Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

exclusieve distributieovereenkomst

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.105.707/01

arrest van 24 maart 2015

in de zaak van

Handelsonderneming [handelsonderneming] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. B.J.M. van Helvert te Eindhoven,

tegen:

[kachelfabrikant] S.P.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Itali├ź),

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. de Falco te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 december 2011 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Breda gewezen vonnissen van 13 april 2011 en 28 september 2011 tussen appellante - [appellante] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 194107/HA ZA 08-1544)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 3 november 2010 en naar het arrest van dit hof van 8 juni 2010 (zaaknummer HD 200.032.275) in het bevoegdheidsincident.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 27 december 2011;

- de memorie van grieven van [appellante] van 20 augustus 2013 met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 29 oktober 2013;

- de akte van [appellante] van 10 december 2013.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1

De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis van 13 april 2011 is niet bestreden. Deze vaststelling luidt als volgt:

[appellante] is importeur in Nederland voor diverse buitenlandse kachel- en haardproducenten.

[ge├»ntimeerde] , gevestigd in Itali├ź, heeft vanaf 2005 producten aan [appellante] geleverd.

In 2007 heeft [geïntimeerde] tevens producten geleverd aan een andere importeur in Nederland, te weten firma Aitec BV te [vestigingsplaats] .

Op 31 oktober 2007 en 13 november 2007 heeft [appellante] e-mails gestuurd aan [geïntimeerde] om opheldering te vragen over de leveringen aan Aitec BV.

Bij brief van 20 maart 2008 heeft [appellante] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt en zal lijden door het handelen van [geïntimeerde] .

Bij e-mail van 2 april 2008 heeft [geïntimeerde] gereageerd op de brief van 20 maart 2008, waarbij zij het standpunt inneemt dat er geen exclusiviteit ten aanzien van het importeurschap overeengekomen is.

Bij fax van 6 mei 2008 heeft [appellante] uiteengezet dat er wel sprake is van exclusiviteit ten aanzien van het importeurschap.

Bij brief van 8 mei 2008 heeft [geïntimeerde] haar stelling gehandhaafd dat er geen exclusiviteit ten aanzien van het importeurschap bestond.

[appellante] heeft een aantal facturen uit 2007 van [ge├»ntimeerde] voor een totaalbedrag van ÔéČ 11.954,88 onbetaald gelaten. De Duitse advocaat van [ge├»ntimeerde] heeft hiervoor op 2 juni 2008 een aanmaning aan [appellante] gestuurd.

[appellante] heeft zich ten aanzien van het openstaande factuurbedrag beroepen op haar opschortingsrecht.

Bij brief van 14 juli 2008 heeft [appellante] te kennen gegeven de overeenkomst per direct te be├źindigen, subsidiair per 1 september 2008 en meer subsidiair per 1 februari 2009 en [ge├»ntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade.

4.2

[appellante] heeft bij dagvaarding van 22 juli 2008 de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [appellante] dat in 2005 tussen haar en [geïntimeerde] mondeling een distributieovereenkomst is gesloten, krachtens welke overeenkomst zij van [geïntimeerde] het exclusieve importeurschap voor Nederland verkreeg voor de levering van (door [geïntimeerde] geproduceerde) open haarden, houtkachels en pelletkachels lokaal en cv. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] in strijd met die distributieovereenkomst in 2007 voor Nederland een andere importeur aangesteld. Verder handelde [geïntimeerde] volgens [appellante] in strijd met de distributieovereenkomst door haar alleen een Italiaanse handleiding bij de te leveren producten te verstrekken en door niet op klachten over gebreken aan de geleverde producten te reageren en niet te reageren op verzoeken om vervangende onderdelen te leveren en om informatie ter zake.

4.3

[appellante] vorderde op grond daarvan in eerste aanleg in conventie primair1. een verklaring van recht dat de distributieovereenkomst tussen partijen wegens toerekenbare tekortkomingen van [ge├»ntimeerde] rechtsgeldig buitengerechtelijk is be├źindigd;2. een verklaring van recht dat [ge├»ntimeerde] aansprakelijk is voor alle schade die [appellante] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de tekortkomingen van [ge├»ntimeerde] in de nakoming van de overeenkomst;3. veroordeling van [ge├»ntimeerde] tot vergoeding aan [appellante] van de kosten van de vertaling van de dagvaarding in het Italiaans, te vermeerderen met wettelijke rente, en tot veroordeling van [ge├»ntimeerde] in de proceskosten. Subsidiair vorderde [appellante] in plaats van de eerste vordering alsnog de ontbinding in rechte wegens de gestelde toerekenbare tekortkomingen.

4.4

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg allereerst een beroep gedaan op onbevoegdheid van de rechtbank. Dit beroep is door rechtbank en hof verworpen. In het arrest van het hof van 8 juni 2010 in dit incident is tevens geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de vorderingen van [appellante] bestreden. In reconventie vorderde [geïntimeerde] veroordeling van [appellante] tot betaling van de openstaande facturen met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

4.5

Bij tussenvonnis van 3 november 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 25 februari 2011 plaatsgevonden.

Bij tussenvonnis van 13 april 2011 heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat tussen partijen een distributieovereenkomst zonder exclusiviteit is gesloten en geoordeeld dat niet is gebleken van schade die door de be├źindiging van de overeenkomst zou zijn geleden. Naar het oordeel van de rechtbank stond het [ge├»ntimeerde] vrij een distributeur in Nederland aan te stellen en is geen sprake van wanprestatie of onrechtmatig handelen van de kant van [ge├»ntimeerde] vanwege het niet kunnen terugverdienen van investeringen door [appellante] . Met betrekking tot de door [appellante] gestelde overige tekortkomingen van de kant van [ge├»ntimeerde] heeft de rechtbank [appellante] in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te verstrekken.

In het eindvonnis van 28 september 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] haar stellingen op dat punt onvoldoende heeft onderbouwd en de vorderingen van [appellante] in conventie geheel afgewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] in hoofdsom als niet betwist toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 20 oktober 2010, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten en met afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4.6

De grieven van [appellante] betreffen vrijwel uitsluitend de afwijzing van haar vorderingen in conventie, terwijl zij deze in hoger beroep vermeerdert met een bedrag van ÔéČ376,04 aan kosten van vertaling van de appeldagvaarding. In haar laatste grief richt [appellante] zich mede tegen de toewijzing van de reconventionele vordering van [ge├»ntimeerde] en de verwerping van het beroep van [appellante] op verrekening daarmee, maar blijkens de toelichting op deze grief beoogt [appellante] hiermee niet de verschuldigdheid van het bedrag van ÔéČ 11.954,88 en de daarover toegewezen wettelijke handelsrente (alsnog) te betwisten. Het gaat in dit hoger beroep dus om de (vermeerderde) vorderingen van [appellante] .

4.7

Om de vorderingen van [appellante] in conventie te kunnen beoordelen, dient vastgesteld te worden in welke rechtsverhouding partijen tot elkaar hebben gestaan: gaat het om een exclusieve distributieovereenkomst zoals [appellante] stelt, of om een aantal losse leveringen zonder verdere afspraken over met name exclusiviteit, waar de stellingen van [geïntimeerde] op neer komen. Indien als vaststaand kan worden aangenomen dat partijen een exclusieve distributieovereenkomst hebben gesloten, levert de aanstelling van een andere importeur voor Nederland tijdens de gelding van die overeenkomst een toerekenbare tekortkoming van de kant van [geïntimeerde] op. Voor dat geval heeft [appellante] naar het oordeel van het hof (in ieder geval: in hoger beroep) voldoende aannemelijk gemaakt dat hieruit voor [appellante] schade is voortgevloeid die een verwijzing naar de schadestaatprocedure, als door [appellante] gevorderd, rechtvaardigt.

Door [appellante] is met betrekking tot de gestelde exclusieve distributieovereenkomst nadrukkelijk bewijs aangeboden. Het hof zal [appellante] dienovereenkomstig toelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij op 22 juni 2005 met [geïntimeerde] tijdens een bespreking bij [geïntimeerde] een exclusieve distributieovereenkomst voor Nederland hebben gesloten, alsmede de precieze inhoud van deze overeenkomst.

4.8

Het hof zal de overige stellingen van [appellante] bespreken na deze bewijslevering en mede afhankelijk van de het resultaat daarvan. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De uitspraak

Het hof:

laat [appellante] toe tot het bewijs van haar stelling dat zij op 22 juni 2005 met [geïntimeerde] tijdens een bespreking bij [geïntimeerde] een exclusieve distributieovereenkomst voor Nederland hebben gesloten, alsmede de precieze inhoud van deze overeenkomst;

bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 7 april 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het

getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 maart 2015.

griffier rolraadsheer


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature