Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

toelaten schuldsaneringsregeling?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 2 oktober 2014

Zaaknummer: HV 200.154.722/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/277351 / FR RK 14-577

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.S.S. IJff.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 augustus 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 augustus 2014, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 september 2014.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

[appellant], bijgestaan door mr. IJff;

mevrouw [de beschermingsbewindvoerder], de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 augustus 2014;

- de ter zitting in hoger beroep overgelegde complete versie van productie 3 bij het beroepschrift.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW . Uit zowel de processtukken als hetgeen tijdens de mondelinge behandeling door haar is verklaard blijkt dat de beschermingsbewindvoerder van de onderhavige procedure op de hoogte is en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij ook in appel gebruik heeft gemaakt, om haar visie over het gedane verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te geven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) blijkt een totale schuldenlast van € 50.789,41. Daaronder bevindt zich een schuld aan het Zorgkantoor van € 34.189,87 betreffende een terugvordering van het reeds ontvangen persoonsgebonden budget. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers akkoord waren.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

“De rechtbank begrijpt dat verzoeker gebaat is bij een toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar acht het onvoldoende aannemelijk dat zijn (psychische) situatie voldoende stabiel is om nu al een zwaar wettelijk schuldsaneringstraject te doorlopen.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift – samengevat – het volgende aangevoerd.

Hij betwist dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verplichtingen en inspanningen voorvloeiende uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.

Het naar behoren nakomen van de schuldsaneringsverplichtingen is niet afhankelijk van zijn psychische situatie. Een eventuele terugval in zijn psychische welzijn betekent niet dat daardoor het schuldsaneringstraject zou mislukken. Daarenboven heeft hij aangetoond dat hij in probleemsituaties hulp en ondersteuning zoekt om hiermee om te gaan. Ten aanzien van de informatieplicht wordt gesteld dat [appellant] hier al ruim twee jaar aan voldoet. De rechter heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat op [appellant] geen sollicitatieplicht rust vanwege zijn Wajong-uitkering. [appellant] is daarbij erg gemotiveerd om zijn schulden af te lossen. Gedurende de schuldsaneringsregeling zal [appellant] geen beschikkingsbevoegdheid hebben over zijn gelden. [appellant] begrijpt dan ook niet hoe de rechtbank kan oordelen dat onvoldoende aannemelijk is dat hij zich aan de afdrachtplicht zal houden. [appellant] heeft geen nieuwe schulden gemaakt en hij staat in het bewindregister geregistreerd waardoor het vrijwel uitgesloten is dat hij tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden zal maken. [appellant] woont sinds februari 2010 samen met zijn partner. Zij heeft een HBO-functioneringsniveau en ondersteunt [appellant] in zijn situatie. Daarenboven is aannemelijk gemaakt dat [appellant] woonbegeleiding krijgt en een behandelplan door Ggz DIRECT-project wordt uitgevoerd. Hoewel de psychische gesteldheid van [appellant] hierdoor aanzienlijk zal verbeteren, heeft dit geenszins effect op het al dan niet succesvol afronden van het schuldsaneringstraject. Ten slotte is bij de Ggz zelfs de vraag gerezen in hoeverre zij een bijdrage kan leveren aan de stabiliteit van [appellant] nu volgens de Ggz al sprake is van stabiliteit. Het is voor [appellant] dan ook onduidelijk waarom de situatie om in aanmerking te komen voor de schuldsaneringsregeling over een half jaar misschien anders zou zijn. De exacte schuldenpositie van [appellant] is (wel degelijk) vast te stellen. [appellant] zal er ten slotte alles aan doen om zijn schulden zoveel mogelijk af te lossen, aldus steeds [appellant].

3.5.1.

Hieraan heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep – samengevat – toegevoegd, dat hij sinds 2012 geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan en dat het Ggz DIRECT-project waarvan in het beroepschrift sprake is, inmiddels – op instigatie van de Ggz – is gestaakt.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.2.

[appellant] is in het verleden zwervende geweest. Tijdens het schuldhulpverleningstraject, dat aan de indiening van het wsnp-verzoek is voorafgegaan, zijn, al dan niet in verband hiermee, nieuwe schulden aan het licht gekomen. Tevens heeft [appellant] – blijkens de inhoud van het proces-verbaal – bij de rechtbank verklaard dat zijn (grootste) schuld aan het Zorgkantoor weleens hoger zou kunnen zijn in verband met zijn zwerversverleden.

3.6.3.

Uit de inhoud van de processtukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de schuldenlast van [appellant] – na uitvoerig onderzoek en inventarisatie van zijn schuldenpositie, sinds maart 2012 door zowel zijn voormalig bewindvoerder, de gemeentelijke schuldhulpverlening als de kredietbank Breda – thans in beginsel volledig in beeld is. Voorts is ter zitting in hoger beroep – ter completering van productie 3 bij het beroepschrift – een volledige schuldenstaat als bedoeld in artikel 285 lid 1 aanhef en sub a Fw overgelegd.

3.6.4.

Art. 5.4.3 van de “Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” (bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken), luidt:

“Toelating tot de schuldsaneringsregeling ingeval van psychosociale problematiek

Een verzoeker met psychosociale problemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is.

Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.”

3.6.5.

In de processtukken en ter zitting in hoger beroep is door [appellant] aangegeven dat er sprake is (geweest) van psychosociale problematiek. [appellant] kampt(e) met (lichte) psychoses.

3.6.6.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat [appellant] verantwoordelijkheid heeft getoond door hulp te accepteren in de vorm van beschermingsbewind en van een woonbegeleider, die hem helpt met allerhande praktische zaken. Bovendien stelde [appellant] zich onder behandeling bij Ggz DIRECT, in verband met de bestaande psychosociale problematiek. Deze behandeling is inmiddels gestaakt, omdat, naar ter zitting in hoger beroep enkele keren naar voren is gebracht, de psychische gesteldheid van [appellant] door Ggz reeds voldoende stabiel zou worden geacht en er naar mening van Ggz reeds voldoende hulp en begeleiding zou worden geboden.

3.6.7.

Hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door en namens [appellant] met betrekking tot zijn psychische problematiek naar voren is gebracht, is voor het hof aanleiding [appellant] in de gelegenheid te stellen een recente verklaring van Ggz aan het hof toe te zenden, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [appellant], ondanks zijn psychische problematiek, in staat is aan de aan hem in het kader van de toepassing van de schuldsaneringsregeling opgelegde kernverplichtingen te voldoen, althans dat de psychosociale problematiek thans beheersbaar is en (aanvullende) behandeling of begeleiding door de Ggz thans geen toegevoegde waarde heeft. Daarenboven kan, afhankelijk van de inhoud en strekking ervan, deze verklaring door het hof eventueel worden betrokken in het kader van onder meer de vraag, onder welke omstandigheden de schulden zijn ontstaan en onbetaald gelaten c.q. of deze omstandigheden inmiddels onder controle zijn. Het betreft hier overigens, althans voor zover het niet om de in het kader van artikel 288 lid 1 aanhef en sub Fw aan te leggen gedragsmaatstaf gaat maar om de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw , een discretionaire bevoegdheid van de rechter waarop het hof thans geenszins wil, laat staan kan vooruitlopen.

3.6.8

Het hof merkt tot slot op dat een deel van de verklaring van [appellant] omtrent het ontstaan van zijn schulden en zijn levensloop lijkt te ontbreken. Het hof beschikt over drie bladzijden van deze verklaring. Voor zover er inderdaad bladzijden ontbreken, wordt [appellant] in de gelegenheid gesteld alsnog de volledige verklaring over te leggen.

3.7.

De verdere behandeling van de zaak wordt pro forma aangehouden tot donderdag 30 oktober 2014.

3.8.

Na ontvangst van bericht van de advocaat van [appellant] zal het hof bepalen of een nadere mondelinge behandeling nodig wordt geacht.

3.9.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

4 De uitspraak

Het hof:

houdt de behandeling van deze zaak PRO FORMA aan tot donderdag 30 oktober 2014, teneinde appellant in de gelegenheid te stellen uitvoering te geven aan het hierboven in rov. 3.6.7. en 3.6.8 vermelde;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, J.F.M. Pols en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2014.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature