Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Het OM heeft hoger beroep ingesteld. Het OM stelt zich op het standpunt dat de in eerste aanleg opgelegde taakstraf niet past bij het begaan van een verkeersdelict. Het Hof deelt dit standpunt niet. De verdachte wordt schuldig bevonden aan rijden zonder rijbewijs. Straf: onvoorwaardelijke taakstraf van 42 uur.

Uitspraak



Rolnummer: 22-006096-08

Parketnummer: 10-873389-08

Datum uitspraak: 12 april 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 12 november 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 maart 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

"hij op of omstreeks 16 april 2008 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de [straatnaam], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;"

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 42 uren, subsidiair 21 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

"hij op 16 april 2008 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de [straatnaam], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;"

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op: Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot hechtenis voor de duur van drie weken.

Blijkens de appelmemorie en de mededelingen van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep stelt het openbaar ministerie zich op het standpunt dat de kantonrechter aan de verdachte ten onrechte een taakstraf heeft opgelegd.

In de appelmemorie is onder meer vermeld:

" 1. dat een taakstraf niet past bij het onderhavige delict. De verkeersveiligheid verlangt dat streng wordt opgetreden tegen het herhaaldelijk rijden zonder rijbewijs. Het dient zowel de verdachte als de samenleving duidelijk te zijn dat dergelijk herhaald gedrag maar tot één reactie leidt: een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Het is niet voor niks dat de strafmodaliteit taakstraf niet in de richtlijnen van het Openbaar Ministerie is opgenomen waar het gaat om rijden zonder rijbewijs;

2. dat het omzetten van een voorwaardelijke vrijheidsstraf in een taakstraf in een dergelijke zaak het "stok achter de deur"-karakter van de voorwaardelijke straf ernstig aantast. Het belang van de verkeersveiligheid vergt dat iemand, na tot twee keer toe ernstig te zijn gewaarschuwd, de uiterste

consequentie van zijn onverantwoordelijke gedrag heeft te aanvaarden;

3. dat 1 en 2 deste sterker gelden in het geval sprake is van hardnekkige recidive; en

4. dat dit vonnis de rechtsgelijkheid aantast, omdat in vergelijkbare gevallen wèl zonder meer een vrijheidsstraf wordt opgelegd."

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat in de visie van de verdediging niet valt in te zien waarom als sanctie op overtreding van artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 , geen taakstraf zou mogen worden opgelegd terwijl dit voor andere strafbare feiten, waaronder misdrijven op grond van de Wegenverkeerswet, niet zou gelden. Voor dergelijke misdrijven worden immers, soms ook op vordering van het openbaar ministerie, taakstraffen opgelegd terwijl het in de onderhavige zaak gaat om een overtreding.

Het hof overweegt het volgende.

In artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht zijn de strafsoorten opgenomen, te beginnen met de meest ingrijpende sancties, te weten de vrijheidsbenemende straffen, gevolgd door de taakstraf en eindigend met de 'minst ingrijpende sanctie', de geldboete.

Anders dan in andere zaken, waaronder ook verkeersmisdrijven, heeft het openbaar ministerie in zijn richtlijnen ter zake van rijden zonder rijbewijs, de taakstraf niet als strafsoort opgenomen.

Het hof is, met de raadsman van de verdachte, van oordeel dat niet valt in te zien waarom bij andere (verkeers) delicten (waaronder misdrijven, óók in geval van recidive) in beginsel wél en bij een herhaalde overtreding van artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 , geen plaats zou zijn voor het opleggen van een taakstraf, welke straf sedert 1 december 1989 als hoofdstraf in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto gereden terwijl hij niet beschikt over een rijbewijs. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, en tevens blijk gegeven van een grove veronachtzaming van de voorschriften die juist ten behoeve van de verkeersveiligheid in het leven zijn geroepen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 maart 2010, is de verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt, waarbij het hof in aanmerking neemt dat -zo de verdachte die taakstraf niet naar behoren verricht- deze zal worden vervangen door hechtenis voor de door de advocaat-generaal gevorderde duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 21 (eenentwintig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Dit arrest is gewezen door mr. C.M. le Clercq-Meijer, mr. G.P.A. Aler en mr. A.C. 't Hart, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Zuidweg. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 april 2010.

Mr. A.C. 't Hart is buiten staat dit arrest te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature