Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

huur bedrijfsruimte

Uitspraak



typ. MT

rolnr. C0700880/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 15 januari 2008,

gewezen in het incident in de zaak van:

de naamloze vennootschap INBEV NEDERLAND N.V. (voorheen INTERBREW NEDERLAND N.V.),

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in de hoofdzaak bij exploot van dagvaarding van 29 juni 2007,

eiseres in het incident,

verder te noemen: Inbev,

procureur: mr. M. van Heeren,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in de hoofdzaak bij gemeld exploot,

verweerder in het incident,

verder te noemen: [X.],

procureur: mr. M.J.A. Verhagen,

en

[Y.] en [Z.],

beiden wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [Y.] c.s.,

in eerste aanleg als derde partij in het geding geroepen,

in hoger beroep niet verschenen.

op het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnissen van 18 mei 2006, 16 november 2006 en 29 maart 2007 tussen [X.] als eiser en Inbev als gedaagde alsmede [Y.] c.s. als derde partij, door Inbev in het geding geroepen op de voet van het bepaalde in artikel 7:306 lid 3 BW juncto artikel 118 Rv .

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 410799, rolnummer 7249/05)

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. Na het instellen van het onderhavige hoger beroep heeft de kantonrechter in deze zaak op 5 juli 2007 nog een (eind)vonnis gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij voormelde appeldagvaarding is Inbev in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 18 mei 2006, 16 november 2006 en – verbeterd gelezen - 29 maart 2007. De memorie van grieven is nog niet genomen. Tegen [Y.] c.s. is in de onderhavige beroepsprocedure verstek verleend. Het is het hof ambtshalve bekend dat [Y.] c.s. bij afzonderlijke dagvaarding van voormelde vonnissen in hoger beroep zijn gekomen. De zaak is bekend onder rolnummer C0701109.

2.2. Bij incidentele memorie heeft Inbev gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis van 29 maart 2007 te schorsen, met veroordeling van [X.] in de kosten van het incident.

2.3. Bij memorie van antwoord in het incident heeft [X.] geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak in het incident gevraagd.

3. De beoordeling

In het incident

3.1. [X.] is eigenaar van het pand [perceel 1.] in Eindhoven, bestaande uit een café met zaal en woonhuis, alsmede van het pand [perceel 1.]a, bestaande uit een bovenwoning. Inbev is huurder van voormelde panden, die zijn onderverhuurd aan [Y.] c.s., die op nr. [perceel 1.] een cafébedrijf uitbaten en die de bovenwoning op nr. [perceel 2.] aan een derde onderverhuren.

3.2. De huurovereenkomst tussen [X.] en (de rechtsvoorgangster van) Inbev is – laatstelijk - aangegaan met ingang van 1 januari 1996 voor een periode van 10 jaar, onder handhaving van dezelfde voorwaarden als die welke ten aanzien van een eerdere in 1984 ter zake voormelde panden tussen hen gesloten huurovereenkomst golden. In de stukken wordt vermeld dat het café sedert 1978 en de bovenwoning sedert 1984 door (de rechtsvoorgangers van) Inbev aan [Y.] c.s. worden onderverhuurd.

3.3. [X.] heeft de huurovereenkomst bij brief van 20 december 2004 opgezegd tegen 31 december 2005, waarmee Inbev niet heeft ingestemd.

3.4. Hierna heeft [X.] zich tot de kantonrechter gewend en gevorderd – voor zover in dit incident van belang - voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst per 31 december 2005 zal eindigen althans een beëindigingsdatum van de huurovereenkomst vast te stellen en Inbev te veroordelen het gehuurde te ontruimen. Aan die vorderingen heeft [X.] ten grondslag gelegd dat:

- de bedrijfsvoering van Inbev niet is geweest zoals het een goed huurder betaamt;

- zijn belang bij beëindiging van de huurovereenkomst dient te prevaleren boven het belang van Inbev en [Y.] c.s. bij voorzetting daarvan;

- Imbev niet heeft ingestemd met een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst.

3.5. Bij het bestreden vonnis van 29 maart 2007 heeft de kantonrechter - onder meer - bepaald dat de huurovereenkomst tussen [X.] en Inbev zal eindigen op 29 maart 2008 en Inbev veroordeeld het gehuurde uiterlijk op die datum te ontruimen. Het vonnis is met betrekking tot deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op basis van het vonnis en het bepaalde in artikel 7:306 lid 1 BW zal de onderhuurovereenkomst tussen Inbev en [Y.] c.s. eveneens op 29 maart 2008 eindigen.

3.6. Inbev heeft in het incident gesteld, met verwijzing naar artikel 7:295 lid 1 BW, dat de beslissing van de kantonrechter om het vonnis van 29 maart 2007 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren op een misslag berust, aangezien haar verweer niet kennelijk ongegrond is geweest en niet is gebleken dat de kantonrechter haar verweer ook als zodanig heeft opgevat.

3.7. [X.] heeft de stellingen van Inbev gemotiveerd bestreden.

3.8. Het hof stelt het volgende voorop. In de onderhavige zaak is sprake van een huurovereenkomst ter zake van bedrijfsruimte (ook ter zake de bovenwoning is dit tussen [X.] en Inbev niet in geschil), die door de verhuurder is opgezegd. Ingevolge artikel 7:295 lid 1 BW blijft een dergelijke huurovereenkomst na opzegging van kracht tot dat omtrent de beëindiging van de huurovereenkomst door de rechter onherroepelijk is beslist. Aldus wordt voorkomen dat een tot ontruiming gedwongen huurder zijn belang bij een hoger beroep feitelijk zou verliezen. Ingevolge de laatste zin van voormeld artikellid kan de rechter zijn toewijzend vonnis evenwel uitvoerbaar bij voorraad verklaren ingeval het verweer van huurder hem kennelijk ongegrond voorkomt. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op de situatie dat er sprake is van misbruik van recht (NnavV kamerstukken II 2000/01, nr.5 pag. 8).

3.9. Het hof stelt vast dat de kantonrechter geen specifieke motivering heeft gewijd aan zijn beslissing om het vonnis van 29 maart 2007 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het enkele feit dát het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard rechtvaardigt ook niet de conclusie dat de kantonrechter het verweer van Inbev kennelijk ongegrond heeft geacht in die zin dat het instellen van hoger beroep tegen het vonnis misbruik van recht oplevert. Ook uit de overwegingen van het vonnis van 29 maart 2007 is zulks naar het oordeel van het hof niet, ook niet impliciet, kunnen blijken.

3.10. Weliswaar heeft de kantonrechter de vorderingen tot ontbinding en ontruiming toegewezen op de grond dat de bedrijfsvoering van Inbev niet is geweest zoals het een goed huurder betaamt en zijn daarvan in de overwegingen de nodige voorbeelden gegeven, maar het enkele feit dat het verweer van Inbev op dit punt niet is gehonoreerd (zo stelde Inbev onder meer dat de aangehaalde kwesties gedateerd zijn en dat er nooit een huurachterstand is geweest) rechtvaardigt nog niet de conclusie dat dit verweer en de overige weren door de kantonrechter zodanig kansloos werden geacht dat niet alleen huurbeëindiging maar ook uitvoerbaarverklaring bij voorraad gerechtvaardigd en aangewezen was, opdat [X.] de uitkomst van een eventuele (kansloze) beroepsprocedure niet onnodig zou hoeven af te wachten.

3.11. Het hof is van oordeel dat de weren die Imbev in eerste aanleg heeft gevoerd niet zonder meer als kennelijk ongegrond kunnen worden aangemerkt en ziet op voorhand onvoldoende aanleiding aan te nemen dat Inbev in hoger beroep is gekomen uitsluitend met de bedoeling de ontruiming uit te stellen in de wetenschap dat haar – reeds gevoerde en eventueel nog te voeren - weren in hoger beroep geen enkele kans van slagen hebben. Dat ook de belangenafweging, die in het bestreden vonnis ten overvloede is gemaakt, naar het oordeel van de kantonrechter in het voordeel van [X.] uitvalt en eveneens een grond voor ontbinding oplevert, leidt niet tot een andere conclusie. Daarbij komt dat de wetgever niet heeft gewild dat een gerechtelijke uitspraak als de onderhavige uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard op grond van een belangenafweging en is die bevoegdheid alleen gegeven voor het geval er sprake is van een kennelijk ongegrond verweer en dus van misbruik van recht, dat wil zeggen van een onevenredigheid, artikel 3:13 lid 2 BW .

3.12. Het vorenstaande leidt ertoe dat de incidentele vordering toewijsbaar is. De tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis van 29 maart 2007 zal worden geschorst. Gelet op het inmiddels verstreken tijdsverloop sinds het aanbrengen van de zaak ziet het hof wél voldoende aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek van [X.] om Inbev nog slechts een korte periode te gunnen voor het nemen van de memorie van grieven, met de toevoeging partij peremptoir en akte niet dienen.

3.13. De beslissing omtrent de proceskosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

4. De uitspraak

Het hof:

in het incident:

schorst de tenuitvoerlegging van het tussen partijen gewezen vonnis van 29 maart 2007;

houdt de beslissing terzake de proceskosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 12 februari 2008 voor het nemen van de memorie van grieven aan de zijde van Inbev, partij peremptoir en akte niet dienen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 januari 2008.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature