Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Octrooirecht

Uitspraak



Uitspraak: 1 februari 2007

Rolnummer: 01/664

Rolnr. rechtbank: 00/206

HET GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE, vijfde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

VÄLINGE INNOVATION AB, voorheen h.o.d.n. VÄLINGE ALUMINIUM AB,

gevestigd te Viken, Zweden,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALLOC AS, voorheen h.o.d.n. NORSKE SKOG FLOORING AS,

gevestigd te Lyngdal, Noorwegen, rechtsopvolgster van NORSKE SKOG FLOORING HOLDING AS te Lysaker, Noorwegen,

appellanten,

geïntimeerden in het (voorwaardelijk) incidenteel appèl,

hierna gezamenlijk te noemen: Välinge c.s.,

procureur: mr H.C. Grootveld,

advocaten: mrs. P. Burgers en F.W. Gerritzen te Amsterdam,

tegen

1. UNILIN BEHEER B.V.,

gevestigd te Nieuwerkerk aan de IJssel,

2. UNILIN/MULTIPRE B.V.,

gevestigd te Nieuwerkerk aan de IJssel,

3. UNILIN SYSTEMS B.V.,

gevestigd te Nieuwerkerk aan de IJssel,

4. B.V. VERKOOPMAATSCHAPPIJ voorheen J. Willemstein,

gevestigd te Gorinchem,

5. INVENT PARKET B.V.,

gevestigd te Leiden,

6. HOUTWERF D.H.Z. PRODUCTEN B.V.,

gevestigd te Leiden,

7. de vennootschap naar vreemd recht N.V. UNILIN DECOR,

gevestigd te Wielsbeke, België,

geïntimeerden,

appellanten in het (voorwaardelijk) incidenteel appèl,

hierna gezamenlijk te noemen: Unilin c.s.,

procureur: mr P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaten: mrs. P.A.M. Hendrick en B.J. Berghuis van Woortman te Amsterdam.

Het geding

Bij exploten van 21 februari 2001 zijn Välinge c.s. in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 18 juli 2000 in het bevoegdheidsincident in reconventie en het vonnis van 29 november 2000 door de rechtbank te ‘s-Gravenhage gewezen tussen partijen. Nadat appellanten de appèldagvaarding niet tijdig ter rolle van dit hof hadden aangebracht, hebben Unilin c.s. bij exploot van 2 mei 2001 Välinge c.s. opgeroepen en bij exploot van 18 oktober 2001 wederom opgeroepen te verschijnen teneinde voort te procederen. Nadat zij waren verschenen, hebben Välinge c.s. bij akte van 19 december 2002 hun eis verminderd. Bij memorie van grieven (met producties) hebben Välinge c.s. vervolgens één grief tegen het eindvonnis aangevoerd, die door Unilin c.s. bij memorie van antwoord (met producties) is bestreden. Van hun kant hebben Unilin c.s. onder aanvoering van één grief voorwaardelijk incidenteel geappelleerd tegen het vonnis. Välinge c.s. hebben die grief bestreden onder het overleggen van producties. Vervolgens hebben partijen hun standpunten voor het hof doen bepleiten door hun respectievelijke advocaten, waarbij door partijen producties in het geding zijn gebracht en Välinge c.s. hun eis hebben verminderd. Daarna hebben Välinge c.s. de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd. De pleitaantekeningen maken deel uit van de processtukken.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Door Välinge c.s. zijn geen grieven tegen het tussenvonnis van 18 juli 2000 aangevoerd. In zoverre zijn zij niet ontvankelijk in hun hoger beroep.

2. Het hof zal uitgaan van de door de rechtbank als vaststaand aangemerkte feiten, weergegeven onder 1 van het vonnis waarvan beroep, nu bedoelde feiten door partijen niet zijn weersproken. Het hof zal voorts de beknopte argumentatie (productie 8 bij akte houdende vermindering van eis van 5 oktober 2006) buiten beschouwing laten, als zijnde een nieuwe conclusie.

3. In dit geding staat de vraag centraal of Unilin c.s. met het Uniclic Systeem direct en/of indirect inbreuk maken op de Europees octrooien 0.855.482 en 0.877.130 van Välinge, zoals door Välinge c.s. wordt gesteld en door Unilin c.s. wordt bestreden. Genoemde octrooien zullen hierna respectievelijk als het ‘482-octrooi en het ‘130-octrooi worden aangeduid.

4. Het hof overweegt ambtshalve dat het hier Europese octrooien betreft, waarvan de vermelding van de verlening overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag is gepubliceerd na 1 april 1995, zodat ingevolge artikel 103, lid 2 Rijksoctrooiwet 1995 uitsluitend het bepaalde bij en krachtens die wet van toepassing is.

5. Ingevolge artikel 69, lid 1 Europees Octrooiverdrag wordt de beschermingsomvang van het octrooi bepaald door de inhoud van de conclusies van het octrooischrift, waarbij de beschrijving en de tekeningen tot uitleg van die conclusies dienen en wel (op grond van het Protocol bij genoemd artikel) zodanig dat zowel een billijke bescherming aan de octrooihouder als een redelijke rechtszekerheid aan derden wordt geboden.

6. Het ‘482-octrooi en het ‘130-octrooi zijn ieder verleend op aanvragen, die zijn afgesplitst van de (Europese) aanvrage 94915725.9, op welke aanvrage het (Europese) octrooi 0.698.162 (het moederoctrooi) is verleend. Een afschrift van dat octrooi (EP 0.698.162 B1) is in eerste aanleg overgelegd door Välinge c.s. als productie 15. De tekst van de beschrijving van het ‘482-octrooi en de tekst van de beschrijving van het ‘130-octrooi zijn ieder, naar het hof heeft vastgesteld, gelijkluidend aan de tekst van de beschrijving van het moederoctrooi, zoals deze alle zijn verleend. Tussen Välinge c.s. en tenminste één van de geïntimeerden is terzake van het moederoctrooi en de door Välinge c.s. gestelde inbreuk van het Uniclic-systeem op het moederoctrooi een procedure gevoerd, die heeft geleid tot het – onherroepelijke - arrest van 27 september 2001 van dit hof, gewezen onder rolnummer 00/462. Blijkens mededeling van partijen bij het pleidooi in de onderhavige zaak zijn de conclusies van het moederoctrooi nadien in oppositie gewijzigd. Een exemplaar van het gewijzigde octrooi (EP 0.698.162 B2) is na het pleidooi door de procureur van Välinge c.s. aan het hof gezonden. Indien het hof hierna spreekt van het moederoctrooi wordt de tekst van de B1-publicatie bedoeld.

7. Het ‘130-octrooi van Välinge (afschrift is in eerste aanleg overgelegd door Välinge als productie 13) betreft een vloersysteem met een aantal vloerpanelen, die mechanisch met elkaar zijn verbonden. Tegen de verlening van het octrooi is oppositie ingesteld. Nadat de Oppositie-afdeling van het EOB het octrooi met een gewijzigde tekst van de hoofdconclusie had in stand gelaten, heeft de Technische Kamer van Beroep de beslissing van de Oppositie-afdeling vernietigd en de tekst van de conclusies zoals oorspronkelijk verleend, gehandhaafd.

8. De hoofdconclusie van het ‘130-octrooi beschrijft de constructie van de verbindingsmiddelen van de vloerpanelen van het vloersysteem. Behalve dat de aangrenzende zijden van twee naast elkaar geplaatste panelen in elkaar grijpen en daarmede een (eerste) mechanische verbinding tussen de panelen in een eerste richting (D1) vormen, is ieder vloerpaneel aan de achterzijde voorzien van een opsluitstrook langs een lange zijde en langs een korte zijde van het paneel, welke opsluitstroken met het paneel geïntegreerd zijn en daarmee een geheel vormen en zich over vrijwel de gehele lengte van de desbetreffende zijde van het paneel uitstrekken en voorzien zijn van een uitstekend opsluitelement. Voorts is ieder paneel aan de achterzijde voorzien van een opsluitgroef aan de tegenoverliggende lange zijde en aan de tegenoverliggende korte zijde, waarbij iedere opsluitgroef evenwijdig is aan en ligt op afstand van de corresponderende zijde en open is naar een achterzijde van het paneel. De opsluitstroken en opsluitgroeven vormen (tweede) mechanische verbindingen, die de panelen met elkaar verbinden in een tweede richting (D2) evenwijdig aan het hoofdvlak en onder rechte hoeken met de verbonden zijden, zodanig dat een strook van een eerste van twee verbonden panelen aan de achterzijde van het tweede paneel uitsteekt en met het opsluitelement ligt in de opsluitgroef van het tweede paneel. Voorwaarde bij een en ander is dat de (eerste) mechanische verbinding onderlinge verplaatsing van de panelen in de richting van de lange zijden toelaat en dat de panelen, indien met de lange zijden met elkaar verbonden, een relatieve plaats in de tweede richting (D2) innemen, waarbij een speling (?) bestaat tussen de opsluitgroef en een opsluitoppervlak op het opsluitelement, gericht naar de lange zijden, zodat ook de tweede mechanische verbinding onderlinge verplaatsing van de panelen in de richting van de lange zijden toelaat.

9. Het ‘482-octrooi van Välinge (afschrift van de B1-versie is in eerste aanleg overgelegd door Välinge als productie 12) betreft een werkwijze voor het in evenwijdige rijen leggen en mechanisch verbinden van vloerpanelen. Tegen de verlening van het octrooi is oppositie ingesteld. Nadat de Oppositie-afdeling van het EOB het octrooi met een gewijzigde tekst van de hoofdconclusie in stand had gelaten, heeft de Technische Kamer van Beroep het beroep tegen de beslissing van de Oppositie-afdeling verworpen en het octrooi met de gewijzigde tekst van de hoofdconclusie, gehandhaafd, waarop beide partijen zich beroepen. Conclusie 1 luidt thans (zie de als productie 8 door Unilin c.s. overgelegde beslissing van de Technische Kamer van Beroep van 9 november 2004 onder I “Summary of Facts and Submissions”):

A method for laying and mechanically joining rectangular floor panels (1, 2) in parallel rows, said panels (1, 2) being provided with means formed by the adjacent joint edges (3, 4) for mechanically locking together their long edges as well as their short edges in a first direction (D1) at right angles to the principal plane of the panels (1, 2), the adjacent joint edges thereby form a first mechanical connection, characterised in that each panel (1, 2), at a rear side thereof, being provided with (i) a locking strip (6, 6’) at one long edge (3) and at one short edge (3’), each locking strip (6, 6’) being either a separate element connected to the panel or an extension of a lower part of the joint edge (3, 3’) and extending throughout substantially the entire length of the corresponding edge (3, 3’) and being provided with a locking element (8) projecting from the strip (6, 6’), and (ii) a locking groove (14, 14’) at an opposite long edge (4) and at an opposite short edge (4’) for receiving a locking element (8) of an adjacent panel, each locking groove (14, 14’) extending parallel to and spaced from the corresponding edge (4, 4’) and being open at a rear side of the panel, the locking element and the locking groove form a second mechanical connection, locking the panels to each other in a second direction (D2) parallel to the principal plane and at right angles to the joint edges; and in that said method includes the following two main locking steps S1 and S2 for laying a new panel:

S1: mechanically connecting a long edge (4 or 3) of the new panel to a long edge (3 or 4) of a previously laid first panel in a first row in such a way that the new panel and the first panel, as a result of said first main locking step S1, are mechanically locked to each other in said first direction (D1) as well as in a second direction (D2) parallel to said principal plane and at right angles to the locked long edges (3, 4), wherein the panels, when joined together, can occupy a relative position in said second direction (D2) where a play (?) exists between the locking groove (14) and a locking surface (10) on the locking element (8), that is facing the joint edges and is operative in said second mechanical connection, wherein said first main locking step S1 to this end includes

either:

? the substep of placing the new panel in a second row adjacent to said first row with the long edge (4) of the new panel provided with a locking groove (14) being placed upon and in contact with a locking strip (6) at the adjacent long edge (3) of the first panel, while holding the new panel at an angle relative to a principal plane of the first panel and at a distance from its final longitudinal position relative to a previously laid second panel in said second row, and

? the substep of subsequently angling down the new panel so as to accommodate the locking element (8) of said strip (6) of the first panel in said locking groove (14) of the new panel,

or

? the substep of placing the new panel in a second row adjacent to said first row with the locking strip (6) being provided at a long edge (3) of the new panel being inserted under the adjacent long edge (4) of the first panel being provided with a locking groove (14), while holding the new panel at an angle relative to a principal plane of the first panel and at a distance from its final longitudinal position relative to a previously laid second panel in said second row, and

? the substep of subsequently angling down the new panel so as to accomodate the locking element (8) of said strip (6) of the new panel in said locking groove (14) of the first panel,

and

S2: mechanically connecting a short edge of the new panel to a short edge of said previously laid second panel in the second row in such a way that the new panel and the second panel, as a result of said second main locking step S2, are mechanically locked to each other at said short edges (3’, 4’) in said first direction (D1) as well as in a third direction (D3) parallel to said principal plane and at right angles to the short edges (3’, 4’), wherein said second main locking step S2 is performed by a linear horizontal displacement of the new panel in its longitudinal direction relative to the first panel towards said final longitudinal position until the locking element (8) of the strip (6’) at one (4’) of the short edges is received in the locking groove (14’) at the other one (4’) of the short edges, wherein, as a result of said linear displacement of the new panel, the locking strip (6’) located at the short edges (3’, 4’) to be locked together is bent downwards until the locking element (8) snaps up into the locking groove (14’), whereby the new panel, in its final laid position, is mechanically connected in two direction (D1, D2) at its long edge to the first panel and in two direction (D1, D3) at its short edge to the second panel.

10. De hoofdconclusie van het ‘482-octrooi beschrijft aldus een werkwijze voor het mechanisch verbinden van op bepaalde wijze geconstrueerde vloerpanelen. De vloerpanelen dienen voorzien te zijn van door aan elkaar grenzende zijden gevormde middelen voor het mechanisch tezamen houden (“locking together”) van de lange zijden en de korte zijden in een eerste richting (D1) loodrecht op de hoofdvlakken van de panelen. Ieder vloerpaneel is voorts aan een achterzijde voorzien van een opsluitstrook langs een lange zijde en langs een korte zijde van het paneel, welke opsluitstrook een met het paneel verbonden afzonderlijk onderdeel is of een verlenging van een benedendeel van de desbetreffende zijde, en welke opsluitstrook zich over vrijwel de gehele lengte van de desbetreffende zijde van het paneel uitstrekt en voorzien is van een vanaf de strook uitstekend opsluitelement. Daarnaast is ieder paneel aan de achterzijde voorzien van een opsluitgroef aan een tegenoverliggende lange zijde en aan een tegenoverliggende korte zijde voor het opnemen van een opsluitelement van een naastliggend paneel, waarbij iedere opsluitgroef evenwijdig is aan en ligt op afstand van de corresponderende zijde en open is naar een achterzijde van het paneel. De opsluitstroken en opsluitgroeven vormen (tweede) mechanische verbindingen, die de panelen met elkaar verbinden in een tweede richting (D2) evenwijdig aan het hoofdvlak en onder rechte hoeken met de verbonden zijden.

11. Volgens de hoofdconclusie omvat de werkwijze voor het leggen en mechanisch verbinden van aldus geconstrueerde vloerpanelen een aantal handelingen, waarbij de panelen met de respectievelijke opsluitstroken en opsluitelementen mechanisch met elkaar verbonden worden in zowel de eerste richting (D1) als de tweede richting (D2), waarbij de panelen, indien verbonden een relatieve plaats in de tweede richting (D2) kunnen innemen, waarbij een speling (?) bestaat tussen de opsluitgroef en een opsluitoppervlak op het opsluitelement, gericht naar de verbonden zijden en werkzaam in de tweede mechanische verbinding.

12. Zowel bij het vloersysteem volgens het ‘130-octrooi als de werkwijze voor het leggen van vloerpanelen volgens het ‘482-octrooi is een voorwaarde dat zodanige panelen worden toegepast, dat twee panelen, indien met elkaar verbonden, een relatieve plaats in de tweede richting (D2) innemen, waarbij een speling bestaat tussen de opsluitgroef en een opsluitoppervlak op het opsluitelement, gericht naar de (met elkaar) verbonden zijden. De omschrijving van deze, in de respectievelijke hoofdconclusies van het ‘130-octrooi en het ‘482-octrooi opgenomen voorwaarde is voor beide octrooien niet geheel gelijkluidend, doch de omschrijving van de voorwaarde in de beschrijving bij de octrooien is geheel identiek. (Vgl. het ‘130-octrooi, kolom 4, regel 54 – kolom 5, regel 1, respectievelijk het ‘482-octrooi, kolom 4, regels 53 – 58: “that the panels, when joined together, can occupy a relative position in said second direction where a play exists between the locking groove and a locking surface on the locking element that is facing the joint edges and is operative in said second mechanical connection”).

13. Terzake van de voorwaarde betreffende speling heeft het hof in het vorengenoemde arrest van 27 september 2001 (onder 11) het volgende overwogen:

“Met betrekking tot het begrip speling overweegt het hof dat “speling” in technisch opzicht niet een ondubbelzinnig begrip is. Voor zover met speling een geringe ruimte wordt bedoeld, die enige vrijheid van beweging tussen aaneensluitende zaken laat, hangt het van de context van het gebruikte woord af, wanneer wel en wanneer niet van een dergelijke speling kan worden gesproken. Volgens conclusie 1 van het Välinge-octrooi brengt het aanwezig zijn van speling mee, dat een verplaatsing van de panelen ten opzichte van elkaar in de richting van de verbindingsranden mogelijk is en ook dat het tweede paneel betrekkelijk eenvoudig van het eerste kan worden weggedraaid. De beschrijving, ter uitleg geraadpleegd, bevestigt deze zienswijze. In kolom 9, regels 1 – 8 wordt hierover vermeld: “When the panels 1 and 2 are joined together, they can however occupy such a relative position in the direction D2 that there is a small play A (bedoeld zal zijn: ? -hof) between the locking surface 10 and the locking groove 14. This mechanical connection in the direction D2 allows mutual displacement of the panels 1, 2 in the direction of the joint, which considerably facilitates the laying and enables joining together the short sides by snap action.” In kolom 7, regels 10 – 17 wordt over het verschuiven gesproken: “For example, the long sides can be joined together by using the first laying technique with downward angling of the groove panel, while the short sides are subsequently joined together by displacing the groove panel in its longitudinal direction (onderstreping hof) until its short side is pressed on and locked to the short side of an adjacent panel in the same row.” Hierdoor is het voor de vakman niet aan twijfel onderhevig, dat de “speling” in conclusie 1 een essentieel element van de geoctrooieerde uitvinding is. Ten overvloede kan nog worden gewezen op het verleningsdossier, zoals bij pleidooi geciteerd door de advocaat van Välinge (…). In correspondentie met de Examiner geeft de octrooigemachtigde van Välinge aan, dat een verschil met de stand van de techniek is “het enkele feit dat de panelen in vergrendelde positie kunnen schuiven”, hetgeen mogelijk is omdat tussen de opsluitgroef in het tweede paneel en de opstaande rand op de strook van het eerste paneel nog enige ruimte aanwezig is. Voorts kan noch uit de conclusie, noch uit de beschrijving worden opgemaakt, dat voor het verplaatsen of “verschuiven” van de panelen meer nodig zou zijn dan het uitoefenen van enige kracht, bijvoorbeeld met de hand.

Naar het oordeel van het hof dient daarom onder speling in de zin van het octrooi verstaan te worden een zodanige (geringe) ruimte tussen de opsluitgroef in het tweede paneel en de opstaande rand op de strook van het eerste paneel (het opsluitoppervlak), dat daardoor de aan elkaar bevestigde panelen ten opzichte van elkaar kunnen worden verplaatst, dat wil zeggen langs elkaar “geschoven”, waarbij voor dat verplaatsen of verschuiven geen aanzienlijke kracht vereist is.”

14. Het hof handhaaft deze overwegingen en gaat daarvan ook in dit geding uit.

15. Naar het oordeel van het hof zijn de geciteerde overwegingen evenzeer van toepassing op het ‘482-octrooi en het ‘130-octrooi. Dat ook Välinge c.s. deze mening zijn toegedaan blijkt uit het gestelde in de memorie van grieven (onder 34): “Speling heeft in het moederoctrooi dezelfde eigenschappen en functies als in de 130- en 482-octrooien, zodat deze overwegingen in beginsel ook toepasselijk zijn op de onderhavige zaak.” Echter menen Välinge c.s. dat uit de conclusie en de beschrijving van het moederoctrooi niet (en evenmin uit de conclusie en beschrijving van ieder van de ‘130- en ‘482-octrooien) valt op te maken dat er een beperking zou zijn aan de kracht die dient te worden uitgeoefend om de verbonden panelen te laten verschuiven. Noch in het moederoctrooi, noch in de 130- en 482-octrooien wordt over de grootte van de schuifkracht gesproken, aldus Välinge c.s. Het hof kan Välinge c.s. hierin niet volgen. Juist is dat in de beschrijving en conclusies van de octrooien over de grootte van de kracht, nodig om de panelen te laten verschuiven, niet wordt gesproken. De gemiddelde vakman leest in de conclusies van het ‘482-octrooi, dat bij het leggen en mechanisch verbinden van de vloerpanelen na het met elkaar verbinden van de panelen een lineaire verplaatsing van een nieuw gelegd paneel mogelijk is en treft in de ter toelichting geraadpleegde beschrijving aan (kolom 9, regels 5 – 12); “When the panels 1 and 2 are joined together, they can however occupy such a relative position in the direction D2 that there is a small play ? between the locking surface 10 and the locking groove 14. This mechanical connection in the direction D2 allows mutual displacement of the panels 1, 2 in the direction of the joint, which considerably facilitates the laying and enables joining together the short sides by snap action” en treft bovendien als aanprijzing aan (kolom 5, regels 33 – 40) “The system according to the invention makes it possible to provide concealed, precise locking of both the short and long sides of the panels in hard, thin floors. The floor panels can be quickly and conveniently disassembled in the reverse order of laying without any risk of damage to the panels ensuring at the same time a high laying quality. The panels can be assembled and disassembled much faster than in present-day systems,(...)”. De gemiddelde vakman leest voorts in conclusie 1 (kolom 13, regels 34 t/m 42) van het ‘130-octrooi “that the panels, when joined together along their long edges (3, 4) can occupy a relative position in said second direction (D2) where a play (?) exists between the locking groove (14) and a locking surface (10) on the locking element (8) that is facing the long edges (3, 4), such that also the second mechanical connection allow mutual displacement of the panels (1, 2) in the direction of the long edges (3, 4)”. Hij zal voorts in de beschrijving dezelfde zinsneden aantreffen als hiervoor aangehaald uit het ‘482-octrooi. Op grond van dit alles zal de vakman, naar het oordeel van het hof, aannemen dat het leggen van de vloerpanelen volgens de octrooien snel en op eenvoudige wijze met de hand kan geschieden en dat dus ook het nodige verschuiven om de panelen op de juiste plaats te brengen en (voor zover vereist) in aangrenzende panelen te laten “klikken”, zonder het uitoefenen van veel kracht zal kunnen geschieden. Anders dan Välinge c.s. betogen (memorie van grieven onder 13) wordt bij deze uitleg door de vakman er niet van uitgegaan, dat door de aanvrager van het octrooi afstand is gedaan van een deel van de beschermingsomvang van het octrooi, en is er geen sprake van een geval waarop Meyn/Stork (Hoge Raad 27 januari 1989, NJ 1989, 506) van toepassing is.

16. Het vorenstaande vindt voorts nog bevestiging in de eerder genoemde beslissing van de Technische Kamer van Beroep van het EOB. In die beslissing bespreekt de Kamer het argument van de octrooihoudster dat het aspect van de geringe speling niet in de conclusie vermeld behoeft te worden, omdat dat aspect niet wezenlijk is voor de geclaimde werkwijze. Daarover zegt de Kamer onder meer:

“The words “allow mutual displacement” make clear that the “small play” was deemed necessary for the relative displacement of the panels along their long edges, which in turn “enables” the snap joint at the short sides. Since both the displacement of the new panel in its longitudinal direction and the snap connection at its short edge are defined in step S2 of the claimed method, it follows that the “play”-feature, being an integral part of these steps, had to be present in this method.”

17. Met betrekking tot het Uniclic-systeem van Unilin c.s. heeft het hof in het eerder aangehaalde arrest (onder 13) overwogen, welke overweging het hof thans overneemt:

“Zoals het hof aan de hand van de overgelegde monsters heeft kunnen constateren, is het bij aan elkaar bevestigde Uniclic-panelen niet mogelijk de panelen ten opzichte van elkaar te verschuiven. Weliswaar kunnen, zoals door partijen wordt erkend, ook de panelen van het Uniclic-systeem ten opzichte van elkaar in de richting van de verbindingsranden worden bewogen, maar hiervoor is het uitoefenen van een aanzienlijke kracht, bijvoorbeeld door middel van een hamer en een speciaal stootblok, vereist. Dit wijst op een vrijwel klemvast verbonden zijn van de panelen. Bij het Uniclic systeem wordt in plaats van rechte contactvlakken gebruik gemaakt van schuin gerichte contactvlakken, waardoor deze tijdens het in en uit elkaar wentelen van de panelen langs elkaar kunnen bewegen zonder dat er noodzaak bestaat van een speling tussen die vlakken. Zo er tussen de opsluitgroef in het tweede paneel en de opstaande rand op de strook van het eerste paneel nog enige ruimte aanwezig is (hetgeen Unilin c.s. ontkennen en Välinge c.s. staande houden) is deze ruimte niet een speling in de zin van het octrooi. De conclusie is daarom, dat een dergelijke speling in de zin van het octrooi bij het Uniclic-systeem afwezig is en dat het Uniclic-systeem geen inbreuk maakt op het Välinge-octrooi.”

Hetgeen in de door partijen overgelegde rapporten is vermeld maken dit niet anders. Gesteld noch gebleken is, dat het thans aan de orde zijnde Uniclic-systeem een ander is dan het in het eerdere arrest beoordeelde systeem. De conclusie dient daarom te zijn dat het Uniclic-systeem niet voldoet aan in de hoofdconclusie van het ‘482-octrooi, noch aan de hoofdconclusie van het ‘130-octrooi.

18. Bij pleidooi is door Välinge c.s. nog aangevoerd dat bij een bepaalde uitvoeringsvorm van het Uniclic-systeem de panelen op de plaats waar het octrooi speling voorschrijft, voorzien zijn van een met een waslaag gevulde tussenruimte en dat deze maatregel het mogelijk maakt de panelen ten opzichte van elkaar te verschuiven, doordat de wrijving in het sluitelement door toepassing van de waslaag verminderd is. De waslaag is daarmee een maatregel die equivalent is aan een tussenruimte gevuld met lucht, aldus Välinge c.s. Het hof acht het in strijd met een goede procesorde om eerst bij pleidooi in beroep een nieuwe grondslag (equivalentie) voor de inbreukvordering aan te voeren. Bovendien is deze nieuwe grondslag, naar het oordeel van het hof, onvoldoende onderbouwd.

19. Slotsom van het vorenstaande is, dat het Uniclic-systeem geen inbreuk maakt op het ‘482-octrooi, noch op het ‘130-octrooi van Välinge c.s. en dat de enkele grief van Välinge c.s. faalt, wat er ook zij van de overwegingen van de rechtbank. Dit brengt mee dat de overige stellingen en weren van partijen in conventie geen behandeling meer behoeven. Het voorwaardelijk ingestelde incidenteel appèl behoeft geen behandeling, nu de voorwaarde waaronder het is ingesteld, niet is vervuld. Overigens hebben Unilin c.s. daarbij, gelet op het voorgaande, geen belang. Aangezien de grief van Välinge c.s. faalt, zal het vonnis voor zover gewezen in conventie en in reconventie voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden bekrachtigd. Välinge c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

Het hof:

verklaart Välinge c.s. niet ontvankelijk in hun beroep tegen het tussenvonnis van 18 juli 2000;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en verwijst Välinge c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Unilin c.s. begroot op € 2.898;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Fasseur–van Santen, C.J. Verduyn en S.U. Ottevangers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2007 in aanwezigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature