Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

geschil over aanvaarding dan wel verwerping legaat.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.149.520/01

arrest van 26 mei 2015

in de zaak van

1 [appellant 1],wonende te [woonplaats 1],

2. [appellant 2],wonende te [woonplaats 2],

3. [appellante 3],wonende te [woonplaats 3],

4. [appellant 4],

wonende te [woonplaats 4],

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten],

advocaat: mr. J. Bisschop te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 5],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

in hoger beroep niet verschenen.

op het bij exploot van dagvaarding van 8 april 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 8 januari 2014, gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/122129/HA ZA 13-114)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

de memorie van grieven met eiswijziging;

het betekeningsexploot waarbij de memorie van grieven aan [geïntimeerde] is betekend.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.1.1.

Op 19 mei 2007 is overleden [legator], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats 5], [adres 1]. Hij was niet gehuwd, noch geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap. Bij testament van 16 juni 2004 heeft hij -onder meer- bepaald:

“Ik legateer af te geven -voor zoveel nodig bij notariële akte- binnen zes maanden na mijn overlijden aan mijn levensgezellin mevrouw [geïntimeerde], geboren te [geboorteplaats] op [datum] negentien honderd achtenveertig, hierna ook te noemen: “gebruiker”;

a. in volle eigendom: mijn gehele inboedel; de uitdrukking “inboedel” te verstaan zoals omschreven in artikel 3:5 van het Burgerlijk Wetboek , doch met inbegrip van mijn boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard;

b. de beperkte rechten van gebruik en bewoning als bedoeld in artikel 3:226 van het Burgerlijk Wetboek , hierna ook te noemen: “het recht”, van mijn woonhuis met opstallen, ondergrond, erf en weiland staande en gelegen te [woonplaats 5], [adres 1], kadastraal bekend gemeente [woonplaats 5], [sectieletter] nummer [sectienummer] groot tweeënzestig are en tien centiare, danwel het woonhuis dat daarvoor bij mijn overlijden in de plaats mocht zijn gekomen.

Ten aanzien van het recht bepaal ik tevens het navolgende:

1. Het recht gaat in bij mijn overlijden en eindigt bij het overlijden van gebruiker, alsmede drie maanden na het metterwoon verlaten van het woonhuis door gebruiker.

2. De gebruiker is ontheven van de verplichting tot het stellen van zekerheid.

3. De gebruiker mag als goed gebruiker het woonhuis bewonen gedurende de duur van het recht en wel uitsluitend voor zich en zijn gezin.

4. Gebruiker is bevoegd tot alle handelingen die tot een goed beheer van het woonhuis dienstig kunnen zijn. Tot alle overige handelingen zijn hoofdgerechtigden en gebruiker slechts tezamen bevoegd.

5. De gebruiker is verplicht het woonhuis ten behoeve van de hoofdgerechtigden te verzekeren tegen brand en overigens tegen de gevaren waartegen het gebruikelijk is een verzekering te sluiten. De verzekeringspremies zijn voor rekening van de gebruiker.

6. De gebruiker is op eerste verzoek van de hoofdgerechtigden verplicht van de betaling van die verzekeringspremies te doen blijken.

7. De gebruiker kan het recht niet vervreemden of bezwaren en kan het woonhuis niet door anderen dan de leden van zijn gezin laten gebruiken of bewonen onder welke titel dan ook.

8. Het recht omvat het gehele voorschreven registergoed.

9. De gebruiker is verplicht zowel de gewone lasten en herstellingen als de buitengewone herstellingen te dragen en te (doen) verrichten.

10. Indien de gebruiker afstand van het recht wil doen in verband met de aan dit recht verbonden lasten en verplichtingen, zijn de hoofdgerechtigden gehouden hieraan mee te werken.”

In dat testament zijn [appellanten] -onder de last van voormeld legaat- benoemd tot erfgenamen.

[geïntimeerde], die is geboren op [datum] 1948, bewoont de woning.

3.1.2.

[appellanten] stellen zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat [geïntimeerde] het legaat heeft verworpen. Zij, [appellanten], vorderden in eerste aanleg (samengevat) voor recht te verklaren dat zij niet gehouden zijn het legaat af te geven aan [geïntimeerde] alsmede voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] zonder recht of titel in de woning verblijft en haar te veroordelen tot ontruiming.

3.1.3.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zij het legaat zonder voorbehoud heeft aanvaard en zij vorderde in eerste aanleg in reconventie [appellanten] te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan afgifte van het legaat.

3.1.4.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen dat [geïntimeerde] het legaat op 29 oktober 2007 zonder voorbehoud heeft aanvaard en op grond hiervan de vordering van [geïntimeerde] in reconventie toegewezen in die zin dat [appellanten] zijn veroordeeld om binnen zes weken na betekening van het vonnis hun medewerking te verlenen aan het verlijden van een notariële akte inhoudende afgifte en/of goederenrechtelijke levering van het beperkte recht van gebruik en bewoning op het woonhuis met opstallen, ondergrond en weiland aan de [adres 1] te [postcode 1] [woonplaats 5].

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] in conventie afgewezen en de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd.

3.1.5.

[appellanten] kunnen zich met het vonnis van de rechtbank niet verenigen en zijn in hoger beroep gekomen.

3.2.

De eerste grief van [appellanten] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] door middel van haar brief van 29 oktober 2007 het legaat heeft aanvaard. De tweede grief richt zich tegen de beslissing met betrekking tot de proceskosten.

3.3.

[appellanten] hebben in hun memorie van grieven hun eis vermeerderd met een subsidiaire vordering. Deze eiswijziging is bij deurwaardersexploot van 25 juli 2014 aan [geïntimeerde] betekend, waarmee voldaan is aan het bepaalde in artikel 130 lid 3 jo artikel 353 lid 1 Rv . De in hoger beroep toegevoegde subsidiaire vordering van [appellanten] houdt het volgende in:

1. een onderzoek door een deskundige te bevelen die vaststelt welk onderhoud uitgevoerd dient te worden aan de onroerende zaak, bestaande uit woonhuis met opstallen, ondergrond erf en weiland, staande en gelegen aan het adres [adres 1] te [woonplaats 5], kadastraal bekend gemeente [woonplaats 5], [sectieletter], nummer [sectienummer], groot 62 a 10 ca, alsmede een deskundige te benoemen om dit onderzoek te verrichten;

alsmede geïntimeerde te veroordelen:

2. om binnen een termijn van zes maanden, althans een door het Gerechtshof te bepalen

redelijke termijn, na betekening van het in dezen te wijzen arrest het onderhoud te hebben

uitgevoerd als door de deskundige in diens onderzoek is vastgesteld, alsmede ten genoegen van [appellanten] en aan [appellanten] daarvan binnen die termijn bewijsstukken te hebben overgelegd;

3. om binnen een termijn van twee weken, althans een door het gerechtshof te bepalen redelijke termijn, na betekening van het in dezen te wijzen arrest bewijsstukken aan [appellanten] overlegt waaruit blijkt de betaling van die verzekeringspremies, zowel ten behoeve van het hoofdgebouw, de woning, als de bijgebouwen, alsmede bewijsstukken te hebben overgelegd van de verzekering, waaruit blijkt dat de dekking van de verzekering op zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen betrekking heeft, met bepaling dat [appellanten] niet hoeven mee te werken aan het verlijden van akte waarbij het legaat door [appellanten] aan geïntimeerde wordt afgegeven, voordat geïntimeerde aan deze verplichting heeft voldaan;

4. een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag of dagdeel dat geïntimeerde in gebreke blijft aan een van deze verplichtingen te voldoen.

Naar het oordeel van het hof is deze eiswijziging toelaatbaar. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis in hoger beroep.

3.4.

De eerste grief van [appellanten] betreft het hoofdpunt van het geschil tussen partijen, namelijk de vraag of [geïntimeerde] al dan niet het legaat (zonder voorbehoud) heeft aanvaard. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

[geïntimeerde] heeft als productie 5 bij haar conclusie van dupliek in conventie, conclusie van repliek in reconventie een schriftelijke verklaring overgelegd van [geïntimeerde] d.d. 29 oktober 2007, opgesteld door notaris [notaris], inhoudende dat zij het legaat zonder enig voorbehoud aanvaardt.

[appellanten] stellen zich echter op het standpunt dat [geïntimeerde] reeds eerder, namelijk bij brief van 20 augustus 2007 aan notaris [notaris], het legaat heeft verworpen en hierop niet kan terugkomen.

3.5.

Hieromtrent overweegt het hof dat [appellanten] weliswaar terecht tot uitgangspunt nemen dat een eenmaal gemaakte keuze voor aanvaarding dan wel verwerping onherroepelijk is (vergelijk ECLI:NL:GHSHE:2011:BV3373), maar naar het oordeel van het hof valt in de door [appellanten] genoemde brief van 20 augustus 2007 niet een ondubbelzinnige verwerping van het legaat te lezen. De brief van 20 augustus 2007 houdt het volgende in:

Geachte heer [notaris],

Hierbij wil ik reageren op uw schrijven d.d. 7 augustus 2007 inzake de nalatenschap van [legator]

, overleden op 19 mei 2007.

Ik geef de voorkeur aan mogelijkheid 1 in uw brief; acceptatie van het recht van gebruik en

bewoning zodat ik in de boerderij kan blijven wonen. Dit is emotioneel voor mij van zeer

grote waarde.

Definitief aanvaarden van het recht van gebruik en bewoning is thans niet mogelijk, omdat

door overlijden van de heer [legator] en de gewijzigde omstandigheden mijn toekomstige

inkomenssituatie nog niet duidelijk is. Daarnaast heb ik nog geen inzage in de hoogte van de

woonlasten en vind ik het niet redelijk dat de eigenaarslasten als de kosten voor groot

onderhoud voor mijn rekening komen.

Uit het testament van de heer [legator] d.d. 16 juni 2004 blijkt uit D (legaten) onder 9 dat de

herstellingen voor rekening van de gebruiker komen, echter onder punt 4 is bepaald dat tot

alle overige handelingen dan een goed beheer van het woonhuis alleen hoofdgerechtigden en

gebruiker slechts tezamen bevoegd zijn. Dus de erfgenamen dienen als eigenaren ook hun

verantwoordelijkheid te nemen en te dragen.

Ik ben bereid om de lasten gebruikerslasten voor mijn rekening te nemen als ook het

onderhoud tot de toestand waarin liet pand zich thans bevindt. De eigenaarslasten wil en kan ik

niet dragen.

Zoals u bekend zal ik mogelijk successierechten dienen te betalen over het recht van gebruik

en bewoning van het woonhuis met de opstallen, ondergrond, erf en weiland gelegen aan de

[adres 1] te [woonplaats 5]. Voor mij is het belangrijk om een indicatie te krijgen over de hoogte van de taxatie. Is het mogelijk om de taxatie alvast te laten uitvoeren, zodat ik kan bepalen hoeveel successierechten ik moet betalen?

Gelet op de termijn voor het doen van aangifte van Successierecht als de overige actiepunten

die ik moet ondernemen, stel ik voor dat ik schriftelijk uiterlijk 15 november a.s. aangeef of ik

het recht van gebruik en bewoning definitief kan aanvaarden.

Met betrekking tot de paarden is een bijlage bijgevoegd waarin [X.] en ik ons standpunt

hebben aangegeven.

Ik hoop dat voorgaande duidelijk is.

Hoogachtend,

[geïntimeerde]

Naar het oordeel van het hof kan deze brief in redelijkheid niet anders worden gelezen dan als mededeling van [geïntimeerde] aan de notaris dat zij zich nog wenst te beraden over de vraag of zij het legaat al dan niet accepteert en op dat punt nog geen definitief standpunt inneemt. Zij voert weliswaar aan dat zij de eigenaarslasten van de woning niet kan en wil dragen, maar in het licht van hetgeen overigens in de brief is vermeld kan hieruit niet worden afgeleid dat zij ondubbelzinnig het legaat verwerpt.

3.6.

[appellanten] voeren verder aan dat [geïntimeerde] weliswaar stelt dat zij het legaat en de daaraan verbonden voorwaarden aanvaardt, maar dat [geïntimeerde] feitelijk niet bereid en – gelet op haar penibele financiële situatie – ook niet in staat is om de voorwaarden die aan het legaat zijn verbonden na te komen, zodat van hen niet gevergd kan worden mee te werken aan afgifte van het legaat.

3.7.

Dit standpunt van [appellanten] kan niet worden gevolgd. Aanvaarding van het legaat door [geïntimeerde] brengt mee dat [appellanten] gehouden zijn tot afgifte daarvan. Zij zijn immers als erfgenamen gebonden aan de laatste wil van de erflater, zoals vastgelegd in het testament.

Weliswaar is door [geïntimeerde] niet betwist dat zij een uitkering ontvangt van de sociale dienst van de gemeente en dat zij aan de gemeente een schuld heeft in verband met ten onrechte ontvangen uitkeringen, maar deze omstandigheden rechtvaardigen op zichzelf nog niet de conclusie dat [geïntimeerde], zoals [appellanten] stellen, niet in staat zou zijn de verplichtingen die samenhangen met het legaat na te komen. Omtrent de hoogte van het bedrag dat met die verplichtingen is gemoeid is niets gesteld.

Nu een deugdelijk onderbouwing van het hier bedoelde standpunt van [appellanten] ontbreekt, kan het niet worden aanvaard.

Het hof voegt hieraan nog toe dat, zelfs als ervan uit moet worden gegaan dat [geïntimeerde] niet aan haar verplichtingen als ‘gebruiker’ zou kunnen voldoen, dit nog niet in de weg staat aan de aanvaarding van het legaat (en de verplichting voor [appellanten] tot medewerking aan het tot stand brengen daarvan). De erven, als blooteigenaren, staan de rechten ten dienste die het Burgerlijk Wetboek aan vruchtgebruik verbindt. Deze doen in beginsel niet af aan de aanspraken uit erfrecht.

3.8.

[appellanten] hebben in algemene termen bewijs van hun stellingen aangeboden; dat bewijsaanbod wordt door het hof als onvoldoende gespecificeerd of terzake doende gepasseerd.

3.9.

Het voorgaande betekent dat grief I van [appellanten] faalt. Dit geldt ook voor grief II, betrekking hebbend op de compensatie van kosten in eerste aanleg.

De conclusie is dat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd.

3.10

Met betrekking tot de in hoger beroep door [appellanten] ingestelde subsidiaire vordering overweegt het hof het volgende.

Terecht nemen [appellanten] tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] door aanvaarding van het legaat verplicht is om de daarmee samenhangende verplichtingen na te komen tot het plegen van onderhoud en het voldoen van alle lasten met inbegrip van de betaling van verzekeringspremies. [appellanten] zijn als erfgenamen (dat wil zeggen blooteigenaren) gerechtigd om nakoming van deze verplichtingen af te dwingen (art. 3:207 lid 3 en 3:209 BW in verbinding met het bepaalde in het testament onder 5 en 9).

3.11.

[appellanten] stellen dat [geïntimeerde] nalatig is op het punt van het plegen van onderhoud aan de woning en de bijgebouwen en zij verwijzen naar de foto’s die zij als productie 7 in eerste aanleg in het geding hebben gebracht.

Zij vorderen dat een deskundige zal worden benoemd teneinde vast te stellen welk onderhoud moet worden uitgevoerd.

Deze vordering is toewijsbaar. Het hof begrijpt uit de memorie van grieven dat in de visie van [appellanten] volstaan kan worden met de benoeming van één deskundige, aan te wijzen door het hof.

Het hof zal een onderzoek gelasten zoals gevorderd. De hieraan verbonden kosten zullen vooralsnog ten laste van [appellanten] als eisende partijen worden gebracht.

Het hof zal te zijner tijd oordelen welke –noodzakelijk geachte- werkzaamheden ten laste van [geïntimeerde] dienen te komen, waarbij het hof nu reeds opmerkt dat uit het testament niet zonder meer volgt dat alle onderhoud ten laste van [geïntimeerde] komt (het testament spreekt immers van “herstellingen”); bovendien is het hof vooralsnog van oordeel dat het herstel van gebreken die reeds bestonden ten tijde van het overlijden van erflater niet ten laste van [geïntimeerde] kan worden gebracht. De deskundige wordt verzocht ook aan dit aspect aandacht te besteden.

3.12.

Het hof zal de beslissing op de subsidiaire vordering onder V sub 2 aanhouden tot ná het deskundigenbericht.

3.13.

Met betrekking de vordering onder V sub 3, de verzekering van de legateerde onroerende zaak, overweegt het hof het volgende.

Uit de in eerste aanleg overgelegde stukken (in het bijzonder: productie 2 van de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie) valt af te leiden dat in 2012 voor de gelegateerde woning wél een opstalverzekering gold, maar voor de bijgebouwen niet.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het bepaalde in artikel D onder 5 van het testament dat de verzekeringsplicht uitsluitend betrekking heeft op het woonhuis.

[geïntimeerde] dient stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat zij ook thans aan deze verzekeringsplicht voldoet. Iedere verdere beslissing op dit punt wordt aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

4.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht teneinde vast te stellen of en zo ja welk achterstallig onderhoud (in de terminologie van het testament: herstellingen) bestaat en al dan niet aanstonds uitgevoerd dient te worden aan de onroerende zaak, bestaande uit woonhuis met opstallen, ondergrond erf en weiland, staande en gelegen aan het adres [adres 1] te [woonplaats 5], kadastraal bekend gemeente [woonplaats 5], [sectieletter], nummer [sectienummer], groot 62 a 10 ca en bepaalt dat [geïntimeerde] haar medewerking dient te verlenen aan dit onderzoek en in dat kader, in het bijzonder de deskundige en [appellanten] toe dient te laten tot de woning en opstallen ten tijde van het onderzoek door de deskundige;

4.2.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vraag:

Dhr. J. Jamin,

Jamin Onroerend Goed,

[adres 2],

[postcode 2] [woonplaats 6],

Telefoon: [telefoonnummer];

4.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

4.4.

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

4.5.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

4.6.

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

4.7.

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

4.8.

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

4.9.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.500,- inclusief btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

4.10.

bepaalt dat [appellanten] genoemd voorschot van € 1.500,- dienen over te maken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

4.11.

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

4.12.

benoemt mr. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

4.13.

verwijst de zaak naar de rol van 22 september 2015 in afwachting van het deskundigenbericht;

4.14.

Verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellanten];

4.15.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, W.H.B. den Hartog Jager en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 mei 2015.

griffier rolraadsheer


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature