannemelijk dat de in het convenant opgenomen (financiële) regeling ten aanzien van de kinderen samenhangt met de beoogde verdeling van de gemeenschappelijke boedel van de man en de vrouw, te weten de toebedeling van de eigendom van het woonhuis aan de [pand 2] alsook de schuld uit hoofde van de geldlening jegens Obvion N.V. , aangegaan in verband met de beoogde verwerving van deze woning door de vrouw en toebedeling van de eigendom van de echtelijke woning aan de [pand 1] en de met die woning samenhangende schuld uit hoofde van geldlening jegens Obvion N.V. aan de man.

Door externe omstandigheden - de bank onthield haar toestemming hiervoor - is aan deze verdeling geen uitvoering gegeven kunnen worden, met als gevolg dat de man langere tijd dan beoogd de lasten voor beide woningen heeft moeten dragen. Sedert januari 2013 wordt de woning aan de [pand 1] verhuurd tegen een huurprijs van € 1.650,- per maand, waardoor naar het oordeel van het hof aan de kant van de man een financiële situatie is ontstaan die, zij het niet één op één, overeenkomt met de financiële situatie die de man, wat hem betreft bij het sluiten van het convenant voor ogen stond. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de man met ingang van 1 januari 2013 gehouden is aan [appellant] de in het convenant overeengekomen (geïndexeerde) alimentatie van € 257,56 per maand te voldoen.

Ten aanzien van het inleidende verzoek van de man tot nihilstelling

3.6.1.

Op grond van artikel 1:401 BW lid 1 kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Naar het oordeel van het hof heeft de man, behoudens eventueel voornoemde en reeds in de datum van opeisbaarheid verdisconteerde omstandigheid dat geen gevolg is gegeven aan de verdeling van de boedel zoals door de man en de vrouw bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant beoogd, geen andere relevante gewijzigde feiten en omstandigheden aangevoerd die een herbeoordeling van de behoefte van [appellant] en de draagkracht van de man rechtvaardigen.

3.6.2.

Behalve op grond van een wijziging van omstandigheden kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud, ingevolge artikel 1:401 lid 5 BW worden gewijzigd (of ingetrokken), indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Met dit laatste is bedoeld dat wijziging in een dergelijk geval slechts kan plaatsvinden indien, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het betreft dan gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

Indien partijen ten tijde van de overeenkomst bewust hebben willen afwijken van de wettelijke maatstaven is naar analogie van artikel 1:159 lid 3 BW wijziging slechts mogelijk als er sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan die overeenkomst kan worden gehouden. Er moet dan sprake zijn van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als (in dit geval) [appellant] de man aan de overeenkomst zou houden. Het hof overweegt dat, voor zover de vrouw en de man zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven door de overeenkomst te sluiten als in het convenant is neergelegd, de man daarover niets heeft gesteld noch heeft gesteld dat na het tot stand komen van het convenant een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat [appellant], in het licht van de omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van het convenant niet mag verwachten.

Nu de man de gronden voor een wijziging van de overeenkomst niet heeft gesteld, zal het hof zijn inleidend verzoek, zij het op andere dan door de rechtbank genoemde gronden, afwijzen.

3.7.

Met betrekking tot het verzoek van de man [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van de sedert [geboortedatum] 2011 door of namens hem ingevorderde bedragen, gaat het hof er van uit dat deze bedragen zullen worden verrekend met de met ingang van 1 januari 2013 door de man aan [appellant] verschuldigde bedragen.

3.8.

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen met rectificatie van gronden. Tevens zal het hof vaststellen dat de man met ingang van

1 januari 2013 gehouden is aan [appellant] de in het convenant overeengekomen (geïndexeerde) alimentatie van € 257,56 per maand te voldoen. Het hof acht daartoe voldoende grond nu het verzoek van [appellant], zoals blijkt uit voorgaande overwegingen, niet aan te merken valt als een verzoek voor het eerst in hoger beroep gedaan.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 februari 2014;

stelt vast dat de man is gehouden de uit het convenant voortvloeiende alimentatieverplichting jegens [appellant], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats], met ingang van 1 januari 2013 te voldoen, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft bij vooruitbetaling;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en P. Vlaardingerbroek en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2015.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature