Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

legitieme portie

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

arrest van 30 juni 2015

in de zaak met zaaknummer HD 200.141.089/01 van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , Duitsland,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. J.F.M.J. Mathijsen,

tegen

1 [geïntimeerde 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 5] ,

advocaat: mr. H.G.M. Hilkens,

2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,

3. [geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,

4. [geïntimeerde 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,

5. [geïntimeerde 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,

6. [geïntimeerde 6] ,

wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk ook aan te duiden als [geïntimeerden c.s.] ,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest 17 juni 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer C/04/103315/HA ZA 10-656 gewezen vonnis van 23 oktober 2013,

en in de zaak met zaaknummer HD 200.141.370/01 van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. H.G.M. Hilkens,

tegen:

[geïntimeerde ] ,

wonende te [woonplaats] , Duitsland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde ] ,

advocaat: mr. J.F.M.J. Mathijsen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest 17 juni 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond onder zaak-/rolnummer 103315/HA ZA 10-656 gewezen vonnissen van 7 december 2011 en 14 november 2012 en het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer C/04/103315/HA ZA 10-656 gewezen vonnis van 23 oktober 2013.

5 Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer HD 200.141.089/01

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 17 juni 2014, waarbij de voeging is bevolen met de zaak met zaaknummer HD 200.141.370/01;

de memorie van grieven mede houdende subsidiaire vermeerdering van eis;

de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer HD 200.141.370/01

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 17 juni 2014, waarbij de voeging is bevolen met de zaak met zaaknummer HD 200.141.089/01;

de memorie van grieven met producties;

de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

7 De verdere beoordeling in beide gevoegde zaken

7.1.

Het gaat in de twee gevoegde zaken om het volgende.

7.1.1.

[geïntimeerden c.s.] zijn erfgenamen van hun op 1 januari 2009 in Maastricht overleden broer [erflater] (hierna aan te duiden als: erflater).

7.1.2.

[geïntimeerde ] stelt dat zij enig kind van erflater is, geboren op [geboortedatum] 1977, en dat erflater het vaderschap heeft erkend bij akte van erkenning ten overstaan van een daartoe bevoegde ambtenaar in Duitsland.

In de onderhavige procedure maakt zij aanspraak op haar legitieme portie.

7.1.3.

In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde ] van [geïntimeerden c.s.] (na wijziging van haar eis) kort gezegd betaling van een bedrag van € 761.600,50 (het door haar berekende bedrag van de legitieme portie) met wettelijke rente en een bedrag van € 5.160,- aan buitengerechtelijke kosten. Verder vorderde zij de veroordeling van [geïntimeerden c.s.] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

7.1.4.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 23 oktober 2013 de vorderingen van [geïntimeerde ] toegewezen, met dien verstande dat

[geïntimeerden c.s.] zijn veroordeeld om aan [geïntimeerde ] een bedrag van € 541.600,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 20 april 2011 tot de dag van de volledige betaling;

[geïntimeerden c.s.] zijn veroordeeld tot betaling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 5.160,-;

[geïntimeerden c.s.] in de proceskosten zijn veroordeeld, inclusief de nakosten.

Het meer of anders gevorderde is door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard onder de voorwaarde dat [geïntimeerde ] zekerheid stelt voor een bedrag van € 270.800,25.

7.2.

Het geding in hoger beroep

7.2.1.

[appellante] kan zich met het eindvonnis van de rechtbank, alsmede met de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 7 december 2011 en 14 november 2012 niet verenigen en is tegen die vonnissen in hoger beroep gekomen (zaak HD 200.141.370/01).

7.2.2.

[geïntimeerde ] kan zich evenmin met het eindvonnis van de rechtbank verenigen en is tegen dat vonnis in hoger beroep gekomen (zaak HD 200.141.089/01).

[geïntimeerde ] vordert in haar memorie van grieven vernietiging van het volledige eindvonnis van de rechtbank, maar haar grieven hebben slechts betrekking op de onderwerpen die in haar memorie van grieven nader zijn uitgewerkt. Het hof gaat ervan uit dat het hoger beroep van [geïntimeerde ] is beperkt tot die onderwerpen, alsmede betrekking heeft op de subsidiair gevorderde vermeerdering van eis (grief 2).

7.2.3.

In de zaak HD 200.141.089/01 vordert [appellante] in haar memorie van antwoord vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank. Zij heeft echter in die zaak geen grieven aangevoerd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

7.2.4.

[appellante] heeft in de zaak HD 200.141.370/01 twaalf grieven aangevoerd waarbij twee maal een grief is aangeduid met grief 6. Het hof zal hierna de tweede grief 6 aanduiden met grief 6A.

7.2.5.

In de twee gevoegde zaken zijn de volgende geschilpunten aan het hof voorgelegd:

a. a) de vraag of [geïntimeerde ] aanspraak kan maken op een legitieme portie (grieven 1 tot en met 6 van [appellante] in de zaak HD 200.141.370/01);

b) de vraag of het saldo op rekeningnummer [rabobankrekeningnummer] bij de Rabobank door de rechtbank terecht is opgeteld bij het bedrag van de nalatenschap zoals vermeld in de successieaangifte (grief 6A van [appellante] in de zaak HD 200.141.370/01);

c) de vraag of bij de berekening van de legitimaire massa rekening gehouden moet worden met successierechten en kosten voor de afwikkeling van de nalatenschap (grieven 8 en 9 van [appellante] in de zaak HD 200.141.370/01);

d) de vraag of bij de berekening van de legitimaire massa rekening gehouden moet worden met verpachting van (een deel van) de gronden en – bij wege van vermeerdering van eis - de pachtsommen, behoren tot de nalatenschap (grieven 1 en 2 van [geïntimeerde ] in de zaak HD 200.141.089/01);

e) de buitengerechtelijke kosten (grief 10 van [appellante] in de zaak HD 200.141.370/01);

f) de zekerheidstelling (grief 3 van [geïntimeerde ] in de zaak HD 200.141.089/01);

g) de proceskosten (grief 11 van [appellante] in de zaak HD 200.141.370/01).

De zevende grief van [appellante] en de vierde grief van [geïntimeerde ] hebben, naast de overige door hen aangevoerde grieven, geen zelfstandige betekenis zodat afzonderlijke bespreking daarvan achterwege kan blijven.

7.2.6.

Door [appellante] zijn geen grieven aangevoerd tegen het tussenvonnis van 14 november 2012. In haar hoger beroep tegen dat vonnis dient zij dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.2.7.

Het hof stelt vast dat van de oorspronkelijke gedaagden in eerste aanleg alleen [appellante] heeft geappelleerd (HD 200.141.370/01). Dit betekent niet dat de vonnissen waarvan beroep ten aanzien van de overige oorspronkelijke gedaagden onherroepelijk zijn. De vorderingen tot uitkering van de legitieme portie (en de sequelen buitengerechtelijke kosten en proceskosten) betreffen vorderingen die de nalatenschap raakt en deswege ondeelbaar zijn.

Aangezien in de procedure HD 200.141.089/01 de omvang van de legitieme portie van [geïntimeerde ] aan de orde is gesteld en alle oorspronkelijke gedaagden in die appelzaak gedagvaard zijn, zijn de vonnissen waarvan beroep op dit punt ook ten aanzien van de in hoger beroep niet verschenen oorspronkelijke gedaagden nog niet onherroepelijk.

7.2.8.

Het hof zal de in hoger beroep aangevoerde geschilpunten thans beoordelen.

7.3.

Ad a) de vraag of [geïntimeerde ] aanspraak kan maken op een legitieme portie (grieven 1 tot en met 6 van [appellante] in de zaak HD 200.141.370/01)

7.3.1.

Het hof stelt voorop dat de rechtbank met betrekking tot het ten deze toepasselijke recht terecht heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is. Dit uitgangspunt is tussen partijen ook niet in geschil.

7.3.2.

[appellante] herhaalt in hoger beroep haar weren van de eerste aanleg. Zij betwist primair dat erflater heeft erkend de vader van [geïntimeerde ] te zijn. Subsidiair betwist zij dat de door [geïntimeerde ] overlegde Duitse akte van erkenning naar Nederlands recht rechtsgeldig is. Meer subsidiair voert zij aan dat [geïntimeerde ] geen beroep op haar legitieme portie kan doen wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, strijd met artikel 8 EVRM , strijd met de redelijkheid en billijkheid en /of misbruik van bevoegdheid.

7.3.3.

[geïntimeerde ] heeft ten bewijze van de door haar gestelde erkenning van het vaderschap door erflater als productie 1 in eerste aanleg een (kopie van) een aan haar afgegeven gewaarmerkt afschrift van een akte van erkenning in het geding gebracht. Als productie 12 is (een kopie van) dezelfde akte van erkenning in het geding gebracht, maar dan ondertekend. Dit exemplaar is afkomstig van het Jugendambt Kreis [Kreis] (de Raad voor de Kinderbescherming district [district] ).

Bij de stukken bevindt zich een brief van de advocaat van [geïntimeerde ] aan de rechtbank d.d. 11 april 2011 met daarbij gevoegd een vertaling van de hiervoor bedoelde akte van erkenning.

Uit de akte blijkt, samengevat:

dat erflater op 12 december 1979 is verschenen voor districtsinspectrice [districtinspectrice] van de Raad voor de Kinderbescherming district [district] ;

dat de inspectrice zich heeft vergewist van de identiteit van erflater;

dat erflater, na uitleg te hebben gekregen van de betekenis van de erkenning van het vaderschap en de onderhoudsplicht, ten overstaan van de inspectrice heeft erkend dat hij de vader is van [geïntimeerde ] en dat hij de verplichting op zich neemt om aan [geïntimeerde ] ingaande haar geboortedatum 23 december 1977 een toelage voor haar levensonderhoud uit te keren zoals omschreven in de akte;

dat voor de voormelde inspectrice tevens is verschenen de hoofdinspecteur van de Raad voor de Kinderbescherming van het district [district] , [hoofdinspecteur van de raad voor de kinderbescherming] , die de erkenning van het vaderschap (namens de minderjarige [geïntimeerde ] ) heeft goedgekeurd.

[geïntimeerde ] heeft, ten bewijze van de erkenning als productie 9 tevens (kopieën van) correspondentie overgelegd, afkomstig van erflater en gericht aan de Raad voor de Kinderbescherming district [district] , betrekking hebbend op de lopende betalingen van erflater voor het levensonderhoud van [geïntimeerde ] . Verder is als bijlage bij de meergenoemde brief van de advocaat van [geïntimeerde ] d.d. 11 april 2011 een vertaling gevoegd van de brief van de Raad voor de Kinderbescherming district [district] aan erflater d.d. 11 januari 1996 waarin is bevestigd dat erflater vanaf de geboorte van [geïntimeerde ] tot haar meerderjarigheid toelagen voor haar levensonderhoud heeft betaald.

7.3.4.

Gelet op de voormelde bewijsstukken acht het hof de betwisting door [appellante] van het feit dat erflater het vaderschap van [geïntimeerde ] heeft erkend, volstrekt ontoereikend. [appellante] heeft in de procedure bovendien expliciet gesteld dat zij het tegendeel niet kan bewijzen.

Op grond van het voorgaande neemt het hof als vaststaand aan dat erflater het vaderschap van [geïntimeerde ] heeft erkend.

7.3.5.

[appellante] heeft subsidiair betwist dat de akte van erkenning, die naar Duits recht is opgemaakt, naar Nederlands recht rechtsgeldig is.

Het hof verenigt zich met hetgeen dienaangaande door de rechtbank is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 van het tussenvonnis van 7 december 2011. De erkenning heeft conform de destijds geldende wettelijke bepalingen in Duitsland plaatsgevonden. Toestemming voor de erkenning is namens de minderjarige [geïntimeerde ] gegeven door de hoofdinspecteur van de Raad voor de Kinderbescherming [hoofdinspecteur van de raad voor de kinderbescherming] .

Nu [geïntimeerde ] en haar moeder steeds woonachtig zijn geweest in Duitsland is er voldoende aanknoping met de rechtssfeer in Duitsland. Dat de erkenning in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde is in hoger beroep niet gesteld of gebleken.

7.3.6.

Ook ten aanzien van de stelling van [appellante] dat er sprake zou zijn van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, strijd met artikel 8 EVRM , strijd met de redelijkheid en billijkheid en /of misbruik van bevoegdheid verenigt het hof zich met hetgeen dienaangaande door de rechtbank is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.9 tot en met 4.17 van het tussenvonnis van 7 december 2011. De regeling van de legitieme portie in het erfrecht brengt mee dat de testeervrijheid van een erflater is beperkt. Die beperking is ook bij gelegenheid van de laatste wijziging van het erfrecht per 1 januari 2003 gehandhaafd. De omstandigheid dat er in het geheel geen contact is geweest tussen erflater en [geïntimeerde ] , zoals [appellante] stelt, staat aan een beroep op de legitieme portie niet in de weg. Het bewijsaanbod van [appellante] op dit punt wordt als niet relevant gepasseerd. Ook de door [appellante] genoemde omstandigheid dat erflater, blijkens de inhoud van zijn testament, niet de bedoeling heeft gehad aan [geïntimeerde ] iets na te laten staat een beroep op de legitieme portie niet in de weg. [appellante] miskent met deze stelling dat het een erflater niet vrij staat om bij testament over de legitieme portie van een afstammeling te beschikken.

Andere feiten of omstandigheden die het beroep van [appellante] op (het Eerste Protocol van) het EVRM, de redelijkheid en billijkheid en/of misbruik van bevoegdheid zouden kunnen rechtvaardigen zijn ook in hoger beroep niet gesteld of gebleken.

7.3.7.

De conclusie is dat de grieven 1 tot en met 6 van [appellante] falen.

7.4.

Ad b) de vraag of het saldo op rekeningnummer [rabobankrekeningnummer] bij de Rabobank door de rechtbank terecht is opgeteld bij het bedrag van de nalatenschap zoals vermeld in de successieaangifte (grief 6A van [appellante] in de zaak HD 200.141.370/01)

7.4.1.

De rechtbank is (in rechtsoverweging 4.18 van het tussenvonnis van 7 december 2011 en in rechtsoverweging 2.6 van het eindvonnis van 23 oktober 2013, uitgegaan van een legitimaire massa van € 1.083.201,- en heeft dit bedrag aldus berekend: het saldo van de activa en passiva van de nalatenschap, zoals vermeld in de successieaangifte ten bedrage van € 893.201,- is vermeerderd met een bedrag van € 190.000,-, zijnde het saldo per 31 december 2008 op bankrekening [rabobankrekeningnummer] ten name van erflater.

7.4.2.

[appellante] komt met grief 6A op tegen dit uitgangspunt van de rechtbank. Zij wijst erop dat het saldo van de genoemde bankrekening reeds is betrokken in de berekening van de waarde van de onderneming van erflater. Zij verwijst naar het door haar als productie 2 bij memorie van grieven overgelegde accountantsrapport per 2 januari 2009 met betrekking tot de onderneming van erflater, waarin het saldo op rekeningnummer [rabobankrekeningnummer] bij de liquide middelen is opgenomen. De hier bedoelde balans resulteert in een eigen vermogen van € 195.716,-, welk bedrag is opgenomen als een van de activa in de successieaangifte (productie 1 bij de conclusie van antwoord).

7.4.3.

[geïntimeerde ] heeft bij wijze van verweer tegen deze grief slechts aangevoerd dat uit het accountantsrapport niet blijkt dat een accountantscontrole heeft plaatsgevonden.

Het hof acht dit verweer ontoereikend en gaat om die reden uit van de juistheid van de voormelde cijfers die door [geïntimeerde ] zijn aangevoerd en die blijken uit de door haar overgelegde stukken.

Het voorgaande betekent dat de voormelde vonnissen van de rechtbank, voor zover daarin de legitimaire massa vanwege deze rekenfout te hoog is vastgesteld, op dit punt niet in stand kunnen blijven.

7.5.

Ad c) de vraag of bij de berekening van de legitimaire massa rekening gehouden moet worden met successierechten en kosten voor de afwikkeling van de nalatenschap (grieven 8 en 9 van [appellante] in de zaak met nummer HD 200.141.370/01)

7.5.1.

[appellante] meent dat bij de berekening van de legitimaire massa rekening gehouden moet worden met ten laste van de nalatenschap betaalde successierechten en kosten voor de afwikkeling van de nalatenschap, te weten: kosten voor het opstellen van de successiememorie, kosten voor het behoud van de onroerende zaken, kosten in verband met de onderhavige procedure en de kosten van de executeur.

7.5.2.

De rechtbank heeft dit standpunt van [appellante] verworpen, onder verwijzing naar de artikelen 4:65 en 4:7 lid 1 BW .

7.5.3.

De tegen dit oordeel gerichte grieven van [appellante] falen omdat het oordeel van de rechtbank juist is. De door [appellante] genoemde kosten vallen niet onder de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.

Het door [appellante] gedane bewijsaanbod ten aanzien van de boedelkosten wordt als niet relevant gepasseerd.

Het hof merkt hierbij op dat bij de berekening van de legitimaire massa geen rekening dient te worden gehouden met successierechten over de nalatenschap. Het successierecht dat [geïntimeerde ] verschuldigd is komt ten laste van haar zelf.

7.6.

Ad d) de vraag of bij de berekening van de legitimaire massa rekening gehouden moet worden met verpachting van (een deel van) de gronden en – bij wege van vermeerdering van eis - de pachtsommen, behorend tot de nalatenschap (grieven 1 en 2 van [geïntimeerde ] in de zaak HD 200.141.089/01)

7.6.1.

De rechtbank is voor de waardering van de tot de nalatenschap behorende percelen landbouwgrond, stallen en bergingen, kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 8] gedeeltelijk en nummers [sectienummer 1] , [sectienummer 2] , [sectienummer 3] , [sectienummer 4] , [sectienummer 5] , [sectienummer 6] en [sectienummer 7] , tezamen groot 23.04.03 ha, uitgegaan van de waarde in verpachte staat.

[geïntimeerde ] kan zich hiermee niet verenigen. Zij meent dat uitgegaan moet worden van de waarde van deze onroerende zaken in onverpachte staat.

7.6.2.

Voor de beoordeling van deze grieven is het volgende van belang.

Erflater heeft op 31 oktober 2008 een schriftelijke verklaring opgesteld met de volgende inhoud:

hierbij verklaar ik; [erflater] , geboren [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats] , een pachtovereenkomst gemaakt met [pachter] te [plaats] voor de gehele akkerland groot 22,45 ha., met gezamenlijk gebruik van de stallen en bergingen van de boerderij [boerderij] op de [adres] te [plaats] en wel voor onbepaalde tijd voor een bedrag van EUR 15.000, te voldoen voor 31 december van ieder jaar. Ingaande 2009 en zolang de overeenkomst bestaat.

Op vordering van [pachter] , gericht tegen [geïntimeerden c.s.] , heeft de pachtkamer van de rechtbank Roermond bij vonnis van 11 mei 2010 als volgt beslist:

Legt de bestaande pachtovereenkomst tussen partijen op voet van artikel 7:317 van het burgerlijk wetboek als volgt schriftelijk vast:

 verpachter:

de erven [erflater] , gedaagden in de onderhavige procedure,

 pachter:

de heer [pachter] , eiser in de onderhavige procedure,

 object:

percelen landbouwgrond, stallen en bergingen, kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 8] , gedeeltelijk, [sectienummer 1] , [sectienummer 2] , [sectienummer 3] , [sectienummer 4] , [sectienummer 5] , [sectienummer 6] en [sectienummer 7] , tezamen groot 23.04.03 ha,

 ingangsdatum:

1 januari 2009, voor de wettelijke duur van 12 jaren,

 pachtprijs:

EUR 15.000,00 per jaar, betaalbaar vooraf per uiterlijk 31 december.

[geïntimeerde ] heeft zich door middel van derdenverzet als bedoeld in artikel 376 Rv verzet tegen voormeld vonnis van 11 mei 2010 en zij heeft daartoe [pachter] en [geïntimeerden c.s.] in rechte betrokken. Zij vorderde verbetering dan wel aanpassing van het vonnis van 11 mei 2010.

De pachtkamer van de rechtbank Roermond heeft deze vorderingen van [geïntimeerde ] bij vonnis van 26 maart 2013 afgewezen.

7.6.3.

Ingevolge artikel 4:6 BW in samenhang met artikel 4:65 BW moet voor de berekening van de legitieme portie worden uitgegaan van de waarde van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater. Bij die waarde gaat het om de waarde die de goederen hebben in het economisch verkeer.

Op basis van hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen moet ervan uit worden gegaan dat de hier bedoelde onroerende zaken op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater in het economisch verkeer een waarde hadden, uitgaande van verpachte staat.

[geïntimeerde ] wijst op de omstandigheid dat het vonnis van de pachtkamer d.d. 11 mei 2010 jegens haar geen gezag van gewijsde heeft, maar dat leidt niet tot een ander oordeel wat betreft de waarde van de onderhavige zaken in het economisch verkeer.

De conclusie uit het voorgaande is dat de eerste grief van [geïntimeerde ] faalt.

7.6.4.

[geïntimeerde ] heeft subsidiair, voor het geval het hof oordeelt dat de onroerende zaken in verpachte staat moeten worden gewaardeerd, haar eis vermeerderd in die zin dat zij betaling vordert van de helft van de contante waarde van de vanaf de overlijdensdatum van erflater opeisbare pachtsommen. Haar tweede grief heeft hierop betrekking.

7.6.5.

Het hof merkt op dat niet valt in te zien dat hier sprake is van een eisvermeerdering in hoger beroep aangezien deze vordering door [geïntimeerde ] ook al was ingesteld in eerste aanleg (rechtsoverweging 4.28 van het tussenvonnis van 7 december 2011).

Het hof merkt voorts op dat, als er al sprake is van een eisvermeerdering in hoger beroep, niet is gesteld of gebleken dat die eiswijziging overeenkomstig artikel 130 lid 3 Rv is betekend aan de niet verschenen ge ïntimeerden.

Het hof zal [geïntimeerde ] niet in de gelegenheid stellen dit (eventuele) verzuim te herstellen, gelet op het navolgende.

7.6.6.

Ingevolge de hiervoor reeds aangehaalde artikelen 4:6 en 4:65 BW dient de legitieme portie te worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater. Tot die goederen horen niet de pachtsommen die pas opeisbaar zijn geworden ná het genoemde tijdstip. Die pachtsommen behoren tot de vruchten van de gemeenschap als bedoeld in artikel 3:172 BW en komen toe aan de deelgenoten in de gemeenschap, in dit geval de gezamenlijke erfgenamen. Het hof wijst erop dat de legitimaris onder het erfrecht sinds 2003 geen goederenrechtelijke aanspraak heeft op de erfgenamen, maar alleen een vordering in geld, berekend naar de waarde onmiddellijk na het overlijden van de erflater.

7.6.7.

Het voorgaande betekent dat ook de tweede grief van [geïntimeerde ] faalt.

7.7.

Ad e) de buitengerechtelijke kosten (grief 10 van [appellante] in de zaak HD 200.141.370/01)

7.7.1.

De rechtbank heeft [geïntimeerden c.s.] veroordeeld – conform de vordering van [geïntimeerde ] - tot betaling van een bedrag van € 5.160,- ter zake van buitengerechtelijke kosten.

[appellante] stelt dat de vordering van [geïntimeerde ] op dit punt geheel moet worden afgewezen omdat een onderbouwing van de gestelde kosten ontbreekt.

7.7.2.

Naar het oordeel van het hof is deze grief gegrond. Uit de inleidende dagvaarding maakt het hof op dat de gestelde buitengerechtelijke kosten betrekking hebben op een brief van de advocaat van [geïntimeerde ] aan [geïntimeerden c.s.] en op het opvragen van informatie aan de betrokken notarissen.

Naar het oordeel van het hof zijn de hiermee gemoeide kosten te beschouwen als kosten ter voorbereiding van de onderhavige procedure en deze dienen dan ook te worden betrokken in de beslissing omtrent de proceskosten.

Het eindvonnis van de rechtbank kan op dit punt niet in stand blijven.

7.8.

Ad f) de zekerheidstelling (grief 3 van [geïntimeerde ] in de zaak HD 200.141.089/01)

7.8.1.

De rechtbank heeft in het eindvonnis [geïntimeerden c.s.] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde ] van een bedrag ad € 541.600,50 vermeerderd met de wettelijke rente en een bedrag van € 5.160,- aan buitengerechtelijke kosten en tot betaling van de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen. De rechtbank heeft het vonnis waarvan beroep uitvoerbaar bij voorraad verklaard onder de voorwaarde dat [geïntimeerde ] zekerheid stelt voor een bedrag van € 270.800,25.

7.8.2.

[geïntimeerde ] komt met haar derde grief op tegen deze voorwaarde. Zij vordert dat het hof opnieuw recht zal doen en de veroordeling van [geïntimeerden c.s.] uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren zonder zekerheidstelling. Het hof zal die vordering aldus toewijzen. Het hof ziet geen aanleiding voor zekerheidstelling.

7.8.3.

[geïntimeerde ] vordert in haar memorie van grieven dat [geïntimeerden c.s.] worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het eindvonnis van de rechtbank mocht hebben voldaan. Het hof neemt aan dat [geïntimeerde ] hiermee doelt op de zekerheidstelling. Niet gesteld of gebleken is echter dat [geïntimeerde ] ter zake hiervan iets heeft betaald. Deze vordering van [geïntimeerde ] is dan ook niet toewijsbaar.

7.9.

Ad g) de proceskosten (grief 11 van [appellante] in de zaak HD 200.141.370/01)

7.9.1.

De rechtbank heeft [geïntimeerden c.s.] in het eindvonnis veroordeeld in de proces- en nakosten. [appellante] komt met haar elfde grief op tegen deze beslissing.

7.9.2.

Deze grief is terecht aangevoerd. Het hof ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, dit zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

7.10.

[geïntimeerde ] heeft in algemene termen bewijs van haar stellingen aangeboden. Dat bewijsaanbod wordt door het hof als te vaag gepasseerd.

7.11.

De conclusie is dat de vonnissen van 7 november 2012 en 23 oktober 2013 waarvan beroep op drie onderdelen niet in stand kunnen blijven:

a. a) ten aanzien van de omvang van de legitieme portie: deze bedraagt niet de helft van

€ 1.083.201,- maar de helft van € 893.201,- (zijnde € 446.600,50). Het hof zal, opnieuw rechtdoende, [appellante] c.s. veroordelen tot betaling van € 446.600,50, met de wettelijke rente als toegewezen;

b) ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten. Deze vordering van [geïntimeerde ] zal ten aanzien van [appellante] c.s. alsnog worden afgewezen;

c) ten aanzien van de proces- en nakosten. Ook die vorderingen van [geïntimeerde ] zullen door het hof worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de in het belang van [geïntimeerden c.s.] bepaalde zekerheidsstelling.

Ten aanzien van de toewijzing van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:84 BW is geen grief gericht, zodat deze toewijzing in stand moet blijven.

De vonnissen van 7 november 2012 en 23 oktober 2013 zullen voor het overige worden bekrachtigd.

8 De uitspraak in beide gevoegde zaken

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van 14 november 2012;

vernietigt de vonnissen van de rechtbank van 7 november 2012 en 23 oktober 2013;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerden c.s.] om aan [geïntimeerde ] € 446.600,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:84 BW met ingang van 20 april 2011 tot de dag van betaling;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde ] voor het overige af;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, O.G.H. Milar en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juni 2015.

griffier rolraadsheer


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature